De poorten van het terrein stonden open, en de Aiel in zijn geleide haastten zich al naar binnen om zich aan te sluiten bij hun eigen genootschap of stam. Het was ergerlijk dat ze maar zelden wachtten op Rhands bevelen of opdrachten, maar Aiel bleven Aiel. Als hij opperde dat ze moesten wachten, werd dat ontvangen met gelach, alsof hij een goede grap had gemaakt. Je temde nog eerder de wind dan hen zover te krijgen dat ze zich gedroegen als natlanders. Dat deed hem denken aan Aviendha. Waar was zij zo plotseling naartoe gegaan? Hij voelde haar door de binding, maar het was vaag, dus ze was heel ver weg. In het oosten. Wat had ze in de Woestenij te doen?
Hij schudde zijn hoofd. Alle vrouwen waren moeilijk te begrijpen, en een Aielvrouw was nog tien keer zo ondoorgrondelijk. Hij had gehoopt dat hij wat tijd met haar kon doorbrengen, maar ze had hem nadrukkelijk ontweken. Nou, misschien bleef ze weg vanwege Min. Maar als ze er niet was, kon hij haar in ieder geval niets aandoen voordat zijn dood kwam. Het was beter dat Aviendha vluchtte. Zijn vijanden wisten nog niets van haar.
Hij dreef Tai’daishar door de poort en reed over het pad naar de woonstede. Hij steeg af, plukte het standbeeldje van de riem en stopte het in de grote zak van zijn jas, die hij had laten vergroten om er ruimte aan te bieden. Hij overhandigde zijn rijdier aan een verzorger; een van de bedienden van de woonstede, in een groene jas en een helwit hemd met kant aan de kraag en boorden. De bedienden van het huis waren al op de hoogte gesteld dat Rhand zijn intrek zou nemen nu de oorspronkelijke bewoonster... zijn bescherming genoot. Dobraine sloot zich bij hem aan toen hij de treden naar het huis op liep. Het was stralend wit geschilderd, met houten pilaren op het plat voor de deur. Hij stapte de voordeuren door. Hoewel hij in enkele paleizen had gewoond, was hij toch onder de indruk. En vol afkeer. Als je de rijkdom achter de voordeuren van de woonstede zag, zou je nooit denken dat de mensen in de stad verhongerden. Een rij heel zenuwachtige bedienden stond in de hal. Hij voelde hun angst. Het gebeurde niet iedere dag dat je woning werd gevorderd door de Herrezen Draak zelf.
Rhand trok zijn rijhandschoen uit door zijn hand tussen zijn arm en zijn zij te steken en stopte de handschoen achter zijn riem. ‘Waar is ze?’ vroeg hij, zich wendend tot de twee Speervrouwen – Beralna en Riallin – die een oogje op de bedienden hielden. ‘Boven,’ antwoordde een van de Speervrouwen. ‘Ze drinkt thee, waarbij haar hand zo erg trilt dat ze het porselein bijna breekt.’
‘We zeggen steeds dat ze geen gevangene is,’ zei de andere Speervrouwe. ‘Ze mag alleen niet weg.’
Ze vonden dat allebei grappig. Rhand keek opzij toen Rhuarc bij hem kwam staan. Het lange stamhoofd met zijn vurige haar bekeek de kamer met de fonkelende kroonluchter en siervazen. Rhand wist wat hij dacht. ‘Je mag je vijfde opeisen,’ zei hij, ‘maar alleen van de rijken die in deze wijk wonen.’
Zo ging het doorgaans niet; de Aiel hadden hun vijfde van iedereen mogen opeisen. Maar Rhuarc sprak hem niet tegen. Wat de Aiel hadden gedaan bij het innemen van Bandar Eban was niet echt een verovering geweest, hoewel ze tegen bendes en schurken hadden gestreden. Misschien had hij hun niets moeten geven. Maar als hier zulke huizen stonden, was er welvaart genoeg voor de Aiel, in ieder geval onder de rijken.
De Speervrouwen knikten alsof ze dit hadden verwacht en draafden weg, waarschijnlijk om hun aandeel te gaan uitzoeken. Dobraine keek hen ontdaan na. Cairhien had een paar keer het vijfde van de Aiel moeten ondergaan.
‘Ik kan nooit begrijpen waarom je hen laat plunderen als struikrovers die de karavaanwachters slapend aantreffen,’ zei Corele, die met een glimlach binnenkwam. Ze keek met opgetrokken wenkbrauwen naar de indrukwekkende meubels. ‘En nog wel zo’n mooie plek. Het is net alsof je soldaten over lentebloemen laat stampen, niet?’ Was zij gestuurd om hem toe te spreken, nu hij Merise van haar stuk had gebracht?
Ze keek Rhand vriendelijk als altijd in de ogen, maar hij hield haar blik vast totdat ze inbond en wegkeek. Hij kon zich een tijd herinneren waarin dat nooit zou zijn gelukt bij een Aes Sedai. Hij wendde zich tot Dobraine. ‘Je hebt het hier goed gedaan, zelfs al heb je niet zoveel orde gebracht als ik wenste. Verzamel je wapenlieden. Narishma heeft de opdracht gekregen een Poort naar Tyr voor jullie te maken.’
‘Tyr, heer?’ vroeg Dobraine verbaasd.
‘Ja,’ antwoordde Rhand. ‘Zeg tegen Darlin dat hij ophoudt me lastig te vallen met boodschappers. Hij moet zijn leger blijven verzamelen; ik zal hem naar Arad Doman brengen als ik vind dat de tijd daar is.’ Dat zou moeten wachten tot na zijn ontmoeting met de Dochter van de Negen Manen, want die zou doorslaggevend zijn. Dobraine keek enigszins teleurgesteld. Of was dat alleen maar Rhands interpretatie? Dobraines gezichtsuitdrukking veranderde maar zelden. Dacht hij dat zijn hoop op dit koninkrijk afnam? Spande hij samen tegen Rhand? ‘Ja, heer. Ik neem aan dat ik onmiddellijk moet vertrekken?’
Dobraine heeft ons nooit reden gegeven om aan hem te twijfelen. Hij heeft zelfs voor steun gezorgd, zodat Elayne de Zonnetroon kon bezetten!
Rhand was te lang bij hem weg geweest. Te lang om hem nog te vertrouwen. Maar het was beter om hem voorlopig weg te sturen; hij had te veel tijd gehad om hier houvast te krijgen, en Rhand vertrouwde er niet op dat een Cairhienin zijn politieke spelletjes kon laten. ‘Ja, je vertrekt binnen het uur,’ zei Rhand, die zich omdraaide en de sierlijke witte trap opliep.
Dobraine bracht hem een saluut, stoïcijns als altijd, en liep de voordeur uit. Hij gehoorzaamde onmiddellijk. Geen enkele klacht. Hij was een goede man. Dat wist Rhand zeker.
Licht, wat gebeurt er met me? dacht Rhand. Ik moet toch een paar mensen vertrouwen?
Vertrouwen... fluisterde Lews Therin. Ja, misschien kunnen we hem vertrouwen. Hij kan niet geleiden. Licht, de enigen die we helemaal niet kunnen vertrouwen zijn wijzelf...
Rhand klemde zijn kaken opeen. Hij zou Dobraine met het koninkrijk belonen als Alsalam onvindbaar bleek. Ituralde wilde het niet hebben.
De trap rees recht en breed op naar een tussenvloer, waar hij zich vertakte en in twee bochten doorging naar de tweede verdieping, zodat beide trappen aan weerskanten op de overloop uitkwamen. ‘Ik heb een gehoorzaal nodig,’ zei Rhand tegen de bedienden beneden, ‘en een troon. Snel.’
Nog geen kwartier later zat Rhand in een weelderig ingerichte zitkamer op de tweede verdieping en wachtte tot de koopvrouw Milisair Chadmar voor hem zou worden geleid. Zijn weelderig versierde withouten stoel was niet helemaal een troon, maar hij voldeed wel. Misschien had Milisair die zelf ook gebruikt om onderdanen te ontvangen.
De kamer leek in ieder geval ingedeeld als een troonzaal, met een kleine verhoging voor Rhands stoel. Zowel de verhoging als de vloer was bedekt met een groen-met-rood kleed in een druk ontwerp, passend bij het Zeevolkporselein op pilaren in de hoeken. Vier brede vensters achter hem – elk groot genoeg om doorheen te stappen -lieten bewolkt zonlicht in de kamer binnen, en dat viel op zijn rug terwijl hij in de stoel zat en zich naar voren boog, met zijn ene arm op zijn knieën. Het beeldje stond vlak voor hem op de vloer. Even later liep Milisair Chadmar tussen de Aielwachters door naar binnen. Ze droeg zo’n beroemd Domanigewaad. Het bedekte haar lichaam van hals tot teen, maar het was bijna doorzichtig en omvatte al haar rondingen, waar ze er meer dan genoeg van had. Het gewaad was donkergroen en ze droeg parels om haar hals. Haar donkere haar viel in dichte krullen tot over haar schouders, met enkele lokken om haar gezicht. Hij had niet verwacht dat ze zo jong zou zijn; pas rond de dertig. Het zou jammer zijn om haar terecht te stellen.
Eén dag pas, zei hij tegen zichzelf, en nu al overweeg ik een vrouw terecht te stellen omdat ze me niet wil volgen. Er was een tijd waarin ik het amper kon verdragen om misdadigers terecht te stellen die dat hadden verdiend. Maar hij zou doen wat hij moest doen. Milisairs diepe kniks scheen erop te wijzen dat ze zijn gezag aanvaardde. Of misschien was het gewoon om hem een beter uitzicht te bieden op wat haar gewaad benadrukte. Heel Domaans van haar. Helaas voor haar had hij al meer problemen met vrouwen dan hij aankon.