Выбрать главу

‘Ik was die avond in de wei,’ vervolgde de burgemeester. ‘Ik hielp de oude Garken met een kapot deel van het hek. En toen... niets. Een waas. Ik werd de volgende morgen in mijn eigen bed wakker, naast mijn vrouw. We waren allebei moe, alsof we niet goed hadden geslapen.’ Hij zweeg even en voegde er toen zachter aan toe: ‘En ik had nachtmerries. Ze waren vaag, en ik herinner me er steeds minder van. Maar ik kan me één beeld nog levendig voor ogen halen. De oude Garken, dood aan mijn voeten. Alsof hij door een wild beest was aangevallen.’

Barlden stond bij het raam tegenover Mart en staarde naar buiten. ‘Maar ik ging de volgende dag bij Garken langs, en er was niets met hem aan de hand. We maakten het hek af. Pas toen ik weer in het dorp terug was, hoorde ik het geklets. De gedeelde nachtmerries, de vergeten uren na zonsondergang. We kwamen bijeen, spraken erover, en het gebeurde nog eens. De zon ging onder, en toen hij weer opkwam werd ik wakker in mijn eigen bed, moe en met mijn hoofd vol met nachtmerries.’

Hij huiverde, liep naar de tafel toe en schonk zichzelf een kop thee in.

‘We weten niet wat er ’s nachts gebeurt,’ zei de burgemeester terwijl hij een lepel honing door zijn thee roerde.

‘Weet u dat niet?’ wilde Mart weten. ‘Ik kan u verdomme wel vertellen wat er ’s nachts gebeurt. Jullie...’

‘We weten niet wat er gebeurt,’ onderbrak de burgemeester hem, met een scherpe blik. ‘En we willen het niet weten ook.’

‘Maar...’

‘We hoeven het niet te weten, uitlander,’ zei de burgemeester streng. ‘We willen gewoon zo plezierig mogelijk leven. Veel van ons gaan vroeg naar bed, al voor zonsondergang. Dan zitten er geen gaten in ons geheugen. We gaan naar bed en worden wakker in datzelfde bed. We hebben nachtmerries, misschien wat schade aan het huis, maar niets wat niet te repareren valt. Anderen gaan liever naar een taveerne om te drinken op het ondergaan van de zon. Daar zit ook een zegen in, denk ik. Drinken zoveel je wilt en je nooit zorgen hoeven maken over thuiskomen. Je wordt altijd veilig en wel in je eigen bed wakker.’

‘Jullie kunnen dit niet geheel ontlopen,’ zei Thom zacht. ‘Jullie kunnen niet doen alsof er niets is veranderd.’

‘Dat doen we ook niet.’ Barlden nam een slok thee. ‘We hebben onze regels. Regels die jullie negeerden. Geen vuren na zonsondergang; we kunnen het niet hebben dat er ’s nachts brand uitbreekt terwijl er niemand is om te blussen. En na zonsondergang verbieden we buitenstaanders de toegang tot het dorp. Die les hebben we snel geleerd. De eerste mensen die hier na zonsondergang vast kwamen te zitten, waren familieleden van Sammrie de kuiper. We vonden de volgende morgen bloed op de muren van zijn huis. Maar haar zus en haar gezin lagen veilig te slapen in de gastenbedden.’ De burgemeester zweeg even. ‘Nu hebben zij dezelfde nachtmerries als wij.’

‘Vertrek dan gewoon,’ zei Mart. ‘Verlaat deze verdomde plek en ga ergens anders naartoe!’

‘Dat hebben we geprobeerd,’ antwoordde de burgemeester. ‘We worden altijd weer hier wakker, hoe ver weg we ook gaan. Sommigen hebben geprobeerd hun leven te beëindigen. We hebben de lijken begraven. De volgende morgen werden ze wakker in hun eigen bed.’ Het werd stil in de kamer.

‘Bloed en bloedas,’ fluisterde Mart. Hij voelde zich verkild. ‘Jullie hebben vannacht overleefd,’ zei de burgemeester, roerend in zijn thee. ‘Ik had aangenomen van niet toen ik die bloedvlek zag. We waren benieuwd waar jullie wakker zouden worden. De meeste kamers in de herbergen worden bezet door reizigers die nu, in voor- en tegenspoed, deel uitmaken van ons dorp. We kunnen niet zelf bepalen waar iemand wakker wordt. Het gebeurt gewoon. Een leeg bed krijgt een nieuwe bezetter, en vanaf dat ogenblik worden ze daar iedere morgen wakker.

Maar toen ik u beiden hoorde praten over wat u had gezien, besefte ik dat uw groep moest zijn ontkomen. Jullie herinnerden je de nacht te goed. Iedereen die... zich bij ons aansluit heeft alleen die nachtmerries. U hebt geluk gehad. Ik stel voor dat u verder trekt en Hinderstap vergeet.’

‘We hebben Aes Sedai bij ons,’ zei Thom. ‘Zij kunnen misschien iets doen om jullie te helpen. We zouden de Witte Toren op de hoogte kunnen brengen, hen iemand laten sturen om...’

‘Nee!’ zei Barlden scherp. ‘Ons leven is niet zo vreselijk, nu we weten hoe we met de situatie moeten omgaan. We willen geen aandacht van de Aes Sedai.’ Hij wendde zich af. ‘We hadden jullie groep bijna meteen weer weggestuurd. Dat doen we soms, als we het gevoel hebben dat reizigers zich niet aan onze regels zullen houden. Maar jullie hadden Aes Sedai bij je. Die stellen vragen, worden nieuwsgierig. We waren bang dat als we jullie wegstuurden, zij argwaan zouden krijgen en zich naar binnen zouden werken.’

‘Hen dwingen voor zonsondergang te vertrekken maakte hen nog nieuwsgieriger,’ zei Mart. ‘En het feit dat hun badhuipen probeerden hen te vermoorden was ook niet de beste manier om het geheim te bewaren.’

De burgemeester zag er verslagen uit. ‘Sommigen wilden... nou, dat jullie hier vast kwamen te zitten. Ze dachten dat als hier Aes Sedai vastzaten, ze een uitweg zouden zoeken voor ons allemaal. We zijn het niet allemaal eens. Hoe dan ook, het is óns probleem. Alstublieft, ga... ga gewoon weg.’

‘Best.’ Mart rechtte zijn rug en pakte zijn speer. ‘Maar vertel me eerst eens waar deze vandaan komt.’ Hij haalde het papier uit zijn zak, de tekening van zijn gezicht.

Barlden wierp er een korte blik op. ‘Die vind je in de naburige dorpen,’ zei hij. ‘Iemand zoekt u. Zoals ik gisteravond al tegen Ledron zei, ik doe niet aan het verraden van gasten. Ik was niet van plan jullie te ontvoeren en het gevaar te lopen dat jullie hier vannacht zouden blijven, alleen om een beloning op te strijken.’

‘Wie zoekt me dan?’ wilde Mart weten. ‘Ongeveer twintig roeden naar het noordoosten ligt een klein stadje dat Goedlucht heet. Ze zeggen dat als je wat geld wilt hebben, je daar nieuws kunt brengen over een man die lijkt op degene op deze tekening, of de andere. Ga in Goedlucht naar herberg De Gebalde Vuist. Daar vindt u degene die u zoekt.’

‘Is er nog een andere tekening?’ vroeg Mart fronsend.

‘Ja. Van een stevige kerel met een baard. Er staat bij vermeld dat hij goudkleurige ogen heeft.’

Mart keek naar Thom, die zijn borstelige wenkbrauw optrok. ‘Bloed en bloedas,’ mompelde Mart, en hij rukte de zijkant van zijn hoed omlaag. Wie zocht hem en Perijn, en wat wilde diegene? ‘Dan gaan we maar, denk ik,’ zei hij. Hij keek naar Barlden. Arme drommel. Dat gold voor het hele dorp. Maar wat moest Mart eraan doen? Sommige gevechten kon je winnen, maar andere moest je aan iemand anders overlaten.

‘Uw goud ligt buiten op de wagen,’ zei de burgemeester. ‘We hebben er niets afgehaald. Het eten ligt er ook nog.’ Hij keek Mart in de ogen. ‘We houden ons hier aan ons woord. Andere dingen hebben we niet in de hand, vooral bij lieden die onze regels niet in acht nemen. Maar we zullen een man niet beroven alleen omdat hij een buitenstaander is.’

‘Ontzettend ruimhartig van u,’ zei Mart vlak terwijl hij de deur opende. ‘Goeiedag dan, en probeer vanavond niemand te doden die ik niet zou doden. Ga je mee, Thom?’

De speelman sloot zich bij hem aan, lichtjes hinkend door zijn oude wond. Mart keek om naar Barlden, die met opgestroopte mouwen midden in de kamer naar zijn theekom stond te staren. Het leek wel alsof hij wenste dat er iets sterkers in zat.

‘Arme kerel,’ zei Mart, en toen stapte hij achter Thom het ochtendlicht in en trok de voordeur achter zich dicht. ‘Ik neem aan dat we achter diegene aan gaan die tekeningen van jou verspreidt?’ vroeg Thom.