Ze greep te hoog. Maar ze had ook indruk gemaakt op de mensen in dit kamp. Het leek op zijn moeders opstijgen naar de macht in Andor, vele jaren geleden.
Maar waarom weigerde ze zich te laten redden? Het Reizen was herontdekt; voor zover hij had gehoord had Egwene het zelf herontdekt!
Hij moest haar spreken. Dan kon hij beoordelen of haar verzet tegen een redding voortkwam uit angst om de anderen in gevaar te brengen of dat het om iets anders ging.
Hij maakte Tarter los van de paal op de grens tussen het kamp van de Aes Sedai en dat van het leger, knikte zijn Noviceoppas gedag, sprong in het zadel en keek naar de stand van de zon. Hij wendde zijn rijdier oostwaarts, over een pad tussen legertenten door, en draafde weg. Hij had niet gelogen toen hij tegen Lelaine zei dat hij nog een andere afspraak had; hij had beloofd naar Brin te gaan. Natuurlijk had Gawein die afspraak zelf gemaakt omdat hij had geweten dat hij misschien iets nodig zou hebben om bij Lelaine weg te komen. Brin had hem dat geleerd. Het was geen angst om je aftocht voor te bereiden, maar gewoon goede strategie. Meer dan een uur rijden later trof Gawein zijn oude leermeester op de plek waar ze hadden afgesproken: een van de buitenste wachtposten. Brin voerde een inspectie uit die wel wat leek op de uitvlucht die Gawein had gebruikt om zijn ontsnapping van de Jongelingen te verhullen. De generaal besteeg net zijn grootneuzige vosruin toen Gawein over het dorre gras en het bleke lenteonkruid kwam aandraven. De voorhoede bevond zich in een laagte in een glooiende helling, met een goed uitzicht op de toegangsweg vanuit het noorden. De soldaten stonden eerbiedig rechtop in aanwezigheid van hun generaal, en ze verhulden hun vijandigheid jegens Gawein. Het nieuws dat hij de leiding had gehad over de troep die hen zo succesvol had aangevallen, was uitgelekt. Een strateeg als Brin kon Gawein bewonderen om zijn vaardigheid, ook al hadden ze aan tegenovergestelde kanten gestaan, maar deze mannen hadden kameraden verloren door Gaweins soldaten.
Brin wendde zijn paard en knikte naar Gawein. ‘Je bent later dan je had gezegd, jongen.’
‘Maar niet later dan je had verwacht?’ vroeg Gawein, die Tarter inhield.
‘Helemaal niet,’ zei de potige man glimlachend. ‘Je was op bezoek bij de Aes Sedai.’
Gawein grijnsde daarom, en de twee mannen reden samen over de open heuvels naar het noorden. Brin wilde bij alle voorposten aan de westkant van Tar Valon een bezoekje brengen, een taak waar hij veel voor zou moeten rijden, dus had Gawein aangeboden met hem mee te gaan. Hij had verder toch niet zoveel omhanden; maar weinig soldaten wilden oefengevechten met hem houden, en degenen die dat wel wilden deden iets te veel hun best om een ‘ongelukje’ te veroorzaken. Hij kon de Aes Sedai niet doorlopend blijven bestoken, en Gawein had de laatste tijd weinig zin om steen te spelen. Hij was te onrustig, bezorgd om Egwene en gefrustreerd door zijn gebrek aan vooruitgang. De waarheid was dat hij, anders dan zijn moeder, nooit erg goed was geweest in dat spel, maar Brin had erop gestaan dat Gawein het oefende als methode om slagveldstrategie te leren. De heuvels waren ruig van het gele onkruid en de lariksstruiken met hun kleine, enigszins blauwe bladeren en kromme takken. Er hadden velden vol wilde bloemen op deze heuvels moeten staan, maar er bloeide niets. Het landschap straalde iets ziekelijks uit: gele vlekken, op andere plekken witblauw, en grote hoeveelheden dode bruine struiken die na de strenge winter niet meer waren uitgelopen. ‘Ga je me nog vertellen hoe de bespreking ging?’ vroeg Brin onder het rijden, met een groep soldaten als erewacht achter hen aan. ‘Ik durf te wedden dat je dat ook al weet.’
‘O, ik weet niet,’ zei Brin. ‘Het is een merkwaardige tijd, en er gebeuren vreemde dingen. Misschien heeft Lelaine besloten een tijdje niet te konkelen en daadwerkelijk naar verzoeken te luisteren.’ Gawein trok een grimas. ‘Ik denk dat je nog eerder een Trollok vindt die tapijtjes weeft dan een Aes Sedai die het gekonkel heeft opgegeven.’
‘Maar ik geloof dat je gewaarschuwd was,’ zei Brin.
Daar kon Gawein niets tegen inbrengen, dus reden ze een poosje in stilte verder, met de rivier in de verte links van hen. Daarachter lagen de Toren en daken van Tar Valon. Een gevangenis. ‘Uiteindelijk zullen we het moeten hebben over die groep soldaten die je hebt achtergelaten, Gawein,’ zei Brin ineens, met zijn blik naar voren.
‘Ik zou niet weten wat er te bespreken valt,’ zei Gawein, hoewel dat niet helemaal waar was. Hij had vermoedens over wat Brin zou vragen, en hij keek niet uit naar dat gesprek.
Brin schudde zijn hoofd. ‘Ik heb gegevens nodig, jongen. Locaties, aantallen, lijsten van middelen. Ik weet dat je uitviel vanuit een van de dorpen in het oosten, maar welk dorp? Hoe groot is je leger, en wat voor steun krijgen ze van Elaida’s Aes Sedai?’
Gawein hield zijn blik afgewend. ‘Ik ben hier om Egwene te helpen. Niet om de mensen te verraden die me vertrouwden.’
‘Je hebt ze al verraden.’
‘Nee,’ weersprak Gawein ferm. ‘Ik heb ze in de steek gelaten, maar ik heb ze niet verraden. En dat ben ik ook niet van plan.’
‘Verwacht je dan van me dat ik een mogelijk voordeel laat liggen?’ vroeg Brin, die hem nu zijdelings aankeek. ‘Wat er in dat hoofd van jou zit, kan levens redden.’
‘Of levens kosten,’ zei Gawein, ‘als je het van de andere kant bekijkt.’
‘Maak dit niet lastig, Gawein.’
‘Of anders?’ vroeg Gawein. ‘Ga je me dan verhoren?’
‘Zou je voor ze lijden?’
‘Het zijn mijn mannen,’ zei Gawein eenvoudig. Of althans, dat waren ze. Hoe dan ook, hij had er genoeg van zich te laten dwingen door omstandigheden en oorlogen. Hij zou geen trouw zweren aan de Witte Toren, maar hij zou het ook niet aan die opstandelingen bieden. Egwene en Elayne kregen zijn hart en zijn eer. En als hij ze niet aan hen kon geven, zou hij ze aan Andor geven – en de hele wereld – door Rhand Altor op te sporen en te doden. Rhand Altor. Gawein geloofde Brins verdediging van die man niet. O, hij geloofde wel dat Brin meende wat hij zei, maar Brin had het mis. Het kon de beste gebeuren, te worden ingepalmd door het charisma van een schepsel als Altor. Hij had ook Elayne zelf bedot. De enige weg om hen te helpen was door die Draak te ontmaskeren en zich van hem te ontdoen.
Hij keek naar Brin, die zich afwendde. De man dacht waarschijnlijk nog steeds aan de Jongelingen. Het was onwaarschijnlijk dat Brin Gawein aan een verhoor zou onderwerpen. Gawein kende de generaal, en zijn eergevoel, te goed. Het zou er niet van komen. Maar Brin kon besluiten Gawein gevangen te zetten. Misschien was het verstandig om hem iets te bieden. ‘Het zijn jongelui, Brin,’ zei Gawein. Brin fronste zijn voorhoofd.
‘Jongelui,’ herhaalde Gawein. ‘Amper klaar met hun opleiding. Ze horen op het oefenveld, niet op het slagveld. Ze hebben het hart op de juiste plek zitten, en ze zijn vaardig, maar ze zijn een veel mindere dreiging voor je nu ik daar niet meer ben. Ik was degene die jouw strategie kende. Zonder mij zullen ze het veel moeilijker krijgen met hun aanvallen. Ik vermoed dat als ze blijven toeslaan, ze hun dag bij de slager snel genoeg krijgen. Het is niet nodig dat ik dat bespoedig.’
‘Goed dan,’ antwoordde Brin. ‘Ik zal wachten. Maar als hun strooptochten doeltreffend blijven, zul je die vraag opnieuw van me horen.’ Gawein knikte. Het beste wat hij nu voor de Jongelingen kon doen, was helpen een einde te maken aan de kloof tussen de opstandelingen en getrouwen. Maar dat leek een onmogelijke opgave. Misschien zou hij nadat hij Egwene had bevrijd iets kunnen bedenken om te helpen. Licht! Ze waren toch niet echt van zins het op een vechten te zetten? De schermutseling na de val van Siuan Sanche was al erg genoeg geweest. Wat zou er gebeuren als legers elkaar hier troffen, even buiten Tar Valon? Aes Sedai tegen Aes Sedai, zwaardhand strijdend tegen zwaardhand op een slagveld? Een ramp. ‘Daar mag het niet toe komen,’ hoorde hij zichzelf zeggen. Brin keek Gawein aan terwijl ze doorreden over het veld. ‘Je mag niet aanvallen, Brin,’ zei Gawein. ‘Een beleg is één ding. Maar wat doe je als ze je opdragen de aanval in te zetten?’