Выбрать главу

Nee. Ze weigerde te geloven dat hun strijd al verloren was. Er moest iets gedaan kunnen worden om Altors koers te wijzigen. Maar wat? Altor had niet gereageerd zoals de meeste boeren als ze ineens macht kregen. Hij was niet zelfzuchtig of kleinzielig geworden, hij had geen rijkdommen gehamsterd of kinderachtig wraak genomen op iedereen die hem in zijn jeugd had gekrenkt. Nee, er was zelfs wijsheid geweest in veel van zijn besluiten, of in ieder geval die waarbij hij niet stoutmoedig het gevaar tegemoet was gereden. Cadsuane liep over de loopplank en kwam Domaanse vluchtelingen in hun opvallend felgekleurde kleding tegen. Af en toe moest ze om groepjes van hen heen stappen, die op de vochtige planken opeengepakt zaten waar spontaan een kampje was ontstaan bij de ingang naar een steeg of de ongebruikte zijdeur van een gebouw. Niemand ging voor haar opzij. Wat had je aan een Aes Sedai-gezicht als je het bedekte? Deze stad was gewoon te vol. Cadsuane minderde vaart bij een rij vaandels die de naam van de havenambtenaar droegen. De haven zelf lag een stukje verderop, met twee keer zoveel schepen van het Zeevolk als eerder, veel ervan klippers, de grootste vaartuigen die het Zeevolk had. Meer dan een handvol daarvan waren omgebouwde Seanchaanse schepen, waarschijnlijk gestolen in Ebo Dar tijdens de massale uittocht korte tijd geleden.

In de haven wemelde het van de mensen die graan kwamen halen. De menigte deinde en schreeuwde, en ze leken helemaal niet bezorgd om het ‘gif’ waar Quillin het over had gehad. Al kon hongersnood natuurlijk een heleboel angst wegnemen.

Havenarbeiders hielden de menigte in bedwang; onder hen waren Aiel in bruine cadin’sor, die hun speren vasthielden en boos om zich heen keken zoals alleen Aiel dat konden. Er leek ook een vrij groot aantal kooplieden in de haven te zijn, waarschijnlijk hopend dat ze wat van de uitgedeelde voorraden konden bemachtigen om die later te verkopen.

De haven zag er nog ongeveer net zo uit als op elke dag sinds Altors aankomst. Waarom aarzelde ze? Er leek een tintelend gevoel over haar rug te trekken, alsof...

Ze draaide zich om en zag een stoet door de modderige straat komen aanrijden. Altor zat trots op zijn donkere hengst, zijn kleding aan de kleur van het rijdier aangepast, met alleen een beetje rood borduurwerk. Zoals gebruikelijk had hij een twintigtal soldaten, raadslieden en een toenemend aantal kruiperige Domani bij zich. Ze kwam hem wel heel vaak op straat tegen. Ze dwong zichzelf te blijven staan, geen steeg in te schieten, hoewel ze haar kap wat lager trok om haar gezicht te beschutten.

Altor liet niet blijken of hij haar herkende toen hij vlak voor haar langs reed. Hij leek in beslag te worden genomen door zijn eigen gedachten, zoals vaak het geval was. Ze wilde naar hem roepen dat hij moest opschieten, dat hij de kroon van Arad Doman moest veiligstellen en verder moest gaan, maar ze hield haar mond. Ze zou haar leven van bijna driehonderd jaar niet laten eindigen in een terechtstelling onder de handen van de Herrezen Draak! Zijn gevolg reed langs. Net als eerder dacht ze toen ze zich van hem afwendde... vanuit haar ooghoeken een soort duisternis om hem heen te zien, als te veel schaduw van de wolken aan de hemel. Telkens als ze rechtstreeks naar hem keek was het verdwenen, telkens als ze haar best deed om het te zien, lukte dat niet. Het was er alleen als ze niet rechtstreeks naar hem keek, en bij toeval.

Ze had in al haar jaren nog nooit over zoiets gelezen of gehoord. Het joeg haar angst aan het rondom de Herrezen Draak te zien. Dit was groter geworden dan haar trots, veel groter dan haar mislukkingen. Nee. Het was altijd groter geweest dan zij. Altor begeleiden was anders dan het sturen van een galopperend paard, het was alsof je probeerde een orkaan op zee te besturen!

Cadsuane zou nooit in staat zijn om zijn koers te wijzigen. Hij vertrouwde de Aes Sedai niet, en met goede redenen. Hij scheen niemand te vertrouwen, behalve misschien Min. Maar Min had alle pogingen van Cadsuane om haar erbij te betrekken weerstaan. Dat meisje was bijna even erg als Altor.

Het had geen zin om naar de haven te gaan. Spreken met haar verklikkers was zinloos. Als ze niet snel iets deed, waren ze allemaal gedoemd. Maar wat dan? Ze leunde tegen het gebouw achter haar en zag driehoekige banieren wapperen, wijzend naar het noorden. Naar de Verwording en Altors uiteindelijke lotsbestemming. Toen schoot haar iets te binnen. Ze greep zich eraan vast als een drenkeling in kolkende golven. Ze wist niet waar het aan vastzat, maar het was haar enige hoop.

Ze draaide zich om en haastte zich terug, met haar hoofd gebogen terwijl ze amper durfde na te denken over haar plan. Het kon zo gemakkelijk mislukken. Als Altor werkelijk zo werd geregeerd door zijn woede als ze vreesde, dan zou zelfs dit hem niet helpen. Maar als hij echt zo ver heen was, dan was er niets wat hem kon helpen. Dat betekende dat ze niets te verliezen had. Niets behalve de wereld zelf.

Dringend door de drukte en af en toe op de modderige straat stappend om groepen mensen te ontwijken, kwam ze bij de woonstede aan. Enkele Aiel hadden het kamp ingenomen waar Dobraines wapenlieden tot aan zijn terugtrekking hadden gewoond. Ze kampeerden overal, sommigen op het terrein, sommigen in een vleugel van het huis en anderen in nabijgelegen gebouwen. Cadsuane liep naar de vleugel van de Aiel, en ze werd niet tegengehouden. Ze had voorrechten onder de Aiel die niemand van de andere zusters had gekregen. Ze vond Sorilea en de andere Wijzen in gesprek in een van de leeszalen. Ze zaten natuurlijk op de vloer. Sorilea knikte naar Cadsuane toen ze binnenkwam. Ze was knokig, mager en gelooid, maar toch zou niemand haar breekbaar noemen. Niet met die ogen in een gezicht dat, hoewel het verweerd was door wind en zon, te jong was voor haar leeftijd. Hoe konden de Wijzen zo lang leven en toch die leeftijdloosheid van de Aes Sedai bereiken? Dat was een vraag die Cadsuane nooit had kunnen beantwoorden. Ze liet haar kap zakken en ging bij de Wijzen op de vloer zitten, zonder kussens. Ze keek Sorilea in de ogen. ‘Ik heb gefaald,’ zei ze. De Wijze knikte, alsof zij datzelfde al had gedacht. Cadsuane dwong zichzelf haar ergernis niet te laten blijken.

‘Falen is geen schande,’ zei Bair, ‘als dat falen de schuld is van iemand anders.’

Amys knikte. ‘De Car’a’carn is koppiger dan alle andere mannen, Cadsuane Sedai. Je hebt geen toh aan ons.’

‘Schaamte of toh,’ zei Cadsuane, ‘binnenkort doet het er allemaal niet meer toe. Maar ik heb een plan. Helpen jullie me?’

De Wijzen keken elkaar aan.

‘Wat voor plan?’ vroeg Sorilea.

Cadsuane glimlachte, en toen zette ze het uiteen.

Rhand keek achterom en zag Cadsuane wegdrentelen. Ze dacht waarschijnlijk dat hij haar niet had gezien, daar langs de straat. De mantel verborg haar gezicht, maar niets kon die zelfingenomen houding verhullen, zelfs niet die onbeholpen schoenen. Hoewel ze zich haastte, leek ze beheerst, en anderen gingen als vanzelf uit de weg. Ze speelde gevaarlijk spel met zijn verbod, zoals ze hem door de stad volgde. Maar ze had hem haar gezicht niet getoond, en dus liet hij haar gaan.

Het was waarschijnlijk onverstandig geweest om haar te verbannen, maar er was nu geen weg meer terug. Hij zou gewoon van nu af aan zijn woede moeten intomen. Het wikkelen in ijs, dampend diep in zijn borst, pulserend als een tweede hart.

Hij draaide zich weer om naar de haven. Misschien was er geen reden waarom hij zelf bij de voedselverdeling moest gaan kijken. Maar hij had gemerkt dat het graan een aanzienlijk grotere kans had om bij degenen die het nodig hadden terecht te komen als iedereen wist dat ze in de gaten werden gehouden. Dit was een volk dat te lang geen koning meer had gehad; ze moesten zien dat iemand de leiding nam.

Toen hij de kade bereikte, wendde hij Tai’daishar langs de achterkant van de haven, met een ongehaast tempo. Hij keek naar de Asha’man die naast hem reed. Naeff had een sterk, rechthoekig gezicht en de slanke bouw van een strijder; hij was soldaat geweest in de koninginnegarde van Andor voordat hij uit walging over het bewind van ‘heer Gaebril’ zijn ontslag had ingediend. Naeff had zijn weg naar de Zwarte Toren gevonden, en nu droeg hij zowel het Zwaard als de Draak.