Выбрать главу

Dochters in de Witte Toren stemden mensen vaak milder ten opzichte van andere Aes Sedai. Dat had haar naar Quillin geleid. Cadsuane vertrouwde hem niet geheel, maar ze was op hem gesteld. ‘Wat er voor nieuws is in de stad?’ vroeg Quillin. Eerlijk, welke herbergier droeg er nu een geborduurd zijden vest onder zijn schort? Geen wonder dat mensen deze herberg merkwaardig vonden. ‘Waar zal ik eens beginnen? Er is de laatste tijd bijna te veel gaande om bij te houden!’

‘Begin maar bij Alsalam,’ zei Cadsuane, die een slokje wijn nam. ‘Wanneer is hij voor het laatst gezien?’

‘Door geloofwaardige getuigen, of volgens geruchten?’

‘Vertel ze allebei maar.’

‘Er zijn lagere windgeborenen en kooplieden die beweren persoonlijk bericht van hem te hebben ontvangen tot zelfs een week geleden, vrouw Kust, maar ik hecht weinig geloof aan dat soort beweringen. Zeer snel na de... leemte die de koning achterliet waren er al vervalste brieven te vinden waarin zogenaamd zijn wensen uiteen waren gezet. Ik heb met eigen ogen bevelen gezien die ik vertrouw – of althans, ik vertrouw het zegel erop – maar de koning zelf? Ik zou zeggen dat het bijna een halfjaar geleden is dat iemand voor wie ik zou instaan hem voor het laatst heeft gezien.’

‘Waar is hij dan?’

De herbergier haalde zijn schouders op en keek haar verontschuldigend aan. ‘Een tijdlang waren we ervan overtuigd dat de Koopliedenraad achter zijn verdwijning zat. Ze lieten de koning maar zelden uit het oog, en met de onlusten in het zuiden namen we allemaal aan dat ze Zijne Majesteit in veiligheid hadden gebracht.’

‘Maar?’

‘Maar mijn bronnen,’ daarmee bedoelde hij zijn vrouw, ‘zijn daar niet langer van overtuigd. De Koopliedenraad is de laatste tijd te ongeorganiseerd, alle leden zijn bezig te voorkomen dat hun eigen stukje van Arad Doman uiteenvalt. Als ze de koning hadden, dan hadden ze dat inmiddels wel bekendgemaakt.’

Cadsuane tikte geërgerd met haar nagel tegen haar beker. Kon er dan waarheid zitten in de overtuiging van die jongen van Altor dat een van de Verzakers Alsalam in handen had? ‘En verder?’

‘Er zijn Aiel in de stad, vrouw Kust,’ zei Quillin, wrijvend over een onzichtbaar vlekje op tafel.

Ze staarde hem vlak aan. ‘Dat had ik niet gemerkt.’ Hij grinnikte. ‘Ja, ja, het is ook wel duidelijk. Maar het exacte aantal in de streek is vierentwintigduizend. Sommigen zeggen dat de Herrezen Draak ze hier heeft geplaatst alleen om zijn macht en gezag te bewijzen. Wie heeft er immers ooit gehoord van Aiel die voedsel uitdelen? De helft van de armen in de stad is te bang om naar de uitdeelpunten te gaan, uit angst dat de Aiel hun vergiften in het graan hebben gestopt.’

‘Vergif van de Aiel?’ Ze had dat gerucht nooit eerder gehoord. Quillin knikte. ‘Sommigen beweren dat die de oorzaak zijn van het voedselbederf.’

‘Maar het voedsel begon toch al lang voordat de Aiel kwamen te bederven?’

‘Ja, ja, uiteraard,’ antwoordde Quillin. ‘Maar dat vergeten de mensen gemakkelijk als er zoveel graan bederft. Bovendien is het een stuk erger geworden sinds de komst van de Drakenheer.’ Cadsuane verhulde haar frons door een slokje wijn te nemen. Was het erger geworden sinds Altors aankomst? Was dat maar een gerucht, of was het de waarheid? Ze liet haar beker zakken. ‘En de vreemde gebeurtenissen in de stad?’ vroeg ze behoedzaam, om te kijken wat ze zou ontdekken.

‘Dus daar hebt u over gehoord?’ vroeg Quillin terwijl hij zich naar voren boog. ‘De mensen praten er natuurlijk liever niet over, maar mijn bronnen vangen wel eens wat op. Doodgeboren kinderen, mannen die sterven na een val waar ze nauwelijks een blauwe plek van hadden moeten oplopen, stenen die van gebouwen vallen en vrouwen tijdens het onderhandelen pletten. Gevaarlijke tijden, vrouw Kust. Ik geef liever geen geruchten door, maar ik heb de cijfers zelf gezien!’

Die gebeurtenissen waren op zich niet onverwacht. ‘Maar er is natuurlijk tegenwicht.’

‘Tegenwicht?’

‘Meer huwelijken,’ zei ze met een wuivende hand, ‘kinderen die op wilde beesten stuiten maar ongedeerd ontkomen, onverwachte geldsommen ontdekt onder de vloer van het huis van een arme. Dat soort dingen.’

‘Dat zou fijn zijn,’ zei Quillin grinnikend. ‘We kunnen wensen en hopen.’

‘Hebt u dergelijke verhalen dan niet gehoord?’ vroeg Cadsuane verbaasd.

‘Nee, vrouw Kust. Ik kan er eens naar vragen, als u wilt.’

‘Graag.’ Altor was ta’veren, maar het Patroon was altijd in evenwicht. Voor elke onfortuinlijke dood die werd veroorzaakt door Rhands aanwezigheid in een stad, was er altijd een wonderbaarlijk overleven. Wat betekende het als dat nu niet meer zo was? Ze ging verder met specifieke vragen, met de vindplaats van de leden van de Koopliedenraad boven aan de lijst. Ze wist dat die jongen van Altor hen allemaal wilde hebben; als ze nieuwe inlichtingen kon krijgen over hun verblijfplaatsen, kon dat heel nuttig zijn. Ze vroeg Quillin ook om uit te zoeken hoe de economische situatie in de andere grote Domaanse steden was, en om nieuws over opstandige groeperingen of Taraboners die toesloegen over de grens. Toen ze de herberg verliet – en met tegenzin de kap van haar mantel weer omhoog deed terwijl ze de bedrukkende middag in stapte – merkte ze dat Quillins uitspraken haar met meer vragen hadden opgezadeld dan ze bij het binnengaan had gehad. Het leek erop dat het zou gaan regenen. Al zag het er de laatste tijd natuurlijk doorlopend zo uit. Bewolkt en donker, met een grijze hemel en wolken die zich met elkaar vermengden tot een eentonig waas. De vorige avond had het in ieder geval echt geregend; om een of andere reden maakte dat de bewolkte hemel draaglijker. Alsof het natuurlijker was, waardoor ze kon doen alsof die eeuwige schemer niet weer een bewijs was van de inmenging van de Duistere. Hij had het volk verschrompeld met droogte, hij had hen bevroren met een plotselinge winter, en nu leek hij vastberaden hen te vernietigen met niets dan droefgeestigheid.

Cadsuane schudde haar hoofd, stampte met haar klompen om zich ervan te vergewissen dat ze stevig vastzaten, liep de modderige planken op en koos de richting van de haven. Ze zou zelf gaan kijken wat er klopte van de geruchten over het bederf daar. Waren de vreemde gebeurtenissen rondom Altor echt destructiever geworden, of kwam die gedachte enkel voort uit haar eigen vrees?

Altor. Ze moest de waarheid onder ogen zien: ze had hem slecht aangepakt. Al had ze natuurlijk geen fouten gemaakt met de mannelijke a’dam, ongeacht wat Altor beweerde. Wie de halsband ook had gestolen, hij of zij was uitzonderlijk machtig en sluw geweest. Iedereen die tot zoiets in staat was, had evengoed een andere mannelijke a’dam van de Seanchanen kunnen stelen. Die hadden er vast meer dan genoeg.

Nee, de a’dam was uit haar eigen kamer gestolen in een poging om wantrouwen te zaaien, daar was ze van overtuigd. Misschien was de diefstal zelfs bedoeld om iets anders te verhullen: de teruggave van het beeldje aan Altor. Zijn temperament was zo duister geworden, er viel niet te voorspellen wat voor verwoesting hij ermee kon veroorzaken.

Die arme, domme jongen. Het was zeer nadelig dat een Verzaker hem een halsband had omgedaan; dat zou hem alleen maar herinneren aan de tijd dat hij was afgeranseld en gekooid door Aes Sedai. Het zou haar werk moeilijker maken. Zo niet onmogelijk. Dat was de vraag die ze nu onder ogen moest zien. Was hij de redding voorbij? Was het te laat om hem te veranderen? En als dat zo was, wat kon ze dan doen, als ze al iets kon doen? De Herrezen Draak moest de Duistere treffen bij Shayol Ghul. Als dat niet gebeurde, was alles verloren. Maar stel dat het even rampzalig was als hij de Duistere wel ontmoette?