Выбрать главу

‘Mart, jongen,’ zei Thom, die met zijn vertrouwde hinkende gang naar hem toe kwam. Hij had zijn arm gebroken, hoewel hij dat pas toegaf toen Edesina hem had zien grimassen en erop had gestaan hem te Helen. ‘Jij zou moeten slapen.’ Nu de maan was opgekomen – verborgen achter de bewolking – was er genoeg licht om Thoms bezorgde gezichtsuitdrukking te zien.

De groep had halt gehouden in een kleine laagte naast het pad. Ze hadden er een goed uitzicht op het dorp en – belangrijker nog – ze keken uit over het pad waarover ze aan het dorp waren ontkomen. De laagte lag in een steile helling, alleen toegankelijk van beneden af. Eén wachter was voldoende om erop toe te zien dat niemand het kamp binnensloop.

De Aes Sedai waren achter aan de laagte gaan liggen, hoewel Mart niet dacht dat ze sliepen. Jolines zwaardhanden hadden er in ieder geval aan gedacht slaapmatten mee te brengen. Zo waren zwaardhanden. Marts mannen hadden alleen hun mantels, maar dat hield hen niet wakker. Talmanes snurkte zelfs zachtjes, ondanks de lente-kilte. Mart had hun verboden een vuur aan te leggen. Het was niet zo koud dat ze het echt nodig hadden, en het zou alleen maar hun schuilplaats verraden als iemand naar hen zocht. ‘Het gaat best, Thom,’ zei Mart, die ruimte maakte op de rotspunt toen de speelman bij hem kwam zitten. ‘Jij bent degene die zou moeten slapen.’

Thom schudde zijn hoofd. ‘Eén voordeel van ouder worden is dat je lichaam niet meer zoveel slaap nodig schijnt te hebben. Sterven kost lang niet zoveel energie als groeien, neem ik aan.’

‘Kom niet weer met dat liedje,’ zei Mart. ‘Moet ik je helpen herinneren hoe je me net het vege lijf hebt gered? Waar was je eerder ook alweer bezorgd om? Dat ik je niet meer nodig had? Als jij er vandaag niet was geweest, als jij niet naar me op zoek was gegaan, dan wed ik dat ik nu dood in dat dorp zou liggen. En Delarn ook.’ Thom grijnsde en zijn ogen fonkelden in het maanlicht. ‘Goed dan, Mart,’ zei hij. ‘Ik hou erover op. Beloofd.’

Mart knikte. Ze bleven een tijdje op de rots zitten en keken naar het stadje. ‘Het zal me niet met rust laten, Thom,’ zei Mart uiteindelijk. ‘Wat?’

‘Dit allemaal,’ antwoordde Mart vermoeid. ‘Die verdomde Duistere en zijn gebroed. Ze zitten al achter me aan sinds die avond in Tweewater, en niets heeft ze nog tegenhouden.’

‘Denk je dat hij dit was?’

‘Wat kan het anders zijn geweest?’ vroeg Mart. ‘Rustig dorpsvolk dat in een bende gewelddadige waanzinnigen verandert? Het is het werk van de Duistere, en dat weet jij ook.’ Thom zweeg. ‘Ja,’ zei hij uiteindelijk, ‘je zal wel gelijk hebben.’

‘Ze zitten nog steeds achter me aan,’ zei Mart boos. ‘Die verdomde gholam is daarbuiten, ik weet het zeker, maar dat is er slechts een deel van. Myrddraal en Duistervrienden, monsters en geesten die me opjagen en achtervolgen. Ik loop van de ene ramp de andere in, weet amper mijn hoofd boven water te houden sinds dit is begonnen. Ik zeg steeds dat ik gewoon ergens een gat moet vinden om te dobbelen en te drinken, maar dat zal er geen einde aan maken. Niks zal er een einde aan maken.’

‘Je bent ta’veren, jongen,’ zei Thom.

‘Daar heb ik niet om gevraagd. Het Licht brande me, maar ik wou dat ze allemaal weggingen en Rhand gingen lastigvallen. Hij houdt daarvan.’ Hij schudde zijn hoofd om het beeld af te schudden dat zich vormde van Rhand, slapend in bed met Min naast zich. ‘Denk je dat echt?’ vroeg Thom.

Mart weifelde. ‘Ik wou dat ik het wist,’ gaf hij toe. ‘Het zou alles gemakkelijker maken.’

‘Leugens maken uiteindelijk nooit iets gemakkelijker. Behalve als je ze vertelt tegen exact de juiste persoon – meestal een vrouw – op exact het juiste ogenblik. Als je ze tegen jezelf vertelt, haal je je alleen maar meer problemen op de hals.’

‘Ik heb die ménsen problemen op de hals gehaald. In het dorp.’ Hij keek naar de achterzijde van het kamp waar de twee zwaardhanden zaten, op wacht bij de vastgebonden diensters. Ze verzetten zich nog steeds. Licht! Waar haalden ze de kracht vandaan? Het was onmenselijk.

‘Ik denk niet dat dit door jou kwam, Mart,’ zei Thom peinzend. ‘O, ik spreek niet tegen dat de problemen je volgen, dat de Duistere zelf je schijnt te achtervolgen. Maar Hinderstap... nou, toen ik in die gelagkamer zat heb ik wat dingen opgevangen. Het leek niets belangrijks, maar achteraf bezien krijg ik de gedachte dat de mensen dit verwachtten. Of zoiets als dit.’

‘Hoe kan dat nou?’ zei Mart. ‘Als dit al eens eerder was gebeurd, dan zouden ze allemaal al dood zijn geweest.’

‘Weet ik niet,’ antwoordde Thom nadenkend. Toen scheen hem iets te binnen te schieten. Hij zocht onder zijn mantel. ‘O, dat was ik vergeten. Misschien is er toch een verband tussen jou en wat er is gebeurd. Ik heb dit ontfutseld aan een man die te dronken was om het te merken.’ De speelman haalde een opgevouwen vel papier tevoorschijn en gaf het aan Mart.

Mart pakte het papier aan, fronste en vouwde het open. Hij tuurde er in het bleke maanlicht naar en boog zich naar voren, en hij gromde toen hij zag wat er op het papier stond: geen woorden, maar een heel nauwkeurige tekening van Marts gezicht, met zijn hoed op. Zelfs de vossenkoppenning was om zijn hals getekend. Bloedas. Hij hield zijn ergernis in bedwang. ‘Knappe kerel. Fraaie neus, recht gebit, zwierige hoed.’ Thom snoof.

‘Ik zag een paar mannen een vel papier aan de burgemeester laten zien,’ zei Mart, die de tekening weer opvouwde. ‘Ik heb niet gezien wat erop stond, maar ik wed dat het net zo’n tekening was als deze. Wat zei de man van wie je deze hebt erover?’

‘Een uitlandse vrouw in een dorp ten noorden van hier reikte ze uit en bood een beloning als iemand je had gezien. De man kreeg die tekening van een vriend, dus hij had geen beschrijving van haar en wist niet hoe dat dorp heette. Ofwel zijn vriend had het hem niet verteld omdat hij de beloning zelf wilde opstrijken, of hij was gewoon te dronken om het zich te herinneren.’

Mart stopte het papier in zijn jaszak. Het licht van een valse zonsopgang begon te gloren in het oosten. Hij was de hele nacht opgebleven, maar hij was niet moe. Alleen maar... leeg. ‘Ik ga terug,’ zei hij.

‘Wat?’ vroeg Thom verbaasd. ‘Naar Hinderstap?’

Mart knikte en stond op. ‘Zodra het licht is. Ik moet...’

Hij werd in de rede gevallen door een gedempte vloek. Hij draaide zich om en reikte naar zijn ashandarei.

Thom had binnen een oogwenk twee messen in zijn handen. Fen, Jolines Saldeaanse zwaardhand, was degene die had gevloekt. Hij stond overeind, had zijn hand op zijn zwaard gelegd en tuurde om zich heen. Blaeric stond bij de Aes Sedai, met zijn zwaard geheven, waakzaam en op zijn hoede. ‘Wat is er?’ vroeg Mart kortaf. ‘De gevangenen,’ antwoordde Fen.

Mart schrok toen hij besefte dat de bulten op de grond bij de zwaardhanden weg waren. Hij rende er vloekend naartoe. Talmanes’ gesnurk stopte toen het tumult hem wekte en hij ging rechtop zitten. De boeien, repen van Jolines gewaad, lagen op de grond, maar de diensters waren weg.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Mart toen hij opkeek.

‘Ik...’ De donkerharige zwaardhand keek onthutst. ‘Ik weet het niet.

Ze waren hier net nog!’

‘Ben je ingedommeld?’ wilde Mart weten.

‘Dat zou Fen nooit overkomen,’ zei Joline, die rechtop zat op haar slaapmat, met kalme stem. Ze droeg nog altijd alleen maar die kleedmantel.

‘Jongen,’ zei Thom, ‘we hebben allebei die meisjes hier net nog gezien.’