Hij raakte het voorwerp aan dat hij in een buidel aan zijn zadel meedroeg. Het was een glad beeldje. Hij had Cadsuane niet verteld dat zijn bedienden het in haar kamer hadden gevonden. Nu Cadsuane uit zijn aanwezigheid was verbannen, zou hij dat ook nooit doen. Hij wist dat ze nog steeds zijn geleide volgde, dat ze de grenzen beproefde van zijn bevel om haar gezicht nooit meer aan hem te vertonen. Maar ze deed wat hij had bevolen, en dus liet hij haar met rust. Hij zou niet met haar praten, en zij zou niet met hem praten. Cadsuane was een middel geweest, en dat middel was ongeschikt gebleken. Hij had er geen spijt van dat hij het aan de kant had gegooid. Jendhilin, Speervrouwe van de Koudpiek Miagoma, dacht hij, terwijl Lews Therin met hem mee mompelde. De lijst was zo lang, en zou nog wel langer worden voordat hij overleed. De dood baarde hem niet langer zorgen. Eindelijk begreep hij Lews Therins kreten om er een einde aan te maken. Rhand verdiende het om te sterven. Was er een zo definitieve dood dat een man nooit meer herboren hoefde te worden? Hij kwam eindelijk aan het eind van de lijst.
Ooit had hij die steeds herhaald om te zorgen dat hij de namen niet zou vergeten. Dat was nu niet meer nodig; hij zou ze niet kunnen vergeten zelfs al zou hij het willen. Hij herhaalde ze nu als herinnering aan wat hij was.
Maar Lews Therin had nog een naam toe te voegen. Elmindreda Farsen, fluisterde hij.
Rhand hield Tai’daishar in, waardoor de rij Aiel, Saldeaanse cavalerie en kampmedewerkers midden op straat tot stilstand kwam. Dobraine draaide zich vragend om op zijn witte hengst. Ik heb baar niet gedood! dacht Rhand. Lews Therin, ze leeft nog. We hebben haar niet gedood! En trouwens, het was Semirhages schuld.
Stilte. Hij voelde nog steeds zijn vingers op haar huid, knijpend, onmachtig maar verschrikkelijk sterk. Zelfs al zat Semirhage achter die daad, Rhand was degene die te zwak was geweest om Min weg te sturen en te beschermen. Hij had haar niet weggestuurd. Nee, niet omdat hij te zwak was, maar omdat iets in hem was opgehouden om dingen te geven. Dat gold niet voor haar; hij hield ontzettend veel van haar, en dat zou altijd zo blijven. Maar hij wist dat de dood, pijn en vernietiging in zijn kielzog volgden en dat hij die als een mantel achter zich aan sleepte. Min zou hier kunnen sterven, maar als hij haar wegstuurde zou ze in net zoveel gevaar verkeren. Zijn vijanden vermoedden waarschijnlijk dat hij van haar hield. Er was nergens veiligheid te vinden. Als ze overleed, zou hij haar aan de lijst toevoegen en ervoor boeten.
Hij kwam weer in beweging voordat iemand vragen ging stellen. Tai’daishars hoeven bonsden op de aarden straten, zacht gemaakt door het vocht. Het regende hier vaak; Bandar Eban was de grootste havenstad in het noordwesten. Het was niet zo’n grootse stad als die in het zuiden, maar nog altijd indrukwekkend. Rij na rij vierkante huizen van hout, met richels rondom de tweede en derde verdieping. Ze zagen eruit als de speelblokken van kinderen, op elkaar gestapeld en volkomen vierkant. Ze vulden de stad, langs een glooiende helling omlaag naar de uitgestrekte haven.
De stad was het breedst bij de haven, waardoor hij vanboven af leek op het hoofd van een man met zijn mond wijd open, alsof hij de oceaan zelf wilde leegdrinken. De kades waren bijna verlaten; de enige schepen die er lagen, waren enkele driemastklippers van het Zeevolk en een paar vistreilers. De reusachtige haven leek door het gebrek aan schepen alleen nog maar troostelozer.
Dat was het eerste teken dat niet alles goed was in Bandar Eban. Behalve de bijna onbezette haven waren de banieren het meest opvallende in de stad. Ze wapperden boven – of hingen aan – elk gebouw, hoe nederig ook. Veel van die banieren gaven aan welk ambacht er in een bepaald gebouw werd uitgeoefend, zoals dat in Caemlin met een eenvoudig houten bord gebeurde. De banieren waren buitensporig groot, felgekleurd, en wapperden in de wind boven de gebouwen. Bijpassende, tapijtachtige banieren hingen aan de zijkanten van de meeste gebouwen en maakten met felle letters de eigenaar, meester-ambachtsman of koopman van elke winkel bekend. Zelfs huizen droegen banieren met de namen van de families die er woonden. De Domani met hun koperkleurige huid en donkere haar hadden een voorliefde voor felgekleurde kleding. Domaanse vrouwen waren berucht om hun gewaden, zo ijl dat het schandelijk was. Men zei dat heel jonge Domaanse meisjes al oefenden in de kunst van het manipuleren van mannen, om zich voor te bereiden op de dag dat ze volwassen werden.
De aanblik van hen allen langs de wegen, toekijkend, was bijna voldoende opschudding om Rhand uit zijn neerslachtige stemming te halen. Misschien zou hij een jaar geleden met open mond naar hen hebben gekeken, maar nu keurde hij hun amper een blik waardig. Eigenlijk vond hij de Domani een stuk minder opmerkelijk nu ze zo waren verzameld. Een bloem in een wei vol onkruid was altijd iets opvallends, maar als je elke dag door aangelegde bloemperken liep, vielen de afzonderlijke bloemen je niet meer op. Hoe afgeleid hij ook was, hij zag wel de tekenen van hongersnood. De getergde uitdrukking van de kinderen was onmiskenbaar, dat magere aanzien van de gezichten van de volwassenen. Nog maar enkele weken geleden was het een chaos geweest in deze stad, hoewel Dobraine en de Aiel de wet hadden hersteld. Sommige gebouwen hadden slecht gerepareerde vensters of kapotte planken, en verschillende banieren waren duidelijk kortgeleden gescheurd en achteloos gerepareerd. De wetshandhaving was hersteld, maar het gebrek eraan lag nog vers in het geheugen.
Rhands groep kwam aan bij een grote kruising, volgens grote flapperende banieren het Arandiplein, en Dobraine wendde de stoet naar het oosten. Veel van de Aiel bij de Cairhienin droegen de rode hoofdband die hen kenmerkte als siswai’aman. Speren van de Draak. Rhuarc had zo’n twintigduizend Aiel, die rondom de stad en in de nabijgelegen dorpen kampeerden; inmiddels zouden de meeste Domani wel weten dat deze Aiel de Herrezen Draak volgden. Rhand was blij te zien dat de klippers van het Zeevolk waren aangekomen – eindelijk – met graan uit het zuiden. Hopelijk zou dat evenveel bijdragen aan een herstel van de orde als Dobraine en de Aiel hadden gedaan.
De stoet ging het rijke gedeelte van de stad binnen. Hij wist al waar dat te vinden zou zijn voordat de huizen er weelderiger uit begonnen te zien: zo ver mogelijk bij de haven vandaan, en toch op korte afstand van de stadsmuren. Rhand had de rijken kunnen vinden zonder op een kaart te hoeven kijken. De indeling van de stad eiste deze plek voor hen op.
Een paard kwam naast dat van Rhand lopen. Eerst nam hij aan dat het Min zou zijn, maar nee, zij reed achter hem bij de Wijzen. Keek ze nu met andere ogen naar hem, of beeldde hij zich dat alleen maar in? Dacht ze aan zijn vingers om haar hals, elke keer dat ze zijn gezicht zag?
Het was Merise, die naast hem was komen rijden op een makke grijsbruine merrie. De Aes Sedai was woest over Rhands verbanning van Cadsuane. Niet verrassend. Aes Sedai hielden graag een heel kalme en beheerste uiterlijke schijn op, maar Merise en de anderen hadden gevleid bij Cadsuane zoals een dorpsherbergier zou glimlachen naar een bezoekende koning.
De Taraboonse vrouw had vandaag besloten haar stola te dragen, die bewees dat ze van de Groene Ajah was. Ze droeg hem misschien in een poging haar gezag te onderstrepen. Rhand slaakte een innerlijke zucht. Hij had wel een confrontatie verwacht, maar hij had gehoopt dat die door de verhuizing zou worden uitgesteld totdat de gemoederen waren bedaard. Hij eerbiedigde Cadsuane, min of meer, maar hij had haar nooit vertrouwd. Haar falen kon niet zonder gevolgen blijven en hij was opgelucht nu hij met haar had afgerekend. Haar touwtjes zouden zich niet meer om hem heen wikkelen. Of in ieder geval minder.
‘Die verbanning is dwaasheid, Rhand Altor,’ zei Merise achteloos. Probeerde ze hem met opzet op te ruien, misschien zodat hij gemakkelijker te koeioneren zou zijn? Na maanden van omgang met Cadsuane zelf was de zwakke imitatie van deze vrouw bijna vermakelijk.