Выбрать главу

‘Dat heb je goed,’ zei Mart, die zijn ashandarei aan Pips’ zadel bond. ‘Het ligt toch langs de weg naar Vierkoningen. Ik leid jouw paard wel mee, als jij de wagen ment.’

Thom knikte. Hij keek nog eens naar het huis van de burgemeester. ‘Wat is er?’ vroeg Mart.

‘Niks, jongen,’ antwoordde de speelman. ‘Alleen... nou, het is een droevig verhaal. Er is iets mis met de wereld. Er zit hier een knoest in het Patroon, ’s Nachts rafelt het dorp uit, en de volgende morgen probeert de wereld alles weer recht te zetten.’

‘Nou, ze hadden ons wel eens wat meer mogen vertellen,’ vond Mart. Terwijl Mart en Thom binnen met de burgemeester praatten, hadden de dorpelingen de met proviand beladen wagen voor de deur gezet. Er stonden twee sterke trekpaarden voor, licht van kleur en met grote hoeven.

‘Meer?’ vroeg Thom. ‘Hoe dan? De burgemeester heeft gelijk: ze hébben geprobeerd ons te waarschuwen.’

Mart gromde, liep naar de kist toe en bekeek zijn goud. Alles was er nog, zoals de burgemeester had beloofd. ‘Ik weet niet,’ zei hij. ‘Ze hadden een waarschuwingsbord kunnen neerzetten, of zoiets. “Hallo, welkom in Hinderstap. We vermoorden je en knagen je verdomde gezicht eraf als je na zonsondergang nog blijft. Je moet beslist de pasteien proeven die Martna elke dag vers bakt.”’ Thom grinnikte niet. ‘Slechte grap, jongen. Er is te veel tragedie in dit dorp voor luchtigheid.’

‘Grappig,’ zei Mart. Hij telde ongeveer zoveel goud uit als hij dacht dat een goede prijs zou zijn voor het voedsel en de wagen. Even later voegde hij er nog tien zilveren kronen aan toe. Hij legde ze op een stapeltje op de drempel van het burgemeestershuis en sloot de kist. ‘Hoe tragischer het wordt, hoe meer ik de neiging krijg om te lachen.’

‘Nemen we echt die wagen mee?’

‘We hebben het voedsel nodig,’ zei Mart, die de kist achter op de wagen bond. Enkele grote witte kazen en zes schapenpoten lagen naast de vaten bier. Het eten rook goed, en zijn maag knorde. ‘Ik heb het eerlijk gewonnen.’ Hij keek naar de dorpelingen die op straat langsliepen. Toen hij ze de vorige dag voor het eerst zag, had hij gedacht dat hun trage gang kwam door de luie aard van bergdorpelingen. Nu wist hij dat er een heel andere reden voor was. Hij richtte zich weer op zijn werk en bekeek de aanspanning van de paarden. ‘En ik voel me helemaal niet schuldig omdat ik die wagen en paarden meeneem. Ik denk niet dat die dorpelingen veel zullen gaan reizen...

29

Naar Bandar Eban

Moiraine Damodred, die is gestorven vanwege mijn zwakte. Rhand vertraagde Tai’daishar tot een wandelgang toen hij door de reusachtige poort van Bandar Eban ging, met zijn geleide achter zich aan en rijen Aiel voor zich uit. Men zei dat het stadszegel in de poorten was gekerfd, maar nu ze open stonden kon Rhand het niet zien.

De naamloze Duistervriend die ik heb onthoofd in de heuvels van Morland. Ik ben vergeten hoe de anderen die bij haar waren eruitzagen, maar haar gezicht vergeet ik nooit meer. In zijn hoofd ging de lijst door. Het was bijna een dagelijks ritueel geworden, de naam terughalen van elke vrouw die door zijn handen of zijn daden was gestorven. De straat hier was van aangestampte aarde, vol sporen die op kruisingen in elkaar overliepen. Het zand was hier lichter van kleur dan hij gewend was. Colavaere Saighan, die stierf omdat ik haar tot de bedelstaf veroordeelde.

Hij reed langs rijen Domani: vrouwen in doorschijnende gewaden, mannen met dunne snorren en kleurrijke jassen. De straten waren langs de zijkanten voorzien van houten looppaden, en die stonden vol met toeschouwers. Rhand hoorde banieren en vlaggen wapperen in de wind. Het leken er een heleboel.

De lijst begon altijd met Moiraine. Die naam deed het meeste pijn, want haar had hij kunnen redden. Hij had haar moeten redden. Hij vond het verschrikkelijk dat ze zichzelf voor hem had opgeofferd, en dat hij dat had toegestaan.

Een kind stapte van de loopplanken en wilde de straat oprennen, maar zijn vader greep hem bij de kraag en sleurde hem terug de drukte in. Sommige mensen hoestten en mompelden, maar de meeste zwegen. De bonzende voetstappen van Rhands soldaten, die over de aangestampte aarde marcheerden, leken daarbij vergeleken wel donderslagen.

Leefde Lanfir weer? Als Ishamael kon terugkeren, hoe zat het dan met haar? In dat geval was Moiraines dood voor niets geweest en was zijn lafheid nog stekender. Nooit meer. De lijst zou blijven, maar hij zou nooit meer te zwak zijn om te doen wat hij moest doen. Er werd niet gejuicht door de mensen op de looppaden. Nou, hij was ook niet gekomen om hen te bevrijden. Hij was hier om te doen wat nodig was. Misschien vond hij Graendal hier; Asmodean zei dat ze in het land was geweest, maar dat was al zo lang geleden. Als hij haar vond, zou dat misschien zijn geweten sussen over zijn invasie. Had hij nog wel zoiets? Hij wist het niet.

Liah, van de Cosaida Sharien, die ik heb gedood terwijl ik me voorhield dat het voor haar eigen bestwil was. Vreemd genoeg begon Lews Therin met hem mee te praten, de namen op te sommen, als een merkwaardig, echoënd gezang in zijn hoofd. Verderop stond een grote groep Aiel op hem te wachten, op een stadsplein met koperen fonteinen in de vorm van paarden die uit schuimende golven sprongen. Een man te paard wachtte voor de fontein, omringd door een erewacht. Hij was een stevige man met een vierkant gezicht, een gelooide huid en grijs haar. Zijn voorhoofd was geschoren en gepoederd, zoals de Cairhiense soldaten ook deden. Dobraine was betrouwbaar, voor zover je daar bij Cairhienin althans van kon spreken.

Sendara van de Ijzerberg Taardad, Lamelle van de Rookwater Miagoma, Andhilin van de Roodzout Goshien. Hyena Therin Moerelle, zei Lews Therin, die de naam invoegde tussen twee andere.

Rhand liet het gaan. De waanzinnige schreeuwde in ieder geval niet meer.

‘Drakenheer,’ zei Dobraine gladjes, buigend naar Rhand toen die naderde. ‘Ik overhandig u de stad Bandar Eban. De orde is hersteld, zoals u had bevolen.’

‘Ik had je gevraagd de orde te herstellen in het hele land, Dobraine,’ zei Rhand zacht. ‘Niet slechts één stad.’ De edele zakte ietwat ineen.

‘Heb je iemand van de Koopliedenraad voor me?’ vroeg Rhand. ‘Ja,’ zei Dobraine. ‘Milisair Chadmar, de laatste die de chaos in de stad wilde ontvluchten.’

Zijn ogen stonden gretig. Hij was altijd trouw geweest, maar was dat misleiding? Rhand had de laatste tijd moeite om wie dan ook te vertrouwen. Degenen die het betrouwbaarst leken, waren degenen die je het meest in de gaten moest houden. En Dobraine was een Cairhienin. Durfde Rhand iemand uit Cairhien te vertrouwen, met hun spelletjes?

Moiraine was een Cairhiense. Haar vertrouwde ik ook. Grotendeels. Misschien hoopte Dobraine dat Rhand hem zou aanstellen als koning van Arad Doman. Hij was stedehouder geweest van Cairhien, maar hij wist ook – net als de meeste mensen – dat Rhand Elayne op de Zonnetroon wilde hebben. Nou, misschien gaf Rhand dit koninkrijk toch nog aan Dobraine. Hij was beter dan de meeste anderen. Rhand knikte dat hij voorop kon gaan, en dat deed hij, zich wendend samen met de groep Aiel om door een brede zijstraat te lopen. Rhand ging verder terwijl de lijst werd afgedraaid in zijn hoofd. De gebouwen hier waren hoog en vierkant, met de vorm van kisten die op elkaar waren gestapeld. Veel ervan hadden balkons, die net als de looppaden beneden vol stonden met mensen. Elke naam op Rhands lijst pijnigde hem, maar die pijn was nu merkwaardig ver weg. Zijn gevoelens waren... veranderd sinds de dag dat hij Semirhage had gedood. Zij had hem geleerd hoe hij zijn schuldgevoel en pijn kon begraven. Ze had hem willen ketenen, maar in plaats daarvan had ze hem kracht gegeven.

Hij voegde haar naam en die van Elza aan de lijst toe. Ze hadden geen recht om daarop te staan. Semirhage was meer een monster dan een vrouw geweest. Elza had hem verraden en al die tijd al de Schaduw gediend. Maar hij voegde hun namen toch toe. Ze hoorden er thuis, evenzeer als de anderen. Nog meer, eigenlijk. Hij had Lanfir met tegenzin gedood om Moiraine te redden, maar hij had lotsvuur gebruikt om Semirhage weg te branden, zodat hij niet weer gevangen zou worden.