En daar was ze inderdaad toe in staat. Misschien had ze in Lans naam een waarschuwing naar de rest van de Malkieri gestuurd. Lan was een vreemde mengeling; hij weigerde de banier van Malkier te voeren of zijn plek als koning op te eisen, want hij vreesde dat hij de laatste van zijn landgenoten naar hun dood zou leiden. En toch zou hij volkomen bereid zijn zelf de dood tegemoet te rijden in naam van de eer.
Is dat hetzelfde als wat ik doe? dacht Rhand. Naar mijn dood rijden in naam van de eer? Maar nee, dit is anders. Lan heeft een keus. Er waren geen Voorspellingen die zeiden dat Lan zou sterven, ongeacht wat de man zelf verder ook over zijn lot aannam. ‘Maar toch kan hij wel wat hulp gebruiken,’ zei Nynaeve schoorvoetend. Om hulp vragen maakte haar altijd onbehaaglijk. ‘Zijn leger zal niet groot zijn. Ik betwijfel of ze het lang zullen uithouden tegen de Trolloks.’
‘Gaat hij aanvallen?’ vroeg Rhand.
Nynaeve aarzelde. ‘Dat heeft hij niet gezegd,’ zei ze. ‘Maar ik denk van wel. Hij vindt dat je hier tijd verspilt, Rhand. Als hij daar aankomt en een leger verzamelt, en Trolloks aantreft bij Tarwins Kloof... ja, dan denk ik dat hij zal aanvallen.’
‘Dan verdient hij wat hij krijgt, omdat hij is uitgereden zonder de rest van ons,’ zei Rhand.
Nynaeve keek hem boos aan. ‘Hoe kun je dat nou zeggen?’
‘Ik moet wel,’ antwoordde Rhand zacht. ‘De Laatste Slag is ophanden. Misschien vindt mijn eigen aanval op de Verwording tegelijk plaats met die van Lan. Misschien niet.’ Hij zweeg peinzend. Als Lan en wat voor leger hij dan ook meebracht aanvielen bij de Kloof... dan zou dat misschien aandacht trekken. Als Rhand daar niet aanviel, zou het de Schaduw op het verkeerde been zetten. Hij kon hen aanvallen waar ze het niet verwachtten terwijl hun aandacht op Lan gericht was.
‘Ja,’ zei Rhand peinzend. ‘Zijn dood zou me inderdaad goed kunnen dienen.’
Nynaeves ogen werden groot van woede, maar Rhand negeerde haar. Een heel rustige plek, diep vanbinnen, was vreselijk ongerust over zijn vriend. Hij moest die ongerustheid negeren, het zwijgen opleggen. Maar het stemmetje fluisterde tegen hem. Hij noemde je zijn vriend. Laat hem niet in de steek... Nynaeve beheerste haar woede, en daar was Rhand van onder de indruk. ‘We hebben het hier nog wel over,’ zei ze kortaf. ‘Misschien als je de kans hebt gehad om eens goed na te denken over wat het zou betekenen als je Lan in de steek liet.’
Hij dacht graag aan Nynaeve als dezelfde strijdlustige Wijsheid die hem in Tweewater had gekoeioneerd. Ze had altijd de indruk gewekt te zeer haar best te doen, alsof ze bang was dat anderen haar titel zouden negeren vanwege haar jeugd. Maar ze was sindsdien erg gegroeid.
Ze kwamen bij de woonstede aan, waar vijftig soldaten van Bashere op wacht stonden voor de poorten. Ze brachten hem allemaal tegelijk een saluut toen Rhand tussen hen door reed. Hij kwam langs Aiel die buiten kampeerden, steeg af bij de stallen en verplaatste de toegangssleutel van de lus aan het zadel naar de grote zak in zijn jas – meer een buidel die aan de binnenkant van zijn jas was geknoopt – die was gemaakt voor het beeldje. De hand met de bol erin stak omhoog vanuit de diepte ervan.
Hij liep naar zijn troonzaal. Hij kon het niet anders meer noemen nu de koningstroon bij hem was gebracht. De troon was overdreven groot, met verguldsel en edelstenen op het hout van de armleuningen en in de rugleuning boven zijn hoofd. Ze staken uit als uitpuilende ogen en verleenden de troon een weelderige uitstraling die Rhand niet beviel. Hij had niet in het paleis gestaan; een van de plaatselijke kooplieden had de zetel ‘beschermd’ tegen de rellen. Misschien had hij ook overwogen de zetel in meer letterlijke zin in te vorderen. Rhand ging op de troon zitten, ondanks de protserigheid ervan, verschuivend zodat de sleutel in zijn zak hem niet in zijn zij prikte. De machtige lieden in de stad wisten niet zeker wat ze van hem moesten denken, en zo had hij het ook liever. Hij noemde zichzelf geen koning, maar zijn legers hadden de macht in de hoofdstad. Hij sprak erover dat hij Alsalam wilde terughalen, maar toch zat hij op de troon alsof hij er recht op had. Maar hij was niet in het paleis gaan wonen. Hij wilde dat ze bleven twijfelen.
Eigenlijk had hij nog geen besluit genomen. Er zou veel afhangen van de verslagen van vandaag. Hij knikte naar Rhuarc toen die binnenkwam; de gespierde Aielman beantwoordde het gebaar. Toen stond Rhand op van de troon en gingen hij en Rhuarc op het ronde kleed met spiraalvormige kleuren zitten, dat op de vloer voor de met groen tapijt bedekte verhoging lag. De eerste keer dat ze dit hadden gedaan, had dat nogal wat ophef veroorzaakt bij de Domaanse bedienden en ambtenaren van Rhands uitdijende hof. ‘We hebben er nog een gevonden en gevangengenomen, Rhand Altor,’ zei Rhuarc. ‘Alamindra Curten verborg zich op het land van haar nicht, nabij de noordelijke grens; wat we op haar landgoed ontdekten, leidde ons rechtstreeks naar haar toe.’ Dan had hij nu dus vier leden van de Koopliedenraad in hechtenis. ‘En Meashan Dubaris? Je zei dat je haar misschien ook had.’
‘Dood,’ zei Rhuarc. ‘Door een menigte, een week geleden.’
‘Weet je dat zeker? Het zou een leugen kunnen zijn om je van haar spoor af te brengen.’
‘Ik heb het lichaam zelf niet gezien,’ zei Rhuarc, ‘maar mannen die ik vertrouw wel, en die zeggen dat zij het is. Ik ben er vrij zeker van dat het spoor echt was.’
Vier gevangen en twee dood, dus. Dan moesten er nog vier worden gevonden voordat hij genoeg leden had om hun de opdracht te geven een nieuwe koning te kiezen. Het zou niet de meest ethische raadsverkiezing zijn in de Domaanse geschiedenis; waarom deed hij nog moeite? Hij kon een koning aanstellen of zich de troon zelf toeeigenen. Waarom maalde hij erom wat de Domani ervan vonden? Rhuarc keek naar hem; de ogen van de Aielhoofdman stonden peinzend. Hij vroeg zich waarschijnlijk dezelfde dingen af.
‘Blijf zoeken,’ zei Rhand. ‘Ik ben niet van plan Arad Doman zelf te houden. We vinden de rechtmatige koning, of anders verzamelen we de Koopliedenraad zodat zij een nieuwe kunnen kiezen. Het kan me niet schelen wie het wordt, zolang hij maar geen Duistervriend is.’
‘Zoals u zegt, Car’a’carn,’ zei Rhuarc, die wilde opstaan. ‘Orde is belangrijk, Rhuarc,’ zei Rhand. ‘Ik heb geen tijd om dit koninkrijk zelf zeker te stellen. We hebben niet lang meer voordat de Laatste Slag begint.’
Hij wierp een blik op Nynaeve, die zich had aangesloten bij enkele Speervrouwen achter in de kleine ruimte. ‘Ik wil voor het eind van de maand nog vier leden van de Koopliedenraad in hechtenis hebben.’
‘U legt ons een veeleisend tempo op, Rhand Altor,’ zei Rhuarc. Rhand stond op. ‘Zoek gewoon die kooplieden. Die mensen verdienen leiders.’
‘En de koning?’
Rhand keek opzij naar waar Milisair Chadmar stond, zorgvuldig in het oog gehouden door Aielwachters. Ze leek... gekweld. Haar voorheen zo weelderige ravenzwarte haar was in een knot gedraaid, mogelijk omdat het op die wijze eenvoudiger te verzorgen was. Haar gewaad was nog altijd kostbaar, maar nu gekreukeld, alsof ze het al te lang droeg. Haar ogen waren rood. Ze was nog steeds mooi, maar zoals een schilderij nog steeds mooi zou zijn als het verfrommeld was en daarna weer gladgestreken op een tafel.
‘Moge je water en schaduw vinden, Rhuarc,’ zei Rhand ten afscheid. ‘Moge u water en schaduw vinden, Rhand Altor.’ De lange Aiel trok zich terug, gevolgd door enkele van zijn Speren. Rhand haalde diep adem, stapte naar de opzichtige troon toe en ging zitten. Rhuarc behandelde hij met de eerbied die hij verdiende. De anderen... nou, die kregen ook de eerbied die ze verdienden.
Hij boog zich naar voren en wenkte Milisair naar zich toe. Een van de Speervrouwen gaf haar een por in de rug en dwong haar naar voren. De vrouw leek veel ongeruster dan de vorige keer dat ze voor Rhand was verschenen. ‘Nou?’ vroeg hij.