Выбрать главу

Talmanes vloekte en wekte de twee Roodarmen. Delarn zag er een stuk beter uit, en de invloed van de Heling leek hem amper nog dwars te zitten toen hij opstond. De zwaardhanden wilden gaan zoeken, maar Mart draaide zich om naar het dorp beneden. ‘De antwoorden zijn daar te vinden,’ zei hij. ‘Thom, jij gaat met mij mee. Talmanes, pas op de vrouwen.’

‘We hebben geen behoefte aan “oppas”, Martrim,’ zei Joline knorrig.

‘Best,’ snauwde hij. ‘Thom, jij gaat met mij mee. Joline, jij past op de soldaten. Hoe dan ook, jullie blijven allemaal hier. Ik heb nu geen tijd om me met de hele groep bezig te houden.’ Hij gaf hun geen kans om tegenwerpingen te maken. Even later zaten Mart en Thom te paard en reden over het pad terug naar Hinderstap.

‘Jongen,’ vroeg Thom, ‘wat verwacht je aan te treffen?’

‘Weet ik niet,’ antwoordde Mart. ‘Als ik het wist, zou ik niet zo gretig zijn om te gaan kijken.’

‘Dat zal best,’ zei Thom zachtjes.

Mart zag de eigenaardigheden bijna meteen. De geiten in de westelijke wei. Hij kon er niet zeker van zijn in het schamele ochtendlicht, maar het leek erop dat iemand ze hoedde. En waren dat lichtjes die aangingen in het dorp? Er was de hele nacht geen enkel licht geweest!

Hij spoorde Pips wat aan, en Thom volgde zwijgend. Het kostte hun bijna een uur om er te komen; Mart had niet te dichtbij willen kamperen, hoewel hij ook niet veel trek had gehad een omweg te nemen en in het donker terug te keren naar het leger. Het was helemaal licht, al was het nog heel vroeg, toen ze het erf van de herberg weer bereikten. Een paar mannen in zandkleurige jassen werkten aan de achterdeur, die kennelijk van de scharnieren was gerukt nadat Mart en de anderen waren vertrokken. De mannen keken op toen Mart en Thom het erf opreden, en een van hen trok met een ongerust gezicht zijn hoed van zijn hoofd. Ze maakten geen van beiden dreigende bewegingen.

Mart bracht Pips tot stilstand. Een van de mannen fluisterde tegen de andere, die naar binnen rende. Even later stapte er een kalende man met een wit schort naar buiten. Mart voelde dat hij verbleekte. ‘De herbergier,’ zei Mart. ‘Bloedvuur, jij was dood. Ik heb het gezien!’

‘Ga de burgemeester halen, jongen,’ zei de herbergier tegen een van de arbeiders. Hij keek weer naar Mart. ‘Snel.’

‘Wat in naam van Haviksvleugels linkerhand is hier aan de gang?’ wilde Mart weten. ‘Was dit allemaal een of ander gestoorde voorstelling? Jullie...’

Een hoofd kwam om de deur van de herberg en gluurde langs de herbergier naar Mart. Het was een mollig gezicht, en de man had krullend blond haar. De laatste keer dat Mart deze man had gezien, de kok, was hij gedwongen geweest hem te doorsteken en de keel af te snijden.

‘Jij!’ riep hij wijzend. ‘Ik had je gedood!’

‘Rustig maar, jongen,’ zei de herbergier. ‘Kom binnen, dan krijg je een kopje thee, en...’

‘Ik ga nergens naartoe met jou, geest,’ zei Mart. ‘Thom, zie je dat?’ De speelman wreef over zijn kin. ‘Misschien moeten we luisteren naar wat hij te zeggen heeft, Mart.’

‘Geesten en schimmen,’ mompelde Mart, die Pips wendde. ‘Kom mee.’ Hij spoorde Pips aan en draafde naar de voorkant van de herberg, gevolgd door Thom.

Hier ving hij een glimp op van de vele arbeiders binnen, die emmers witte verf droegen. Om de plekken te herstellen waar het vuur van de Aes Sedai de muren van het gebouw had geraakt, waarschijnlijk. Thom kwam naast Mart rijden. ‘Ik heb nog nooit zoiets gezien, Mart,’ zei hij. ‘Waarom zouden geesten muren schilderen en deuren repareren?’

Mart schudde zijn hoofd. Hij had de plek gezien waar hij tegen de dorpelingen had gevochten om Delarn te redden. Hij bracht Pips plotseling tot stilstand, waardoor Thom vloekte en zijn eigen rijdier wendde om terug te rijden. ‘Wat is er?’ vroeg Thom.

Mart wees. Er zaten bloedvlekken op de grond en op enkele stenen naast de weg. ‘Daar hebben ze Delarn neergestoken,’ zei hij.

‘Ja,’ zei Thom. Er liepen mannen langs, met hun blik afgewend. Ze gingen met een boog om Mart en Thom heen.

Bloed en bloedas, dacht Mart. Ik heb ons weer laten omsingelen. Stel dat ze aanvallen? Stomme kluns!

‘Dus er ligt bloed,’ zei Thom. ‘Wat had je dan verwacht?’

‘Waar is de rest van het bloed, Thom?’ gromde Mart. ‘Ik heb hier zeker twaalf man gedood, en ik heb ze zien bloeden. Jij hebt er drie uitgeschakeld met je messen. Waar is het bloed?’

‘Dat verdwijnt,’ zei een stem.

Mart wendde Pips en zag de potige burgemeester met zijn harige armen een stukje verderop op de weg staan. Hij moest al in de buurt zijn geweest; de arbeiders hadden hem nooit zo snel kunnen halen. Al wist niemand dat natuurlijk zeker, zoals alles in dit dorp leek te gaan.

Barlden droeg een mantel en hemd met enkele nieuwe scheuren erin. ‘Het bloed verdwijnt,’ zei hij, en hij klonk uitgeput. ‘Wij hebben het geen van allen gezien. We worden wakker en het is gewoon weg.’ Mart weifelde en keek om zich heen. Vrouwen gluurden uit huizen naar buiten, met kinderen in hun armen. Mannen liepen met harken en schoffels naar de akkers. Als er geen spanning had gehangen vanwege Marts en Thoms aanwezigheid, dan zou je nooit weten dat er iets was misgegaan in het dorp.

‘We doen jullie niets,’ zei de burgemeester, die zich van Mart afwendde. ‘Dus jullie hoeven niet zo ongerust te kijken. Althans, niet zolang de zon op is. Ik zal jullie een verklaring geven, als jullie willen. Kom mee en luister, of ga weg. Het kan me niet echt schelen, zolang jullie maar geen onrust meer zaaien in mijn stad. We hebben werk te doen. Veel meer dan gebruikelijk, dankzij jullie.’ Mart keek naar Thom, die zijn schouders ophaalde. ‘Luisteren kan geen kwaad,’ zei Thom.

‘Ik weet niet,’ zei Mart, kijkend naar Barlden. ‘Misschien wel als je intussen wordt omringd door gestoord, moorddadig bergvolk.’

‘Dus we gaan weg?’

Mart schudde langzaam zijn hoofd. ‘Nee. Het Licht brande me, maar ze hebben mijn goud nog. Kom mee; eens kijken wat hij te zeggen heeft.’

‘Het begon een paar maanden geleden,’ zei de burgemeester even later, staand bij het raam. Ze bevonden zich in een nette maar eenvoudige zitkamer in zijn landhuis. De gordijnen en het tapijt waren lichtgroen, bijna de kleur van ganzenbloembladeren, met een lambrisering van lichtgekleurd hout. De vrouw van de burgemeester had thee van gedroogde zoetbessen gebracht. Mart had besloten het niet te drinken, en hij zorgde ervoor dat hij tegen de muur vlak bij de deur naar de gang leunde. Zijn speer stond naast hem. Barldens vrouw was een kleine, bruinharige vrouw, ietwat aan de mollige kant, met een moederlijke uitstraling. Ze keerde uit de keuken terug met een schaaltje honing voor de thee en weifelde toen ze Mart tegen de muur zag leunen. Ze keek naar de speer, zette het schaaltje op tafel en trok zich terug.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Mart met een blik op Thom, die eveneens een stoel had afgeslagen. De oude speelman stond met zijn armen over elkaar naast de deur naar de keuken. Hij knikte naar Mart; de vrouw stond niet bij de deur te luisteren. Hij zou een teken geven als hij iemand hoorde naderen.

‘We weten niet of het komt door iets wat wij hebben gedaan of dat het gewoon een wrede vloek van de Duistere is,’ zei de burgemeester. ‘Het was een doodgewone dag eerder dit jaar, net voor het Feest van Abram. Er was niets echt bijzonders mee, dat ik me kan herinneren. Het weer was toen al omgeslagen, hoewel het nog niet had gesneeuwd. Veel van ons deden de volgende morgen de gebruikelijke dingen en dachten er niet verder bij na. Het waren kleine merkwaardigheden, snap je. Hier een kapotte deur, daar een onverklaarbare scheur in iemands kleding. En de nachtmerries. We hadden ze allemaal, nachtmerries over de dood en moorden. Een paar vrouwen begonnen te praten, en toen beseften ze dat ze zich niet konden herinneren de vorige avond naar bed te zijn gegaan. Ze wisten nog dat ze wakker waren geworden, veilig en behaaglijk in hun eigen bed, maar slechts een enkeling herinnerde zich dat ze ook daadwerkelijk in bed was gestapt. Degenen die zich het wel konden herinneren, waren vroeg gaan slapen, nog voor zonsondergang. Voor de rest van ons was de late avond alleen maar een waas.’ Hij zweeg. Mart keek naar Thom, die niet reageerde. In die blauwe ogen van hem zag Mart dat hij het verhaal in zijn hoofd prentte. Ik hoop maar dat hij alles goed onthoudt als hij mij in een lied wil stoppen, dacht Mart, en hij sloeg zijn armen over elkaar. En ik hoop maar dat hij mijn hoed niet vergeet te noemen. Dit is een verrekt goeie hoed.