Выбрать главу

‘Mart, stommeling!’ schreeuwde Talmanes van een van de paarden, amper zichtbaar als omtrek tegen de nacht.

Mart glimlachte dankbaar naar Talmanes, wendde Pips, en hield Delarn tegen toen de man bijna van het paard gleed. De Roodarm leefde nog, want hij spande zich zwakjes in, maar hij had een kleverige, vochtige plek op zijn zij. Mart hield de man voor zich vast, negeerde de teugels en bestuurde Pips met een snelle draai van zijn knieën. Hij kende zelf geen paardenopdrachten, maar die verdomde herinneringen van hem kenden ze wel, en dus had hij Pips geleerd die te gehoorzamen.

Thom galoppeerde langs en Mart wendde Pips om hem te volgen, waarbij hij Delarn tegenhield met zijn ene hand en zijn speer vasthield met de andere. Talmanes en Harnan reden aan weerskanten van hem en denderden door de tunnel van waanzin naar de herberg aan het uiteinde.

‘Kom op, man,’ fluisterde Mart tegen Delarn. ‘Hou vol. De Aes Sedai zijn een stukje verderop. Zij lappen je wel op.’ Delarn fluisterde iets terug. Mart boog zich naar voren. ‘Wat zeg je?’

‘... en werp de dobbelstenen tot we vliegen,’ fluisterde Delarn. ‘Om te dansen met Schemerige Jak...’

‘Geweldig,’ mompelde Mart. Er waren lichten verderop, en hij zag dat die van de herberg kwamen. Misschien zouden ze toch een plek in dit verdomde dorp vinden waar de mensen niet volkomen dol waren.

Maar nee. Die uitbarstingen van licht kwamen hem bekend voor. Vuurbollen, opflitsend achter de bovenste ramen van de herberg. ‘Nou,’ merkte Talmanes links van hem op, ‘het lijkt erop dat de Aes Sedai nog leven. Dat is in ieder geval iets.’

Gestalten stonden opeengepakt voor de herberg en vochten in het donker, af en toe verlicht door de flitsen achter de ramen. ‘Achterom,’ opperde Thom.

‘Kom mee,’ zei Mart tegen hen, denderend langs de vechtende mensen. Talmanes, Thom en Harnan volgden Pips op de hielen. Mart zegende zijn geluk dat hij geen gat of spoor in de weg raakte toen ze over de zachtere aarde naar de achterkant van de herberg galoppeerden. De paarden hadden gemakkelijk kunnen struikelen en een been kunnen breken, waardoor ze allemaal aan de rampspoed overgeleverd zouden zijn.

Achter de herberg was het stil, dus Mart hield in. Thom sprong uit het zadel, en zijn soepelheid weersprak zijn eerdere klachten over zijn leeftijd. Hij vatte post aan de zijkant van het gebouw, om op te letten of ze niet waren gevolgd.

‘Harnan!’ riep Mart, die met zijn speer naar de stallen wees. ‘Haal de paarden van de vrouwen en zadel ze als het kan, maar zorg dat ze klaar zijn om zonder zadel te vertrekken als het moet. Als het Licht het wil hoeven we niet ver te rijden, slechts een mijl om het dorp uit te komen, weg bij deze waanzin.’

Harnan bracht hem een saluut, steeg af en rende naar de stallen. Mart wachtte even om zich ervan te vergewissen dat er niemand uit de duisternis op hem af zou springen, en toen sprak hij tegen Delarn, die hij nog voor zich vasthield. ‘Ben je nog bij?’ Delarn knikte zwakjes. ‘Ja, Mart. Maar ik heb een wond in mijn buik. Ik...’

‘We gaan de Aes Sedai halen,’ zei Mart. ‘Jij hoeft hier alleen maar te wachten. Blijf in het zadel, ja?’

Delarn knikte weer. Mart twijfelde bij de zwakke bewegingen van de man, maar Delarn greep Pips’ teugels beet en leek vastberaden. Dus liet Mart zich uit het zadel glijden en hield zijn ashandarei klaar. ‘Mart,’ zei Delarn vanuit het zadel. Mart draaide zich om.

‘Dank je dat je voor me bent teruggekomen.’

‘Ik was niet van plan zomaar iemand achter te laten,’ zei Mart huiverend. ‘Sterven op het slagveld is één ding, maar hierbuiten, in die duisternis... Nou, dat wilde ik niet laten gebeuren. Talmanes! Kijk of je wat licht kunt vinden.’

‘Werk ik al aan,’ zei de Cairhienin, die bij de achterdeur van de herberg stond. Er hing daar een lantaarn. Na een paar tikken met vuursteen en staal verlichtte een zachte gloed de achtertuin van de herberg. Talmanes sloot snel het schildje en verkleinde de lichtbundel.

Thom draafde naar hen terug. ‘Niemand is ons gevolgd, Mart,’ meldde hij.

Mart knikte. Bij het lantaarnlicht zag hij dat Delarn er slecht aan toe was. Hij had niet alleen een wond in zijn buik, maar ook schrammen op zijn gezicht en scheuren in zijn uniform, en zijn ene oog was dichtgezwollen.

Mart haalde een zakdoek tevoorschijn en drukte die tegen de buikwond, staand naast Pips en reikend naar de man in het zadel. ‘Hou dit vast. Hoe heb je die wond opgelopen? Ze hadden geen wapens.’

‘Een van hen pakte me mijn zwaard af,’ gromde Delarn. ‘Hij kon er best goed mee overweg toen hij het eenmaal had.’ Talmanes had de achterdeur van de herberg geopend. Hij keek naar Mart en knikte. De weg naar binnen was vrij. ‘We zijn zo terug,’ beloofde Mart aan Delarn. Met zijn ashandarei losjes in zijn hand liep hij het stukje naar de deur en knikte naar Talmanes en Thom. Met hun drieën doken ze naar binnen.

De deur leidde naar de keuken. Mart tuurde om zich heen in de donkere ruimte. Talmanes gaf hem een por en wees naar enkele bulten op de vloer. Het straaltje lantaarnlicht onthulde twee keukenjongens van amper tien jaar oud, die met een gebroken nek dood op de grond lagen. Mart wendde zijn blik af, vermande zich en sloop verder naar binnen. Licht! Zo jong, en nu al dood door deze waanzin. Thom schudde grimmig zijn hoofd, en gedrieën slopen ze naar voren.

Ze vonden de kok in de volgende gang, waar hij grommend bezig was op het hoofd te slaan van iemand die de herbergier leek te zijn. Althans, het was een man met een wit schort voor. Hij was al dood. De dikke kok draaide zich met een dierlijke woede in zijn ogen naar Mart en Talmanes om zodra ze de gang binnenkwamen. Mart sloeg met tegenzin toe en legde hem het zwijgen op, voordat hij kon schreeuwen en nog meer mensen kon waarschuwen. ‘Er wordt gevochten op de trap,’ zei Talmanes, met een hoofdknik naar voren.

‘Ik wed dat er ook een bediendetrap is,’ merkte Thom op. ‘Dit lijkt me wel een herberg die zoiets heeft.’

En inderdaad, via twee gangen achterin kwamen ze bij een smalle, gammele trap die omhoog leidde in de duisternis. Mart haalde diep adem en liep de trap op, met zijn ashandarei in de hand. De herberg had maar twee verdiepingen en de flitsen kwamen van de bovenverdieping, aan de voorkant.

Ze kwamen op de bovenverdieping aan en duwden de deur open naar de zure geur van verbrand vlees. De gangen waren hier van hout, de nerf bedekt met een dikke laag witte verf. Op de vloer lag een kastanjebruin kleed. Mart knikte naar Talmanes en Thom en samen – met hun wapens in de aanslag – doken ze de trap af en de gang in.