Выбрать главу

‘Ik heb een vrij goede mensenkennis, jonge Trakand. Ik denk niet dat ze het gevoel heeft dat ze in gevaar is.’ Ze schudde haar hoofd. Haar reukwater rook naar appelbloesems.

‘Daar twijfel ik niet aan,’ antwoordde hij. ‘Maar misschien zou ik, als ik wist hoe jullie met haar communiceren, beter in staat zijn te oordelen. Als ik...’

‘Je bent gewaarschuwd dat je daar niet naar moet vragen, kind,’ zei Lelaine met haar zachte, muzikale stem. ‘Laat zaken van de Aes Sedai aan de Aes Sedai over.’

Ongeveer hetzelfde antwoord dat elke zuster gaf wanneer hij vroeg hoe ze contact met Egwene onderhielden. Hij klemde gefrustreerd zijn kiezen op elkaar. Wat had hij dan verwacht? Het had te maken met de Ene Kracht. Na al die tijd in de Witte Toren had hij nog altijd weinig inzicht in wat de Kracht wel en niet kon doen. ‘Maar toch,’ vervolgde Lelaine, ‘de Amyrlin denkt dat ze veilig is. Wat we hebben ontdekt door Shemerins verhaal, versterkt en bevestigt alleen maar wat Egwene ons heeft verteld. Elaida is zo gek van macht dat ze de rechtmatige Amyrlin niet als dreiging ziet.’ Ze hield dingen achter. Gawein kon het merken. Hij kreeg nooit een eerlijk antwoord van hen over Egwenes huidige status. Hij had geruchten gehoord dat ze gevangen was gezet, dat ze niet langer vrij mocht rondlopen als Novice. Maar inlichtingen uit een Aes Sedai krijgen was ongeveer net zo gemakkelijk als boter karnen uit stenen! Gawein haalde diep adem. Hij mocht zijn geduld niet verliezen. Als hij dat deed, zou hij Lelaine nooit kunnen laten luisteren. En hij had haar nodig. Brin zou niets doen zonder toestemming van de Aes Sedai, en voor zover Gawein had kunnen bepalen had hij de beste kans om die te krijgen van Lelaine of Romanda. Iedereen scheen naar een van die beiden te luisteren.

Gelukkig had Gawein ontdekt dat hij die twee tegen elkaar kon uitspelen. Een bezoekje aan Romanda leidde bijna altijd tot een uitnodiging van Lelaine. Al hadden de redenen waarom ze hem wilden spreken natuurlijk heel weinig met Egwene te maken. Ongetwijfeld zou het gesprek snel een andere kant op worden gestuurd. ‘Misschien hebt u gelijk, Lelaine Sedai,’ zei hij, terwijl hij het over een andere boeg gooide. ‘Misschien gelooft Egwene echt dat ze veilig is. Maar bestaat er geen kans dat ze het mis heeft? U kunt toch niet oprecht geloven dat Elaida een andere vrouw die beweert de Amyrlin te zijn vrij zou laten rondzwerven in de Witte Toren? Dit is overduidelijk alleen maar een middel om te pochen met een gevangengenomen rivale voordat ze wordt terechtgesteld.’

‘Mogelijk,’ zei Lelaine, die bleef schrijven. Ze had een vloeiend, mooi handschrift. ‘Maar moet ik de Amyrlin niet blijven steunen, zelfs al is ze misleid?’

Gawein antwoordde niet. Natuurlijk kon ze de wil van de Amyrlin wel naast zich neerleggen. Hij wist genoeg van de politiek bij de Aes Sedai om te begrijpen dat het zo vaak gebeurde. Maar hij zou er niets mee bereiken om dat hardop te zeggen.

‘Maar toch,’ zei Lelaine verstrooid. ‘Misschien kan ik een voorstel indienen bij de Zaal. We kunnen de Amyrlin mogelijk overhalen naar een nieuw soort smeekbede te luisteren. We zullen zien of ik een nieuw argument kan vinden.’

‘We zullen zien’ of ‘Misschien kunnen we’ of ‘Ik zal het overwegen.’ Nooit een ferme belofte; elk halfslachtig aanbod was rijkelijk voorzien van ganzenvet om er eenvoudig onderuit te kunnen draaien. Licht, hij werd zo moe van die antwoorden van Aes Sedai! Lelaine keek naar hem op en schonk hem een glimlach. ‘Zo, aangezien ik heb toegezegd iets voor jou te zullen doen, wil jij mij nu misschien iets aanbieden. Grote daden worden maar zelden verricht zonder de hulp van vele partners, zoals je waarschijnlijk wel weet.’ Gawein zuchtte. ‘Zeg maar wat u nodig hebt, Aes Sedai.’

‘Je zuster heeft, volgens alle meldingen, zich erg bewonderenswaardig geweerd in Andor,’ zei Lelaine, alsof ze dat de vorige drie keer dat ze Gawein sprak ook al niet had gezegd. ‘Ze heeft echter wel op een paar tenen moeten trappen om de troon te bemachtigen. Wat denk je dat haar beleid zal zijn ten aanzien van de fruitboomgaarden van Huis Traemane? Onder je moeder waren de belastingschattingen op het land heel gunstig voor Traemane. Zal Elayne dat bijzondere voorrecht intrekken, of zal ze het gebruiken als honing om degenen die tegen haar gekant waren te bedaren?’ Gawein onderdrukte een volgende zucht. Het kwam altijd weer uit op Elayne. Hij was ervan overtuigd dat Lelaine noch Romanda werkelijk belang had bij het redden van Egwene, want ze waren te blij met hun toegenomen macht in haar afwezigheid. Nee, ze spraken met Gawein vanwege de nieuwe koningin op de Leeuwentroon. Hij zou niet weten waarom een Aes Sedai uit de Blauwe Ajah zou geven om belasting op appelboomgaarden. Lelaine was vast niet op zoek naar geldelijk gewin; dat was niets voor de Aes Sedai. Maar ze zou een pressiemiddel willen hebben, een middel om een gunstige relatie met de adellijke huizen van Andor veilig te stellen. Gawein gaf geen antwoord. Waarom zou hij die vrouw helpen? Wat had het voor zin? Maar toch... kon hij er zeker van zijn dat ze niet zou meewerken aan Egwenes bevrijding?

Als hij zorgde dat deze gesprekken niet langer zinvol voor Lelaine waren, zou ze er dan mee ophouden? Zou hij worden buitengesloten van deze ene bron van invloed – hoe klein ook – in het kamp? ‘Nou,’ zei hij uiteindelijk, ‘ik denk dat mijn zuster strenger zal zijn dan mijn moeder. Ze heeft altijd gevonden dat de gunstige positie van de fruittelers niet langer gerechtvaardigd is.’ Hij zag dat Lelaine onder aan haar vel perkament onopvallend aantekeningen maakte van wat hij zei. Was dat de echte reden dat ze de inkt en schrijfveer had gepakt? Hij had geen andere keus dan zo eerlijk mogelijk te antwoorden, hoewel hij moest oppassen dat hij zich niet te veel liet ontfutselen. Zijn relatie met Elayne was het enige waarmee hij kon onderhandelen, en hij moest zijn nut rantsoeneren zodat het langer aanhield. Dat ergerde hem. Elayne was geen onderhandelingsmiddel, ze was zijn zus! Maar het was alles wat hij had.

‘Ik begrijp het,’ zei Lelaine. ‘En hoe zit het met de noordelijke kersenboomgaarden? Die zijn de laatste tijd niet bijzonder productief geweest, en...’

Hoofdschuddend verliet Gawein de tent. Lelaine had hem bijna een uur lang ondervraagd over belastingtarieven. En wederom was Gawein er niet zeker van of hij iets nuttigs had bereikt met zijn bezoek. Als het zo doorging, kreeg hij Egwene nooit vrij! Zoals altijd wachtte er een in het wit geklede Novice bij de tent om hem het binnenkamp uit te begeleiden. Deze keer was het een kleine, mollige vrouw die meer dan een paar jaar te oud leek om het wit te dragen.

Gawein liet zich door de vrouw door het Aes Sedai-kamp leiden, terwijl ze probeerde te doen alsof ze maar een gids was in plaats van een wachter die erop moest toezien dat hij volgens afspraak vertrok. Brin had gelijk; de vrouwen hielden er niet van als er mannen – vooral soldaten – rondzwierven door hun Witte Toren-imitatie van een dorp. Hij kwam langs drukke groepen in het wit geklede vrouwen, die over looppaden liepen en hem bekeken met het vage wantrouwen dat zelfs de vriendelijkste mensen vaak ten opzichte van buitenstaanders voelden. Hij zag Aes Sedai, allemaal zelfverzekerd, of ze nu rijke zijde of stijve wol droegen. Hij liep langs enkele groepen arbeidersvrouwen, veel netter dan de vrouwen in het soldatenkamp. Ze hadden zelf bijna de uitstraling van Aes Sedai, alsof ze enig gezag verwierven doordat ze in het echte kamp mochten komen. Al die groepen liepen kriskras over een open ruimte van vertrapt onkruid die het gemeenschappelijke terrein vormde. Het meest verwarrende wat hij in dit kamp had ontdekt, had te maken met Egwene.

Steeds meer begon hij te beseffen dat de mensen hier haar werkelijk als Amyrlin zagen. Ze was niet gewoonweg een lokvogel die was neergezet om ergernis te wekken, en ze was ook geen berekende belediging met de bedoeling om Elaida op te jutten. Voor hen was Egwene de Amyrlin.

Ze was overduidelijk uitverkoren omdat de opstandelingen iemand wilden die ze gemakkelijk konden beheersen, maar de Aes Sedai behandelden haar niet als een ledenpop; zowel Lelaine als Romanda sprak eerbiedig over haar. Egwenes afwezigheid had een voordeel, want daardoor ontstond een machtsvacuüm. Daarom aanvaardden ze Egwene als bron van gezag. Was hij de enige die zich herinnerde dat ze enkele maanden geleden nog maar een Aanvaarde was geweest?