‘Drakenheer,’ zei Milisair toen ze overeind kwam. ‘Hoe kan ik u dienen?’
‘Wanneer hebt u voor het laatst bericht gehad van koning Alsalam?’ vroeg Rhand. Hij gaf haar nadrukkelijk geen toestemming in een van de andere stoelen in de kamer plaats te nemen. ‘De koning?’ vroeg ze verbaasd. ‘Dat is al weken geleden.’
‘Ik wil de bode spreken die met de laatste boodschap kwam,’ zei Rhand.
‘Ik weet niet of die te vinden is.’ De vrouw klonk ontdaan. ‘Ik houd het komen en gaan van alle boodschappers in de stad niet bij, heer.’ Rhand boog zich naar voren. ‘Liegt u tegen me?’ vroeg hij zacht. Haar mond ging open, misschien omdat ze geschokt was over zijn botheid. De Domani waren geen Cairhienin – die een schijnbaar aangeboren politieke sluwheid bezaten – maar ze waren fijnbesnaarde mensen. Vooral de vrouwen. Rhand was fijnbesnaard noch sluw. Hij was een schaapherder die veroveraar was geworden, en zijn hart was dat van een man uit Tweewater, ook al was zijn bloed Aiels. Wat voor politieke spelletjes ze ook gewend was te spelen, bij hem zouden ze niet werken. Hij had geen geduld voor spelletjes. ‘Ik...’ zei Milisair, die hem aanstaarde. ‘Drakenheer...’
Wat verborg ze? ‘Wat hebt u met hem gedaan?’ vroeg Rhand. ‘Met de boodschapper?’ Het was een gok.
‘Hij wist niets over de verblijfplaats van de koning,’ zei Milisair snel, en de woorden leken over haar lippen te tuimelen. ‘Mijn ondervragers waren heel grondig.’
‘Is hij dood?’
‘Ik... Nee, Drakenheer.’
‘Dan wil ik hem spreken.’
Ze verbleekte nog meer en keek opzij, misschien instinctief op zoek naar een uitweg. ‘Drakenheer,’ zei ze aarzelend, terwijl ze haar blik weer op hem richtte. ‘Nu u hier bent, blijft de koning misschien... verborgen. Misschien is het niet nodig om nog langer naar hem te zoeken.’
Zij denkt dat hij dood is, dacht Rhand. Daarom heeft ze het erop gewaagd.
‘We moeten Alsalam vinden,’ zei Rhand, ‘of in ieder geval ontdekken wat er met hem is gebeurd. We moeten weten wat zijn lot is, zodat jullie een nieuwe koning kunnen kiezen. Zo gaat het toch?’
‘Ik ben ervan overtuigd dat u snel kunt worden gekroond, Drakenheer,’ zei ze gladjes.
‘Ik word hier geen koning,’ antwoordde Rhand. ‘Breng die boodschapper naar me toe, Milisair, en misschien maakt u dan nog mee dat er een nieuwe koning wordt gekroond. U mag gaan.’ Ze weifelde, maakte een kniks en trok zich terug. Rhand ving een glimp op van Min die buiten stond met de Aiel, kijkend naar het vertrek van de koopvrouw. Hij ving haar blik en zag dat ze verontrust keek. Had ze visioenen gehad over Milisair? Hij riep haar bijna bij zich, maar ze liep met snelle passen weg. Vanaf de zijkant keek Alivia haar nieuwsgierig na.
De voormalige damane was de laatste tijd afstandelijk, alsof ze afwachtte tot ze haar lotsbestemming kon vervullen door Rhand te helpen sterven.
Rhand merkte dat hij was opgestaan. Die blik in Mins ogen. Was ze boos op hem? Dacht ze terug aan zijn hand om haar hals, zijn knie die haar tegen de vloer drukte?
Hij ging weer zitten. Min kon wachten. ‘Goed,’ zei hij, sprekend tegen de Aiel. ‘Roep mijn klerken en huisbewaarders, samen met Rhuarc, Bael en de andere hoogwaardigheidsbekleders van de stad die niet zijn gevlucht of tijdens rellen omgekomen. We moeten de graandistributie bespreken.’
De Aiel stuurde renners, en Rhand zakte naar achteren in zijn stoel. Hij zou zorgen dat de mensen te eten kregen, de orde herstellen en de Koopliedenraad verzamelen. Hij zou er zelfs voor zorgen dat er een nieuwe koning werd gekozen.
Maar hij zou ook uitzoeken waar Alsalam was gebleven. Want daar, zo vertelde zijn intuïtie hem, had hij de meeste kans om Graendal te vinden. Het was zijn beste aanwijzing.
Als hij haar vond, zou hij haar doden met lotsvuur, net als Semirhage. Hij zou doen wat er moest gebeuren.
30
Oude raad
Gawein herinnerde zich heel weinig van zijn vader – de man was nooit echt een vader geweest, althans niet voor hem – maar hij had wel sterke herinneringen aan een dag in de paleistuinen in Caemlin. Gawein had naast een vijvertje gestaan en kiezels in het water gegooid. Taringael was langsgekomen over het rozenpad, met de jonge Galad aan zijn zijde.
Het beeld stond Gawein nog helder voor ogen. De zware geur van de rozen in volle bloei. De zilverachtige rimpelingen in de vijver, de elritsen die waren weggevlucht van het miniatuurrotsblok dat hij net naar hen toe had geworpen. Hij kon zich zijn vader nog goed voor de geest halen. Lang, knap, met licht golvend haar. Galad had zelfs toen al een rechte rug en een bekommerde uitstraling. Een paar maanden later zou Galad Gawein redden van de verdrinkingsdood in diezelfde vijver.
Gawein hoorde zijn vader nog steeds de woorden uitspreken die hij nooit was vergeten. Wat je verder ook van Taringael Damodred mocht denken, het was goede raad geweest. ‘Er zijn twee groepen mensen die je nooit moet vertrouwen,’ had de man tegen Galad gezegd terwijl ze langsliepen. ‘De eerste zijn mooie vrouwen. De tweede zijn Aes Sedai. Het Licht helpe je, jongen, als je ooit tegenover iemand komt te staan die het allebei is.’ Het Licht helpe je, jongen.
‘Ik kan me gewoon niet voorstellen dat ik in deze kwestie de wil van de Amyrlin naast me neer zou leggen,’ zei Lelaine nuffig, roerenddoor de inkt in het potje op tafel. Geen enkele man vertrouwde mooie vrouwen, ondanks zijn fascinatie voor hen. Maar weinigen beseften wat Taringael had bedoeld: dat een knap meisje, net als een kooltje dat voldoende was afgekoeld om niet langer heet te lijken, veel, veel gevaarlijker kon zijn.
Lelaine was niet mooi, maar ze was wel knap, vooral wanneer ze lachte. Slank en sierlijk, zonder een spikkeltje grijs in haar donkere haar, en een amandelvormig gezicht met volle lippen. Ze keek naar hem met ogen die veel te bevallig waren voor een vrouw met haar sluwheid. En dat scheen ze te weten. Ze begreep dat ze net aantrekkelijk genoeg was om aandacht te trekken, maar niet zo mooi dat mannen bij haar op hun hoede waren.
Ze was een vrouw van de gevaarlijkste soort. Iemand die echt aanvoelde, die mannen de gedachte gaf dat ze haar aandacht misschien konden vasthouden. Ze was niet zo knap als Egwene, bij wie iedereen graag was. De glimlach van deze vrouw gaf je de neiging om de messen achter je riem en in je laarzen te tellen, gewoon om te kijken of er niet toevallig een in je rug was beland terwijl je was afgeleid. Gawein stond naast haar schrijftafel in de schaduw van de vierkante blauwe tent. Hij had geen stoel aangeboden gekregen en had daar ook niet om gevraagd. Voor praten met een Aes Sedai, vooral een belangrijke, had je verstand en nuchterheid nodig. Hij bleef liever staan. Misschien zou dat hem beter bij de les houden. ‘Egwene probeert jullie te beschermen,’ zei Gawein, die zijn ergernis onderdrukte. ‘Daarom heeft ze jullie verboden een reddingsactie uit te voeren. Ze wil kennelijk niet dat jullie jezelf in gevaar brengen. Ze offert zich altijd op.’ Als ze dat niet in zich had, voegde hij er in gedachten aan toe, dan had ze zich nooit door jullie onder druk laten zetten om zich voor te doen als de Amyrlin Zetel. ‘Ze lijkt erg veel vertrouwen te hebben in haar veiligheid,’ zei Lelaine, die haar pen in de inkt doopte. Ze begon te schrijven op een vel perkament; een briefje aan iemand. Gawein las beleefd niet over haar schouder mee, hoewel hij haar berekende gebaar wel opmerkte: hij was zo onbelangrijk dat ze niet haar volledige aandacht aan hem kon wijden. Hij besloot niet op de belediging te reageren. Brin onder druk zetten had niet gewerkt; bij deze vrouw zou het nog minder uithalen. ‘Ze probeert jullie bezorgdheid weg te nemen, Lelaine Sedai,’ zei hij in plaats daarvan.