Rhands woede kwam boven. Hij draaide zich om en wees naar haar. ‘Wil je verbannen worden net als Cadsuane, Nynaeve?’ brulde hij. ‘Ik laat niet met me sollen! Daar ben ik klaar mee. Geef me raad als ik erom vraag, maar probeer me verder niet te bevoogden!’ Ze deinsde achteruit, en Rhand knarsetandde en dwong de woede weer omlaag. Hij liet zijn hand zakken en besefte dat die instinctief op weg was geweest naar de toegangssleutel in zijn zak. Nynaeves grote ogen waren erop gericht, en hij dwong langzaam zijn hand weg bij het beeldje.
De uitbarsting verraste hem. Rhand had gedacht dat hij zijn woede beheerste. Hij dwong het omlaag, en daar had hij verbazingwekkend veel moeite mee. Hij wendde zich af, beende naar de deur en gooide die open, gevolgd door zijn Speervrouwen. ‘Vandaag ontvang ik niemand meer,’ zei hij tegen de bedienden die hem wilden volgen. ‘Ga doen wat ik jullie heb opgedragen! Ik heb de andere leden van de Koopliedenraad nodig. Vertrek!’ Ze verspreidden zich. Alleen de Aiel bleven over, om hem te bewaken terwijl hij naar de kamers liep die hij in de woonstede had betrokken.
Nog een tijdje. Hij hoefde alles nog maar een tijdje in evenwicht te houden. Dan mocht het eindigen. En hij merkte dat hij evenzeer naar dat einde begon uit te kijken als Lews Therin. Je had beloofd dat we konden sterven, zei Lews Therin tussen gedempte snikken door.
Dat klopt, zei Rhand. En dat gaan we ook doen.
32
Rivieren van schaduw
Nynaeve stond op de brede muur rondom Bandar Eban, uitkijkend over de donkere stad. De muur bevond zich aan de landinwaartse zijde van de stad, maar Bandar Eban was gebouwd op een helling, dus kon ze eroverheen kijken, langs de stad naar de oceaan erachter. De nachtmist kwam aanrollen over het water en hing boven een spiegelgladde, zwarte zee. Het leek wel een weerspiegeling van de wolken hoog erboven. Die wolken gloeiden met een spookachtig paarlemoeren licht, afkomstig van een maan die ze niet kon zien.
De mist bereikte de stad niet; dat gebeurde maar zelden. Hij hing kolkend boven de oceaan, als de schim van een bosbrand, tegengehouden door een ongeziene versperring.
Ze voelde de storm in het noorden nog steeds. Hij riep haar op om door de straten te rijden en waarschuwingen te roepen. Vlucht naar de kelders! Hamster voedsel, want er nadert onheil! Helaas zouden aangestampte aarde of versterkte muren niet helpen tegen deze storm. Deze was van een heel andere soort.
De oceaanmist kondigde vaak veel wind aan, en vanavond was geen uitzondering. Ze trok haar stola dicht om zich heen en rook zout in de lucht. Het vermengde zich met de onvermijdelijke geuren van een overvolle stad. Afval, opeengepakte lichamen, roet en rook een ren en fornuizen. Ze miste Tweewater. De wind was daar koud in de winter, maar wel altijd fris. De wind in Bandar Eban voelde altijd een beetje tweedehands aan.
Er zou nooit meer een plek voor haar zijn in Tweewater. Ze wist dat, hoewel het wel stak. Ze was een Aes Sedai, en dat was nu belangrijker voor haar dan het ooit was geweest om een Wijsheid te zijn.
Met de Ene Kracht kon ze mensen Helen op een wijze die nog altijd een wonder leek. En met het gezag van de Witte Toren achter haar was ze een van de machtigste mensen ter wereld, alleen geëvenaard door andere zusters en af en toe een monarch. En wat monarchen aanging, zijzelf was getrouwd met een koning. Hij had dan misschien geen koninkrijk, maar Lan was wel koning. In ieder geval voor haar. Het leven in Tweewater zou hem niet bevallen. En haar eigenlijk ook niet. Dat eenvoudige leven – ooit alles wat ze zich had kunnen voorstellen – zou nu saai zijn en geen voldoening schenken.
Toch was het moeilijk om niet te mijmeren, vooral wanneer ze naar de nachtelijke mist keek.
‘Daar,’ zei Merise, haar stem gespannen. Zij stond samen met Cadsuane en Corele naar de andere kant te kijken; niet naar het zuidwesten over de stad en de oceaan, maar naar het oosten. Nynaeve had bijna besloten niet met de groep mee te gaan, want ze twijfelde er eigenlijk niet aan dat Cadsuane haar deels de schuld gaf voor haar verbanning. Maar het vooruitzicht van het zien van verschijningen was te verlokkelijk geweest.
Nynaeve wendde zich af van de stad en liep over de muur naar de anderen toe. Corele wierp een blik op haar, maar Merise en Cadsuane negeerden haar. Dat paste Nynaeve wel. Hoewel het haar wel bleef dwarszitten dat Corele – van de Gele Ajah – zo terughoudend was in haar aanvaarding van Nynaeve. Corele was vriendelijk, troostrijk, maar streng onverbiddelijk in haar weigering om toe te geven dat Nynaeve ook lid was van de Gele. Nou, ze zou van standpunt moeten veranderen zodra Egwene de Witte Toren in handen had.
Nynaeve tuurde tussen de kantelen op de muur door en bekeek het donkere landschap buiten de stad. Vaag zag ze de resten van de sloppenwijken die tot voor kort tegen de muren aan waren gebouwd. Door de gevaren – sommige echt, andere overdreven – op het platteland hadden de meeste vluchtelingen zich op de stadsstraten verdrongen. De omgang met hen, en de ziekten en honger die ze met zich meebrachten, eiste nog altijd veel van Rhands tijd op. Voorbij die vertrapte sloppenwijk waren alleen struiken, kromgegroeide bomen en een beschaduwd stuk kapot hout dat misschien een wagenwiel was geweest. De akkers waren kaal. Omgeploegd en ingezaaid, maar nog steeds kaal. Licht! Waarom groeiden de gewassen niet meer? Waar moesten ze de komende winter voedsel vandaan halen?
Maar dat was niet waar ze op het ogenblik naar zocht. Wat had Merise gezien? Waar...
Toen zag Nynaeve het. Als een flard oceaanmist dreef er een vlekje gloeiend licht boven de grond. Het groeide, opbollend als een stormwolkje, stralend van een paarlemoeren licht dat wel wat op de wolken erboven leek. Het vormde zich om tot de gestalte van een lopende man. Toen ontsproten er nog meer gestalten aan die lichtgevende nevel. Binnen enkele ogenblikken beende er een gloeiende stoet over de donkere grond, lopend met ingehouden snelheid. Nynaeve huiverde, maar toen berispte ze zichzelf streng. Het waren dan misschien de geesten van de doden, maar op deze afstand vormden ze geen gevaar. Hoe ze echter ook haar best deed, het kippenvel op haar armen bleef.
De stoet was te ver weg om veel bijzonderheden te kunnen zien. Er liepen zowel mannen als vrouwen in de rij, gehuld in gloeiende kleding die wapperde en trilde als de banieren in de stad. De verschijningen hadden geen kleur en waren alleen maar bleek, anders dan de meeste geesten die de laatste tijd waren verschenen. Deze bestonden uitsluitend uit een merkwaardig, buitenwerelds licht. Enkele gestalten in de groep – die nu uit ongeveer tweehonderd leden bestond – droegen een groot voorwerp. Een soort draagstoel? Of... nee. Het was een doodskist. Was dit dan een begrafenisstoet van lang geleden? Wat was er met die mensen gebeurd, en waarom waren ze teruggekomen naar de wereld van de levenden? Volgens geruchten in de stad was de stoet voor het eerst verschenen op de avond nadat Rhand in Bandar Eban aankwam. De wachters op de muren, die waarschijnlijk het meest betrouwbaar waren, hadden dat onbehaaglijk aan haar bevestigd.
‘Ik zie geen reden voor zoveel ophef,’ zei Merise met haar Taraboonse tongval terwijl ze haar armen over elkaar sloeg. ‘Geesten, daar zijn we toch inmiddels allemaal wel aan gewend? Deze zorgen er in ieder geval niet voor dat mensen smelten of in brand vliegen.’ Meldingen in de stad wezen erop dat er steeds meer ‘voorvallen’ waren. In de afgelopen paar dagen had Nynaeve onderzoek gedaan naar zeker drie geloofwaardige verslagen van mensen bij wie insecten uit hun huid waren gebarsten, waaraan ze waren overleden. En dan was er nog een man geweest die op een ochtend volledig verkoold in zijn bed was aangetroffen, hoewel zijn lakens niet verschroeid waren. Ze had dat lichaam zelf gezien.
Die voorvallen werden niet veroorzaakt door geesten, maar de mensen waren er de verschijningen wel de schuld van gaan geven. Beter dan dat ze Rhand de schuld gaven, nam Nynaeve aan. ‘Dit wachten in de stad, het is frustrerend,’ vervolgde Merise. ‘Onze tijd in de stad lijkt inderdaad vruchteloos,’ beaamde Corele. ‘We moeten eigenlijk verder. Je hebt gehoord dat hij zegt dat de Laatste Slag ophanden is.’