Выбрать главу

Altor beloofde voedsel. Dat lokte hongerige monden, die geen van alle stonden te springen om terug te keren naar hun boerderijen, zelfs nadat ze voedsel hadden gekregen. Het platteland was nog te onrustig en het voedsel hier te nieuw. De vluchtelingen konden er niet zeker van zijn dat het graan niet gewoon zou bederven, zoals zoveel de laatste tijd. Nee, ze bleven, opeengepakt in de drukke stad. Cadsuane schudde haar hoofd en liep verder over het looppad, met die ellendige klompen klepperend op het hout. De stad was beroemd om de lange, stevige looppaden, waardoor voetgangers niet door de modder op de straten hoefden. Met keien zou dat ook zijn opgelost, maar de Domani gingen er vaak prat op dat ze anders waren dan de rest van de wereld. Onverteerbaar kruidig eten met afgrijselijk eetgerei. Een hoofdstad vol opzichtige banieren, een reusachtige haven. Schandalige gewaden bij de vrouwen, lange, dunne snorren bij de mannen, en een voorliefde voor oorringen bij iedereen, bijna zoals bij het Zeevolk.

Honderden van die banieren wapperden in de wind terwijl Cadsuane verder liep, en ze knarste met haar tanden tegen de verleiding om de kap af te doen en de wind op haar gezicht te voelen. Die door het Licht vervloekte zeelucht. Doorgaans was het in Bandar Eban kil en regenachtig. Ze had het maar zelden zo warm meegemaakt. De luchtvochtigheid was hoe dan ook verschrikkelijk. Weldenkende mensen bleven in het binnenland!

Ze liep door verschillende straten en stak op kruisingen over door de modder. Dat was het onweerlegbare minpunt van looppaden, vond zij. De plaatselijke bevolking wist welke straten ze konden oversteken en op welke straten de modder diep was, maar Cadsuane moest oversteken waar ze kon. Daarom had ze deze klompen opgezocht, gemaakt naar Tyreense stijl, om over haar schoenen heen aan te trekken. Het was verbazingwekkend moeilijk geweest een koopman te vinden die ze verkocht; de Domani hadden er kennelijk weinig belangstelling voor, en de meeste mensen die ze tegenkwam liepen ofwel op blote voeten door de modder, of wisten waar ze moesten oversteken zonder hun schoenen te bevuilen.

Halverwege naar de haven kwam ze eindelijk op haar bestemming aan. De mooie banier die aan de voorgevel van ingelegd hout wapperde, maakte bekend dat de herberg Gunstige Wind heette. Cadsuane liep naar binnen en trok haar klompen uit in de modderige toegangshal voordat ze de herberg zelf binnenstapte. Daar deed ze eindelijk haar kap omlaag. Als Altor toevallig deze herberg bezocht, moest hij haar maar ophangen.

De gelagkamer van de herberg leek meer op de eetzaal van een koning dan op een taveerne. Er lagen witte tafelkleden op de tafels en de gelakte houten vloer was glanzend gewreven. Aan de wanden hingen smaakvolle stillevens: een schaal met fruit aan de muur achter de tapkast, een vaas met bloemen aan de muur ertegenover. De flessen op de plank achter de toog bevatten bijna allemaal wijn, en er stond maar heel weinig brandewijn of andere drank. De slanke herbergier, Quillin Tasil, was een lange Andoraanse man met een ovaal gezicht. Zijn haar dunde boven op zijn hoofd en was kort en donker aan de zijkanten, en hij droeg een volle, kortgeknipte baard die bijna geheel grijs was. Zijn mooie lavendelkleurige jas was voorzien van witte kant die onder de mouwen uit piepte, maar hij droeg er een herbergiersschort overheen. Hij had doorgaans goede inlichtingen, maar hij was ook bereid bij zijn vakgenoten navraag voor haar te doen. Een zeer nuttig man.

Hij glimlachte naar Cadsuane toen ze binnenkwam en veegde zijn handen af aan een handdoek. Hij gebaarde haar naar een tafel en liep naar de tapkast om wijn te halen. Cadsuane ging zitten terwijl twee mannen aan de andere kant van de gelagkamer luidruchtig begonnen te ruziën. De andere gasten – slechts vier: twee vrouwen aan een tafel aan de andere kant en nog twee mannen aan de toog – letten er niet op.

Je hield het niet lang vol in Arad Doman als je niet leerde het veelvuldige opvliegen van mensen te negeren. Domaanse mannen waren even heethoofdig als vulkanen, en de meeste mensen waren het erover eens dat dat door de Domaanse vrouwen kwam. Deze twee mannen gingen geen tweegevecht aan, zoals gebruikelijk zou zijn geweest in Ebo Dar. In plaats daarvan schreeuwden ze elkaar een tijdje toe en begonnen vervolgens eikaars uitspraken te beamen, waarna ze erop stonden de ander op wijn te vergasten. Gevechten waren gewoon, bloedvergieten zeldzaam. Gewonden waren slecht voor de zaken. Quillin naderde met een beker wijn; ongetwijfeld een van zijn beste. Ze vroeg hem daar nooit om, maar ze klaagde ook niet. ‘Vrouw Kust,’ zei hij met zijn minzame stem, ‘ik wou dat ik eerder had geweten dat u weer in de stad was! Uw brief was het eerste bericht dat ik erover ontving!’

Cadsuane pakte de beker aan. ‘Ik heb niet de gewoonte verslag over mijn bewegingen uit te brengen aan iedere kennis, meester Tasil.’

‘Natuurlijk niet, natuurlijk niet,’ zei hij, en hij leek niet beledigd om haar scherpe weerwoord. Ze had hem nog nooit boos kunnen maken. Daar was ze altijd verwonderd over geweest.

‘Het schijnt de herberg goed te gaan,’ zei ze beleefd, waarop hij zich omdraaide en naar zijn weinige gasten keek. Ze leken slecht op hun gemak aan de onberispelijke tafels op de glanzende vloer. Cadsuane wist niet zeker of het de intimiderende reinheid was die mensen weghield uit de Gunstige Wind, of dat het kwam door Quillins gewoonte om nooit speelmannen of muzikanten te laten optreden. Hij beweerde dat die de sfeer verpestten. Toen zag hij dat er een nieuwe klant binnenkwam, die modder mee naar binnen sleepte. Cadsuane kon zien dat Quillins vingers jeukten om de vloer te gaan boenen. ‘Mijnheer,’ riep Quillin de man toe. ‘Schraap uw schoenen af voordat u binnenkomt, alstublieft.’

De man verstijfde en fronste zijn voorhoofd, maar hij liep terug om te doen wat hem was opgedragen. Quillin zuchtte en kwam bij haar aan tafel zitten. ‘Eerlijk gezegd, vrouw Kust, wordt het hier de laatste tijd een beetje te druk naar mijn smaak. Ik kan het overzicht over al mijn gasten soms niet meer bewaren! De mensen moeten veel te lang wachten omdat ik het zo druk heb.’

‘U zou hulp kunnen inhuren,’ zei ze. ‘Een dienster of twee.’

‘Wat? Zodat zij alle pret hebben?’ Hij zei dit in alle ernst. Cadsuane nam een slokje wijn. Inderdaad een uitstekende wijn, misschien wel zo duur dat een herberg – hoe fraai ook – hem niet voor het grijpen achter de toog zou moeten bewaren. Ze zuchtte. Quillins Domaanse vrouw was een van de succesvolste zijdehandelaren in de stad; veel vaartuigen van het Zeevolk zochten haar persoonlijk op om zaken met haar te doen. Quillin had zo’n twintig jaar lang de boeken van het bedrijf van zijn vrouw bijgehouden voordat hij met pensioen ging, en ze waren allebei rijk.

En wat deed hij ermee? Hij had een herberg geopend. Dat was kennelijk altijd een droom van hem geweest. Cadsuane had lang geleden al geleerd dat ze geen vragen moest stellen over de vreemde voorliefdes van mensen die te veel vrije tijd hadden. ‘Wat is er voor nieuws in de stad, Quillin?’ vroeg ze, terwijl ze een buideltje munten over de tafel naar hem toe schoof. ‘Vrouw Kust, u beledigt me,’ zei hij, en hij stak zijn handen op. ‘Ik kan uw geld niet aannemen!’

Ze trok haar wenkbrauw op. ‘Ik heb vandaag weinig geduld voor spelletjes, meester Tasil. Als u het zelf niet wilt hebben, geef het dan aan de armen. Het Licht weet dat er daarvan tegenwoordig genoeg zijn in de stad.’

Hij zuchtte, maar stopte met tegenzin de buidel in zijn zak. Misschien was zijn gelagkamer daarom vaak leeg; een herbergier die geen ontzag had voor geld was een vreemd dier. Veel van de burgers zouden zich even onbehaaglijk voelen bij Quillin als bij de onberispelijke vloer en smaakvolle versieringen.

Quillin was echter heel goed voor inlichtingen. Zijn vrouw vertelde hem al haar roddels. Door haar gezicht wist hij uiteraard dat Cadsuane een Aes Sedai was. Namine – zijn oudste dochter – was naar de Witte Toren gegaan, had uiteindelijk de Bruine Ajah gekozen en was er in de leeszaal gaan werken. Een Domaanse in de leeszaal was niets ongebruikelijks; de Terhanalibrije in Bandar Eban was een van de grootste ter wereld. Maar Namines moeiteloze maar scherpe inzicht in de actuele gebeurtenissen was zodanig opvallend geweest dat Cadsuane dat verband had gevolgd in de hoop ouders met goede connecties te vinden.