‘Drakenheer...’ begon ze, om zich heen kijkend alsof ze hulp zocht bij de Domaanse bedienden en huisbewaarders die daar stonden. Ze negeerden haar; zelfs die fatterige heer Ramshalan keek de andere kant op.
‘Spreek, vrouw,’ spoorde Rhand haar aan.
‘De boodschapper naar wie u vroeg,’ zei ze. ‘Hij is dood.’
Rhand haalde diep adem. ‘En hoe is dat gebeurd?’
‘De mannen die ik had opgedragen om hem te bewaken...’ zei ze snel. ‘Ik had niet beseft hoe slecht ze de boodschapper behandelden! Ze hadden hem al dagenlang geen water meer gegeven, en toen sloeg de koorts toe...’
‘Met andere woorden,’ zei Rhand, ‘je kon geen informatie van hem loskrijgen, dus heb je hem in een kerker laten rotten, en je herinnerde je pas waar hij zat toen ik eiste dat hij bij me werd gebracht.’
‘Car’a’carn,’ zei een van de Speervrouwen – een heel jonge vrouw die Jalani heette – terwijl ze naar voren stapte. ‘We hebben haar gesnapt bij het inpakken van haar spullen, alsof ze de stad wilde ontvluchten.’
Milisair verbleekte. ‘Drakenheer,’ zei ze. ‘Een ogenblik van zwakte! Ik...’
Rhand legde haar met een handgebaar het zwijgen op. ‘Wat moet ik nu met je doen?’
‘Ze moet worden terechtgesteld, heer!’ zei Ramshalan, die gretig naar voren stapte.
Rhand keek fronsend op. Hij had niet om een antwoord gevraagd. Ramshalan, een slungelige man met een smalle zwarte snor, had een opvallende neus die mogelijk wees op een Saldeaanse voorouder. Hij droeg een belachelijke jas in blauw, oranje en geel, en zijn witkanten mouwen staken eronder uit. Kennelijk gingen dergelijke dingen onder bepaalde hoge Domani voor stijlvol door. Zijn oorringen droegen het teken van zijn huis, en hij had een zwarte moedervlek in de vorm van een vliegende vogel op zijn wang geplakt. Rhand had vele mannen zoals hij gekend: hovelingen met te weinig hersens en te veel familiebanden. Ze schenen voort te komen uit het adellijke leven, zoals er in Tweewater schapen werden gefokt. Ramshalan was extra ergerlijk, vanwege zijn nasale stem en zijn gretige bereidheid anderen te verraden in zijn verlangen om bij Rhand in de gunst te komen.
Maar toch hadden mannen zoals hij ook zo hun nut. Af en toe. ‘Wat vind jij, Milisair?’ zei Rhand peinzend. ‘Moet ik je laten terechtstellen voor verraad, zoals deze man voorstelt?’
Ze huilde niet, maar ze was overduidelijk doodsbang. Haar handen trilden toen ze die uitstak en haar ogen waren groot en starend. ‘Nee,’ zei Rhand uiteindelijk. ‘Ik heb je hulp nodig bij het kiezen van een nieuwe koning. Wat heeft het voor zin om stad en land af te speuren naar je mederaadsleden als ik de raadsleden die ik al heb gevonden meteen terechtstel?’
Ze liet de adem ontsnappen die ze had ingehouden, en de spanning trok weg uit haar schouders.
‘Gooi haar in de kerker waar ze de boodschapper van de koning had opgesloten,’ zei Rhand tegen de Speervrouwen. ‘Zorg dat haar niet hetzelfde lot overkomt. Althans, niet voordat ik klaar met haar ben.’ Milisair slaakte een kreet van wanhoop. Speervrouwen trokken haar gillend de kamer uit, maar Rhand had haar alweer uit zijn hoofd gezet. Ramshalan keek haar tevreden na; kennelijk had ze hem een paar keer in het openbaar beledigd. Dat was iets wat vóór haar sprak. ‘De andere leden van de Koopliedenraad,’ zei Rhand tegen de ambtenaren. ‘Heeft iemand van hen contact gehad met de koning?’
‘Niets recenter dan vier of vijf maanden geleden, heer,’ zei een van hen; een gedrongen, dikbuikige Domaanse man genaamd Noreladim. ‘Hoewel we het niet weten van Alamindra, want zij is pas kortgeleden... ontdekt.’
Misschien had zij nieuws, hoewel hij niet verwachtte dat ze een betere aanwijzing had dan een boodschapper die had beweerd van Alsalam zelf te komen. Het Licht brande die vrouw omdat ze hem had laten sterven!
Als Graendal die boodschapper had gestuurd, zei Lews Therin ineens, dan zou ik hem nooit hebben kunnen breken. Ze is te goed met Wilsdwang. Sluw, o zo sluw.
Rhand weifelde. Daar zei hij wat. Als de boodschapper onderworpen was aan Graendals Wilsdwang, dan was er weinig kans dat hij in staat zou zijn geweest haar verblijfplaats te verraden. Behalve als het web van Wilsdwang was opgeheven, en daarvoor zou een Heling nodig zijn geweest die Rhands vaardigheden te boven ging. Graendal had haar sporen altijd goed verborgen. Maar hij wist niet zeker of ze in het land was. Als hij een boodschapper kon vinden en er was Wilsdwang aanwezig, dan wist hij genoeg. ‘Ik moet iedereen spreken die nog beweert een boodschap van de koning te hebben,’ zei hij. ‘Anderen in de stad die misschien contact met hem hebben gehad.’
‘Die zullen we vinden, Drakenheer,’ beloofde de nuffige Ramshalan. Rhand knikte verstrooid. Als Naeff de ontmoeting met de Seanchanen regelde zoals hij hoopte, dan zou Rhand kort daarna Arad Doman moeten verlaten. Hij hoopte dat hij hen kon achterlaten met een koning, hoopte dat hij Graendal kon vinden en doden. Maar hij zou genoegen nemen met vrede met de Seanchanen en voedsel voor deze mensen. Hij kon niet ieders problemen oplossen. Hij kon hen alleen maar dwingen lang genoeg te gehoorzamen zodat hij kon sterven in Shayol Ghul. En daarmee de wereld ruimte geven om opnieuw te breken zodra hij er niet meer was. Hij knarste met zijn tanden. Hij had al te veel tijd verspild aan piekeren over dingen die hij niet kon oplossen.
Is dat waarom ik het benoemen van een Domaanse koning uitstel? dacht hij. Zodra ik sterf, zou die man zijn gezag verliezen en zou Arad Doman weer terug bij af zijn. Als ik geen koning achterlaat die de steun heeft van de kooplieden, dan lever ik in feite het koninkrijk uit aan de Seanchanen zodra ik sterf.
Zoveel dingen om in evenwicht te brengen. Zoveel problemen. Hij kon ze niet allemaal oplossen. Dat was onmogelijk.
‘Ik keur dit af, Rhand,’ zei Nynaeve, die met over elkaar geslagen armen bij de deur stond. ‘En we zijn ook nog niet uitgepraat over Lan.’
Rhand maakte een wegwerpgebaar.
‘Hij is je vriend, Rhand,’ zei Nynaeve. ‘Licht! En hoe zit het met Perijn en Mart? Weet je waar ze zijn? Wat er met hen is gebeurd?’ De kleuren wervelden voor zijn ogen en onthulden een beeld van Perijn die samen met Galad bij een tent stond. Waarom was Perijn nu juist bij Galad? En wanneer had Elaynes halfbroer zich aangesloten bij de Witmantels? De kleuren veranderden en toonden hem Mart, die door de straten van een bekende stad reed. Caemlin? Thom was bij hem.
Rhand fronste in zichzelf. Hij voelde een trekkracht van Perijn en Mart uitgaan, allebei ver weg. Het kwam door hun ta’veren-aard, die probeerde hen naar elkaar toe te trekken. Ze moesten allebei bij hem zijn voor de Laatste Slag.
‘Rhand?’ vroeg Nynaeve. ‘Geef je geen antwoord?’
‘Over Perijn en Mart?’ vroeg Rhand. ‘Ze leven nog.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik weet het gewoon.’ Hij zuchtte hoofdschuddend. ‘En ze kunnen maar beter in leven blijven. Ik zal ze allebei nog nodig hebben voordat dit voorbij is.’
‘Rhand!’ riep ze. ‘Ze zijn je vrienden!’
‘Ze zijn draden in het Patroon, Nynaeve,’ zei hij terwijl hij opstond. ‘Ik ken ze amper nog, en ik vermoed dat ze hetzelfde over mij zouden zeggen.’
‘Geef je dan niet om hen?’
‘Om hen geven?’ Rhand liep de treden van de verhoging met zijn troon af. ‘Waar ik om geef, is de Laatste Slag. Waar ik om geef, is vrede sluiten met die door het Licht vervloekte Seanchanen, zodat ik me niet langer druk hoef te maken om hun geruzie en me aan de echte strijd kan wijden. Naast die zorgen stellen twee jongens uit mijn dorpje weinig voor.’ Hij keek haar uitdagend aan. Ramshalan en de andere bedienden gingen stilletjes achteruit, want ze wilden niet vast komen te zitten tussen zijn blik en Nynaeve.
Ze zweeg, hoewel er diepe droefheid op haar gezicht verscheen. ‘O Rhand,’ zei ze uiteindelijk. ‘Je kunt zo niet doorgaan. Die hardheid in je zal je breken.’
‘Ik doe wat ik moet doen,’ zei hij, terwijl de woede hem bekroop. Zouden ze dan nooit ophouden met klagen over zijn keuzes? ‘Dit is niet wat je moet doen, Rhand,’ zei ze. ‘Je vernietigt jezelf. Je zult...’