Onmiddellijk suisde er een vuurbol op hen af. Mart vloekte, sprong achteruit en belandde tegen Talmanes aan, waarbij hij het vuur net wist te ontwijken.
Thom dook met de lenigheid van een speelman onder het vuur door, terwijl Mart en Talmanes bijna de trap af vielen. ‘Bloedas!’ riep Mart de gang in. ‘Wat denken jullie te doen?’ Het bleef even stil. Toen klonk eindelijk Jolines stem: ‘Cauton?’
‘Wie dacht jij dan, verdomme!’ riep hij terug. ‘Weet ik niet!’ zei ze. ‘Jullie kwamen zo snel aan gerend met die wapens. Wilden jullie zelfmoord plegen?’
‘We wilden jullie redden!’ riep Mart.
‘Lijkt het erop dat wij redding nodig hebben?’ kwam het antwoord. ‘Nou, jullie zijn hier toch nog steeds?’ riep Mart terug. Daar werd op geantwoord met stilte.
‘O, in Lichtsnaam,’ riep Joline uiteindelijk terug. ‘Komen jullie nog?’
‘Je gaat toch niet weer een vuurbol naar me smijten, wel?’ mompelde Mart, en hij stapte de gang in terwijl Thom overeind krabbelde en Talmanes hem volgde. Hij zag de drie Aes Sedai boven aan de brede, mooie trap aan het andere uiteinde van de gang staan. Teslyn en Edesina bleven vuurbollen gooien naar ongeziene dorpelingen beneden. Hun haar was vochtig en hun gewaden waren gekreukeld, alsof ze die haastig hadden aangetrokken.
Joline droeg alleen een lange witte kleedmantel, haar fraaie gezicht kalm, haar donkere haar los en vochtig over haar rechterschouder naar voren. De mantel stond bovenaan een stukje open en gaf een aanwijzing over wat eronder zat. Talmanes floot zachtjes. ‘Ze is geen vrouw, Talmanes,’ fluisterde Mart waarschuwend. ‘Ze is een Aes Sedai. Je moet haar niet als vrouw beschouwen.’
‘Ik doe mijn best, Mart,’ zei Talmanes. ‘Maar het valt niet mee.’ Hij weifelde, en toen voegde hij eraan toe: ‘Het Licht brande me.’
‘Pas maar op, anders laat zij je branden,’ zei Mart, die zijn hoed aan de voorkant een stukje omlaag trok. ‘Eigenlijk heeft ze dat net al bijna gedaan.’
Talmanes zuchtte, en ze liepen door de gang naar de vrouwen toe. Jolines twee zwaardhanden, die hun wapens hadden getrokken, stonden in de badkamer. Een stuk of tien bedienden waren in de hoek vastgebonden: twee jonge meisjes – waarschijnlijk badhuipen – en enkele mannen in vesten en broeken. Kennelijk was Jolines gewaad aan repen gescheurd en gebruikt om boeien te maken. Zijde leende zich daar veel beter voor dan wollen handdoeken. Boven aan de trap, net beneden de Aes Sedai, zag Mart een verzameling lijken die waren gevallen voor zwaarden, niet door vuur.
Joline keek naar Mart toen hij naderde, met een blik die erop wees dat ze dit allemaal om een of andere reden zijn schuld vond. Ze sloeg haar armen over elkaar en duwde de bovenkant van de mantel dicht, hoewel hij niet zeker wist of het toeval was of omdat Talmanes naar haar gaapte.
‘We moeten weg,’ zei Mart tegen de vrouwen. ‘De hele stad is waanzinnig geworden.’
‘We kunnen niet weg,’ zei Joline. ‘Dan laten we die bedienden aan de genade van de menigte over. Bovendien moeten we gaan kijken of meester Tobrad veilig is.’
‘Is meester Tobrad de herbergier?’ vroeg Mart. Een vuurbol suisde de trap af.
‘Ja,’ antwoordde Joline.
‘Te laat,’ zei Mart. ‘Zijn hersens tooien de muren beneden al. Luister, zoals ik al zei, dit hele dorp is gek. Die bedienden hebben toch geprobeerd om jullie te vermoorden?’ Joline weifelde. ‘Ja.’
‘Laat ze hier,’ beval Mart. ‘We kunnen niets voor ze doen.’
‘Maar als we wachten tot het licht wordt...’ zei Joline aarzelend. ‘En dan?’ vroeg Mart. ‘Wil je iedereen die de trap op probeert te komen in de as leggen? Je maakt hier nogal wat lawaai, en dat trekt steeds meer mensen aan. Je zult ze allemaal moeten doden om ze tegen te houden.’
Joline keek snel naar de andere twee vrouwen. ‘Luister,’ zei Mart. ‘Ik heb beneden een gewonde Roodarm, en ik ben van plan hem hier levend weg te krijgen. Jullie kunnen niets doen voor de mensen hier. Ik vermoed dat jullie zwaardhanden die groep boven aan de trap moesten doden voordat jullie je voldoende bedreigd voelden om de Kracht te gebruiken. Jullie weten inmiddels hoe vastberaden ze zijn.’
‘Goed dan,’ zei Joline. ‘Ik ga mee. Maar we nemen de twee jonge diensters mee. Blaeric en Fen kunnen ze dragen.’ Mart zuchtte – hij had liever dat de zwaardhanden hun handen vrij hadden om te helpen als er problemen waren – maar hij deed er verder het zwijgen toe. Hij knikte naar Talmanes en Thom en wachtte ongeduldig terwijl de zwaardhanden de twee vastgebonden meisjes optilden en over hun schouder legden. Daarna ging de hele groep via de bediendetrap naar beneden, met Talmanes voorop en Mart achteraan. Hij hoorde geschreeuw dat half kwaad en half uitgelaten klonk toen de dorpelingen onder aan de trap in de gaten kregen dat er geen vuur meer naar beneden kwam.
Er klonk gebons en geroep, gevolgd door deuren die opengingen, en Mart kromp ineen en dacht aan de overige bedienden – nog vastgebonden in de badkamer – die nu ten prooi vielen aan de menigte. Mart en de anderen stormden de achtertuin van de herberg in en zagen dat Delarn op de grond naast Pips lag, met Harnan op zijn knieën naast hem. De bebaarde soldaat keek ongerust op. ‘Mart!’ riep hij. ‘Hij is uit het zadel gevallen. Ik...’
Edesina negeerde hem, rende naar Delarn toe en knielde bij hem neer. Ze sloot haar ogen, en Mart voelde kou van zijn penning stralen. Hij huiverde toen hij zich voorstelde dat de Ene Kracht uit hem en naar de man toe lekte. Dat was bijna even erg als sterven, bloed en bloedas! Hij greep de penning door zijn hemd heen vast. Delarn verstijfde, maar toen zoog hij zijn adem naar binnen en gingen zijn ogen trillend open.
‘Het is gelukt,’ zei Edesina toen ze opstond. ‘Hij zal nog wel even zwak zijn van de Heling, maar ik was er nog op tijd bij.’ Harnan had hun paarden al verzameld en gezadeld, het Licht zegene hem. Goede man. De vrouwen stegen op en keken nog een keer achterom naar de herberg.
‘Het lijkt wel alsof de duisternis zelf hen bedwelmt,’ zei Thom, terwijl Mart Delarn in het zadel hielp. ‘Alsof het Licht hen heeft verlaten en heeft overgeleverd aan de Schaduw...’
‘Niks aan te doen,’ zei Mart, die zich achter Delarn in het zadel trok. De soldaat was na die Heling te zwak om alleen te rijden. Mart keek naar de diensters die door de zwaardhanden over de schoft van hun paarden waren gelegd. Ze verzetten zich tegen hun boeien, met haat in hun ogen. Hij draaide zich om en knikte naar Talmanes, die de lantaarn aan zijn zadelknop had gebonden. De Cairhienin opende het schildje en het erf van de herberg baadde in het licht. Er liep een pad naar het noorden, weg van het erf en het duister in. Weg van het leger, maar ook rechtstreeks het dorp uit, naar de heuvels. Daar nam Mart genoegen mee.
‘Rijden,’ zei hij, terwijl hij Pips aanspoorde. De groep reed met hem mee.
‘Ik zei toch dat we weg moesten?’ zei Talmanes, kijkend over zijn schouder terwijl hij links van Mart reed. ‘Maar jij moest zo nodig blijven voor één laatste worp.’
Mart keek niet om. ‘Niet mijn schuld, Talmanes. Hoe moest ik weten dat ze elkaar daardoor allemaal naar de strot zouden vliegen?’
‘Wat?’ vroeg Talmanes, die naar hem keek. ‘Is dat dan niet hoe mensen meestal reageren als je ze zegt dat je een nachtje blijft slapen?’ Mart draaide met zijn ogen, maar hij had niet veel zin om te lachen terwijl hij de groep het dorp uit leidde.
Uren later zat Mart vanaf een rotspunt op een donkere heuvel neer te kijken op Hinderstap. Het dorp was donker. Er brandde geen enkel licht. Het was onmogelijk te bepalen wat daar gebeurde, maar toch bleef hij kijken. Hoe kon iemand slapen na wat zij hadden doorgemaakt?
Nou, de soldaten sliepen wel. Hij nam het Delarn niet kwalijk. Een Heling van Aes Sedai kon uitputtend zijn. Mart had die ijzige kilte zelf ook wel eens gevoeld, en hij wilde die ervaring liever niet herhalen. Talmanes en Harnan hadden niet de uitvlucht van Heling, maar zij waren soldaten. Soldaten leerden te slapen wanneer ze de kans hadden, en de ervaringen van die avond schenen hen lang niet zo te hebben verontrust als Mart. O, ze waren wel ongerust geweest toen ze er middenin zaten, maar nu was het gewoon een gestreden slag. Een overleefde slag. Daarom had de potige Harnan grappen gemaakt en gelachen toen ze hun bed opzochten. Mart niet. Er was iets merkwaardigs met deze hele ervaring. Was de avondklok bedoeld geweest om te voorkomen dat dit zou gebeuren? Had Mart, door te blijven, al die doden op zijn geweten? Bloed en bloedas. Was er dan geen enkele plek meer op de wereld waar het leven zijn gewone gang ging?