‘Je zou om haar vergiffenis moeten smeken,’ vervolgde Merise. ‘Ze heeft erin toegestemd met ons mee te blijven reizen, hoewel ze door jouw onnozele beperking gedwongen is haar mantel te dragen met de kap omhoog, ondanks de warmte. Je zou je moeten schamen.’ Alweer Cadsuane. Hij had haar niet de ruimte moeten bieden om zijn bevel te kunnen omzeilen. ‘Nou?’ drong Merise aan.
Rhand draaide zijn hoofd en keek Merise in de ogen. Hij had de afgelopen uren iets schokkends ontdekt. Door de ziedende woede in zich op te sluiten – door cuendillar te worden – had hij een inzicht gekregen dat hem lang was ontgaan. Mensen reageerden niet op woede. Ze reageerden niet op eisen. Stilte en vragen waren veel doeltreffender. En inderdaad, Merise – een volledig opgeleide Aes Sedai – kromp ineen voor zijn starende blik.
Hij legde er geen gevoel in. Zijn woede, zijn boosheid, zijn hartstocht, het was er allemaal nog, vanbinnen begraven. Maar hij had het omgeven met ijs, koud en verlammend. Het was het ijs van de plek waar Semirhage hem had leren gaan, de plek die deed denken aan de leegte, maar die veel gevaarlijker was.
Misschien voelde Merise de bevroren woede in hem. Of misschien voelde ze dat andere, het feit dat hij die... kracht had gebruikt. Ver weg begon Lews Therin te huilen. De waanzinnige deed dat elke keer als Rhand dacht aan wat hij had gedaan om aan Semirhages halsband te ontkomen.
‘Wat je hebt gedaan, was een domme zet,’ vervolgde Merise. ‘Je zou...’
‘Denk je dan dat ik een dwaas ben?’ vroeg Rhand zacht. Reageer op eisen met zwijgen, reageer op uitdagingen met vragen. Het was ongelooflijk hoe dat werkte. Merise viel stil en huiverde zichtbaar. Ze keek omlaag naar de buidel aan zijn zadel, waarin hij een beeldje meedroeg van een man met een bol. Rhand raakte het aan en hield de teugels losjes in zijn hand. Hij liep niet met het standbeeldje te koop. Hij droeg het alleen maar mee, maar Merise en de meeste anderen kenden de bijna onbeperkte macht waaruit hij kon putten als hij dat wilde. Het was sterker dan enig ander wapen dat hij ooit had gekend. Hiermee kon hij misschien de hele wereld verwoesten. En het hing onschuldig aan zijn zadel. Dat had invloed op mensen.
‘Ik... Nee, dat denk ik niet,’ gaf ze toe. ‘Niet altijd.’
‘Vind je dat falen onbestraft moet blijven?’ vroeg Rhand, nog altijd met zachte stem. Waarom had hij zijn geduld verloren? Die kleine ergernissen waren zijn hartstocht en woede niet waard. Als een ervan hem te zeer dwarszat, hoefde hij het alleen maar uit te doven als een kaars. Een gevaarlijke gedachte. Was die van hem geweest? Of van Lews Therin? Of... was die gedachte van... elders gekomen? ‘Je bent vast te streng geweest,’ zei Merise.
‘Te streng?’ vroeg hij. ‘Besef je wel wat ze heeft gedaan, Merise? Heb je eraan gedacht wat er had kunnen gebeuren? Wat er had moeten gebeuren?’
‘Ik...’
‘Het eind van alles, Merise,’ fluisterde hij. ‘De Duistere had de macht kunnen krijgen over de Herrezen Draak. Wij samen, vechtend aan dezelfde kant.’
Ze zweeg even, en toen zei ze: ‘Ja. Maar fouten, die heb je zelf ook gemaakt. Die hadden kunnen eindigen in een gelijksoortige ramp.’
‘Ik boet voor mijn fouten,’ zei hij terwijl hij zich afwendde. ‘Ik boet er elke dag voor. Ieder uur. Met elke ademtocht.’
‘Ik...’
‘Genoeg.’ Hij schreeuwde het niet. Hij sprak ferm maar rustig. Hij liet haar het volle gewicht van zijn ongenoegen voelen en zijn blik greep die van haar vast. Ze zakte plotseling onderuit in haar zadel en keek met grote ogen naar hem op.
Van ergens opzij klonk een luid gekraak, gevolgd door een plotselinge dreun. Geschreeuw schalde door de lucht. Rhand draaide zich geschrokken om. Een balkon vol toeschouwers was losgeraakt van de steunen en op straat gevallen, waar hij was gebarsten als een fust dat door een rotsblok was geraakt. Mensen kermden van pijn, anderen riepen om hulp. Maar de geluiden waren van beide kanten van de straat gekomen. Rhand draaide zich fronsend om; een tweede balkon – recht tegenover het andere – was ook ingestort. Merise verbleekte en wendde snel haar paard om de gewonden te gaan helpen. Andere Aes Sedai haastten zich al naar de slachtoffers toe om ze te Helen.
Rhand spoorde Tai’daishar aan. Dit was niet veroorzaakt door de Kracht, maar doordat zijn ta’veren-aard de waarschijnlijkheid had veranderd. Waar hij ook ging, daar gebeurden opmerkelijke en willekeurige dingen. Grote aantallen geboortes, sterfgevallen, huwelijken en ongelukken. Hij had geleerd ze te negeren.
Maar hij had zelden zo’n... gewelddadige gebeurtenis meegemaakt. Kon hij er zeker van zijn dat het niet aan een soort interactie met de nieuwe kracht lag? Die ongeziene maar verleidelijke bron van kracht waar Rhand uit had geput, die hij had gebruikt en waar hij van had genoten?
Lews Therin dacht dat wat er was gebeurd onmogelijk had moeten zijn. Het oorspronkelijke motief van de mensheid om de kerker van de Duistere aan te boren, had om macht gedraaid. Een nieuwe bron van energie om mee te geleiden, gelijkend op de Ene Kracht, maar dan anders. Onbekend en vreemd, en potentieel reusachtig. Die bron van kracht was de Duistere zelf gebleken. Lews Therin jammerde.
Rhand droeg de toegangssleutel niet zomaar met zich mee. Die verbond hem met een van de grootste sa’angreaal die ooit was gemaakt. Met die kracht en de hulp van Nynaeve had Rhand saidin gereinigd. De sleutel had hem de mogelijkheid gegeven uit een onvoorstelbare rivier te putten, een orkaan zo groot als de oceaan. Het was het schitterendste geweest wat hij ooit had ervaren.
Tot het ogenblik dat hij die naamloze kracht had gebruikt. Die andere kracht riep hem, zong tot hem, verleidde hem. Zoveel macht, zoveel goddelijke verwondering. Maar het maakte hem doodsbang. Hij durfde het niet aan te raken, niet opnieuw. En dus droeg hij de sleutel mee. Hij wist niet zeker welke van de twee energiebronnen het gevaarlijkst was, maar zolang ze beide naar hem riepen kon hij ze niet allebei weerstaan. Als twee mensen die om zijn aandacht riepen, overstemden ze elkaar. Voorlopig. Bovendien zou hij zich niet opnieuw de halsband laten omdoen. De toegangssleutel zou hem niet hebben geholpen tegen Semirhage -zelfs grote hoeveelheden van de Ene Kracht baatten je niet als je werd verrast – maar misschien zou dat in de toekomst nog komen. Ooit had hij de sleutel niet durven meedragen uit angst voor wat die hem bood. Rhand had niet langer ruimte voor een dergelijke zwakte.
Hun bestemming was eenvoudig te zien; ongeveer vijfhonderd Cairhiense wapenlieden kampeerden op het terrein van een grote, statige woonstede. Er stonden tenten van Aiel op het terrein, maar ze hadden ook naburige gebouwen bezet, en enkele daken eromheen. Voor de Aiel was ergens kamperen hetzelfde als die plek bewaken, en een Aiel was twee keer zo waakzaam als een gewone wachtsoldaat. Rhand had het grootste deel van zijn leger buiten de stad gelaten; hij zou het aan Dobraine en zijn stedehouders overlaten om binnen de muren kwartieren voor Rhands mannen te vinden. Rhand hield Tai’daishar stil en bekeek zijn nieuwe thuis. We hebben geen thuis, fluisterde Lews Therin. Dat hebben we vernietigd. Verbrand, tot slakken omgesmolten, als zand in een vuur. De woonstede was een stap omhoog van het voornamelijk uit balken bestaande landhuis. Het grote terrein werd omringd door ijzeren hekken. De bloembedden waren leeg – bloemen wilden nog niet bloeien deze lente – maar het gras was groener dan op de meeste andere plekken die hij had gezien. O, het was voornamelijk geel en bruin, maar er waren groene vlakken te zien. De tuinmannen deden erg hun best, en hun inspanningen bleken ook uit de rijen Arythische taxusbomen langs de zijkanten van het grasveld, die in de vorm van verbeeldingsvolle dieren waren gesnoeid.
De woonstede zelf was bijna een paleis; al stond er natuurlijk een paleis in de stad, dat van de koning was. Maar naar verluidt was dat minder indrukwekkend dan de huizen van leden van de Koopliedenraad. De banier die boven op de woonstede wapperde had opvallende gouden en zwarte kleuren en verklaarde dat dit de zetel was van het Huis Chadmar. Misschien had Milisair het vertrek van de anderen als een kans beschouwd. Als dat zo was, had ze zich vergist: de enige kans die ze had gewonnen, was de kans om te worden gevangen door Rhand.