Uiteindelijk zou Rhand Naeff waarschijnlijk moeten laten terugkeren naar zijn Aes Sedai – hij was een van de eersten geweest die was gebonden – of haar naar hem toe moeten halen. Hij wilde liever niet nog een Aes Sedai bij zich in de buurt hebben, hoewel Nelavaire Demasiellin, een Groene, betrekkelijk vriendelijk was voor een Aes Sedai.
‘Ga door,’ zei Rhand tegen Naeff terwijl ze reden. De Asha’man had boodschappen vervoerd en gesproken met de Seanchanen bij Bashere.
‘Wel, heer,’ zei Naeff, ‘het is maar een gevoel, maar ik geloof niet dat ze Katar als ontmoetingsplek zullen aanvaarden. Ze doen altijd moeilijk als heer Bashere of ik die plek noemen, en beweren dat ze nadere bevelen aan de Dochter van de Negen Manen moeten vragen. Hun toon geeft aan dat die ‘bevelen’ zullen luiden dat die plek onaanvaardbaar is.’
Rhand sprak zacht. ‘Katar is neutraal terrein, niet in Arad Doman of ver op Seanchaans grondgebied.’
‘Ik weet het, heer. We hebben het geprobeerd, dat beloof ik u.’
‘Goed dan,’ zei Rhand. ‘Als ze hier koppig over blijven, kies ik wel een andere plek. Ga naar ze terug en zeg dat we elkaar ontmoeten in Falme.’
Achter hem floot Flin zachtjes.
‘Heer,’ zei Naeff. ‘Dat ligt ver binnen de Seanchaanse grens.’
‘Weet ik,’ zei Rhand met een blik op Flin. ‘Maar het heeft een... zeker geschiedkundig belang. We zullen er veilig zijn; die Seanchanen zijn stevig gebonden aan hun eer. Ze vallen niet aan als we onder een banier van wapenstilstand aankomen.’
‘Weet u dat zeker?’ vroeg Naeff rustig. ‘Het bevalt me niet hoe ze naar me kijken, heer. Er ligt minachting in hun ogen, bij hen allemaal. Minachting en medelijden, alsof ik een verdwaalde hond ben, zoekend naar restjes achter de herberg. Het Licht brande me, maar ik word er misselijk van.’
‘Ze hebben die halsbanden, heer,’ zei Flin. ‘Vlag van wapenstilstand of niet, ze zullen popelen om ons allemaal te binden.’ Rhand sloot zijn ogen en hield de woede binnen, en hij voelde de zilte zeelucht over hem heen strijken. Hij opende zijn ogen naar een hemel vol donkere wolken. Hij wilde niet denken aan de halsband om zijn nek, zijn hand die Min wurgde. Dat was het verleden. Hij was harder dan staal. Hij kon niet worden gebroken. ‘We moeten vrede sluiten met de Seanchanen,’ zei hij. ‘Ondanks onze verschillen.’
‘Verschillen?’ vroeg Flin. ‘Ik geloof niet dat ik dat een verschil zou noemen, heer. Ze willen ons allemaal onder de slavernij brengen, misschien zelfs terechtstellen. Ze denken dat ze ons daarmee een dienst bewijzen!’
Rhand hield de blik van de man vast. Flin was niet opstandig; hij was zo trouw als maar kon. Maar toch liet Rhand hem ineenkrimpen en zijn hoofd buigen. Verdeeldheid kon hij niet tolereren. Verdeeldheid en leugens hadden hem de halsband opgeleverd. Het was afgelopen.
‘Het spijt me, heer,’ zei Flin uiteindelijk. ‘Bloedvuur, maar Falme is een uitstekende keus! Door u zullen ze met angst naar de hemel kijken, ik zweer het.’
‘Vertrek nu met die boodschap, Naeff,’ zei Rhand. ‘Ik wil dit geregeld hebben.’
Naeff knikte, wendde zijn paard en draafde weg bij de rij, met een kleine groep Aielwachters bij zich. Je kon alleen Reizen vanaf een plek die je goed kende, en dus kon hij niet rechtstreeks vanuit de haven vertrekken.
Rhand vervolgde zijn rit, verontrust door Lews Therins zwijgen. De waanzinnige was de laatste tijd ongebruikelijk afstandelijk. Daar zou Rhand blij mee moeten zijn, maar in plaats daarvan baarde het hem zorgen. Het had te maken met de naamloze kracht die Rhand had aangeraakt. Hij hoorde de waanzinnige nog steeds vaak huilen, fluisteren tegen zichzelf, doodsbang. ‘Rhand?’
Hij draaide zich om. Hij had Nynaeves paard niet horen naderen. Ze droeg een opvallend groen gewaad, naar de maatstaven van de Domani ingetogen, maar nog altijd veel onthullender dan ze ooit zou hebben gedragen in haar tijd in Tweewater.
Ze heeft recht op verandering, dacht Rhand. Wat maakt een doorschijnend gewaad uit, vergeleken bij het feit dat ik bevel heb gegeven tot verbanningen en terechtstellingen? ‘Wat heb je besloten?’ vroeg ze. ‘We ontmoeten ze in Falme,’ zei hij. Ze mompelde zachtjes. ‘Wat zeg je?’ vroeg hij.
‘O, alleen maar dat je een wolkoppige dwaas bent,’ zei ze, kijkend naar hem met opstandige ogen.
‘Met Falme zullen ze wel instemmen,’ verzekerde hij haar.
‘Ja,’ zei ze. ‘Je belandt er netjes door in hun handen.’
‘Ik kan het me niet veroorloven te wachten, Nynaeve,’ zei hij. ‘Dit is een gok die we moeten nemen. Maar ik denk niet dat ze zullen aanvallen.’
‘Dacht je dat de laatste keer ook?’ vroeg ze. ‘Toen ze je hand afhakten?’
Hij keek naar zijn stomp. ‘Ze hebben deze keer waarschijnlijk geen Verzaker bij zich.’
‘Weet je dat zeker?’
Hij keek haar in de ogen, en zij wendde haar blik niet af, iets wat maar weinig mensen tegenwoordig schenen te kunnen opbrengen. Uiteindelijk schudde hij zijn hoofd. ‘Nee, ik weet het niet zeker.’ Ze snoof ten antwoord, om aan te geven dat ze op dit punt had gewonnen. ‘Nou, dan zullen we extra voorzichtig moeten zijn. Misschien worden ze onbehaaglijk van herinneringen aan de laatste keer dat je in Falme was.’
‘Ik hoop het,’ zei hij.
Ze mompelde nog iets anders, maar hij verstond het niet. Nynaeve zou nooit een volmaakte Aes Sedai zijn; ze was veel te vrij met haar gevoelens, vooral haar boosheid. Wat Rhand betrof was dat geen tekortkoming. Bij Nynaeve wist hij tenminste altijd waar hij stond. Ze was slecht in spelletjes, en dat maakte haar waardevol. Hij vertrouwde haar. Ze was een van de weinigen. We vertrouwen baar toch? vroeg Lews Therin. Kan dat? Rhand gaf geen antwoord. Hij voltooide zijn ronde door de haven. Nynaeve bleef aan zijn zijde. Ze leek in een duistere stemming te zijn, hoewel Rhand niet inzag waarom. Nu Cadsuane was verbannen, vervulde Nynaeve de rol van zijn voornaamste raadsvrouw. Was ze daar niet gelukkig mee?
Misschien was ze bezorgd om Lan. Terwijl Rhand zijn stoet omdraaide naar het midden van de stad, vroeg hij: ‘Heb je iets van hem gehoord?’
Nynaeve keek hem met samengeknepen ogen aan. ‘Van wie?’
‘Je weet wel wie,’ zei Rhand, die langs een rij felrode banieren aan huizen reed, elk met namen van telgen van dezelfde familie. ‘Zijn daden gaan je niet aan,’ zei Nynaeve.
‘De hele wereld gaat mij aan, Nynaeve.’ Hij keek haar aan. ‘Of vind je van niet?’
Ze deed haar mond open, ongetwijfeld om tegen hem te snauwen, maar ze aarzelde toen ze zijn blik ontmoette. Licht, dacht hij toen hij de ongerustheid in haar gezicht zag. Ik kan het nu ook al bij Nynaeve. Wat zien ze toch als ze naar me kijken? Die blik in haar ogen maakte hem bijna bang voor zichzelf.
‘Het komt wel goed met Lan,’ zei Nynaeve, en ze keek weg. ‘Hij is naar Malkier gereden, zeker?’
Ze bloosde.
‘Hoe lang nog?’ vroeg Rhand. ‘Hij is toch niet al in de Verwording?’ Vrij om te volgen wat hij zag als zowel zijn plicht als zijn lotsbestemming, zou Lan in zijn eentje rechtstreeks naar Malkier rijden. Het koninkrijk – zijn koninkrijk – was tientallen jaren geleden verteerd door de Verwording, toen hij nog maar pas geboren was. ‘Nog twee of drie maanden,’ zei ze. ‘Misschien wat langer. Hij rijdt naar Shienar om bij de Kloof te gaan staan, ook al moet hij dat alleen doen.’
‘Hij is uit op wraak,’ mompelde Rhand. ‘Om te wreken wat niet kan worden verdedigd.’
‘Hij doet zijn plicht!’ zei Nynaeve. ‘Maar... ik maak me wel zorgen over zijn driestheid. Hij stond erop dat ik hem naar de Grenslanden bracht, en dat heb ik gedaan, maar ik heb hem in Saldea achtergelaten. Ik wilde hem zo ver mogelijk bij de Kloof vandaan hebben. Hij zal lastig terrein moeten doorkruisen om op zijn bestemming te komen.’
Rhand voelde een ijzige kilte bij de gedachte aan Lan die naar de Kloof reed. Naar zijn dood, eigenlijk. Maar daar viel niets aan te doen. ‘Het spijt me, Nynaeve,’ zei hij, hoewel hij het niet voelde. Hij had de laatste tijd moeite om wat dan ook te voelen. ‘Denk je dat ik hem in zijn eentje zou sturen?’ snauwde ze. ‘Jullie zijn allebei dwazen! Ik heb ervoor gezorgd dat hij zijn eigen leger krijgt, ook al wil hij dat niet.’