Nynaeve voelde een steek van ongerustheid om Lan, en toen woede jegens Rhand. Hij dacht nog steeds dat als hij zijn aanval tegelijk met Lans aanval op Tarwins Kloof kon laten plaatsvinden, hij zijn vijanden kon verwarren. Lans aanval kon heel goed het begin zijn van de Laatste Slag. Waarom wilde Rhand dan geen troepen toewijzen om hem te helpen?
‘Ja,’ zei Cadsuane peinzend, ‘hij heeft waarschijnlijk gelijk.’ Waarom hield ze die kap op? Rhand was nergens in de buurt. ‘Dan hebben we allemaal des te meer reden om verder te trekken,’ zei Merise streng.
‘Rhand Altor, dat is een dwaas! En Arad Doman doet er niet toe. Koning of geen koning, wat maakt het uit?’
‘De Seanchanen zijn niet onbelangrijk,’ zei Nynaeve snuivend. ‘Wat denk je? Wil je dat wij naar de Verwording trekken en onze koninkrijken kwetsbaar achterlaten voor indringers?’ Merise reageerde niet. Corele glimlachte en haalde haar schouders op, en toen keek ze naar Damer Flin, die met gekruiste armen tegen de muur achter hen leunde. De achteloze houding van de getaande oude man wees erop dat hij de geesten niets bijzonders vond. En tegenwoordig waren ze dat misschien ook wel niet. Nynaeve keek weer naar de geestenstoet, die in een boog om de stadsmuur liep. De andere Aes Sedai hervatten hun gesprek, en Merise en Corele namen de kans waar om op hun eigen wijze – de een stug, de ander minzaam – hun ongenoegen over Rhand te uiten. Nynaeve kreeg de neiging hem te verdedigen. Hoewel hij de laatste tijd lastig en grillig was, had hij belangrijk werk te doen in Arad Doman. De ontmoeting met de Seanchanen in Falme zou binnenkort plaatsvinden. Verder had Rhand gelijk dat hij zich zorgen maakte over de bezetting van de Domaanse troon. En stel dat Graendal echt hier was, zoals hij scheen te denken? De anderen dachten dat hij het mis had over de Verzaker, maar Rhand had in bijna elk ander koninkrijk Verzakers ontdekt. Waarom dan niet in Arad Doman? Een vermiste koning en een land vol verwarring, hongersnood en ellende? Dat klonk juist naar het soort problemen dat je zou aantreffen in de buurt van een Verzaker.
De anderen praatten verder. Nynaeve wilde vertrekken, maar toen zag ze dat Cadsuane naar haar keek. Nynaeve aarzelde en wendde zich naar de vrouw in haar mantel. Cadsuanes gezicht was amper zichtbaar in het fakkellicht, maar Nynaeve ving een grimas op in de schaduwen, alsof Cadsuane ontstemd was over de klachten van Merise en Corele. Nynaeve en Cadsuane staarden elkaar een tijdje aan, en toen knikte Cadsuane kort. De oudere Aes Sedai draaide zich om en liep weg, midden tijdens een van Merises preken over Rhand. De andere Aes Sedai haastten zich om haar in te halen. Waar was die blik voor geweest? Cadsuane had de gewoonte andere Aes Sedai te behandelen alsof ze minder eerbied waard waren dan een muilezel. Het leek wel alsof ze de rest van hen als kinderen zag. Maar ach, gezien de manier waarop veel Aes Sedai zich de laatste tijd gedroegen...
Fronsend vertrok Nynaeve in de andere richting en groette de wachters op de muur. Die knik van Cadsuane kon onmogelijk uit eerbied zijn geweest. Cadsuane was daar veel te zelfingenomen en hooghartig voor.
Dus wat moest ze nu met Rhand aan? Hij wilde geen hulp van Nynaeve – of van wie dan ook – maar dat was niets nieuws. Hij was koppig als een schaapherder uit Tweewater, en zijn vader was al bijna even erg geweest. Dat had Nynaeve de Wijsheid nooit tegengehouden, dus zou het Nynaeve de Aes Sedai zeker niet weerhouden. Ze had geruzied met Kopins and Kongars; ze kon hetzelfde doen bij die opgeblazen Rhand Altor. Ze nam zich al half voor om naar zijn nieuwe ‘paleis’ te benen en hem eens flink de waarheid te zeggen. Alleen... Rhand Altor was geen Kopin of Kongar. De koppige mensen in Tweewater hadden niet die merkwaardig dreigende uitstraling van Rhand gehad. Nynaeve had al eerder te maken gehad met gevaarlijke mannen. Haar eigen Lan was even gevaarlijk als een jagende wolf en kon net zo prikkelbaar zijn, ook al was hij er goed in dat voor de meeste mensen te verbergen. Maar hoe dreigend en intimiderend Lan ook kon zijn, hij zou nog eerder zijn eigen hand afhakken dan die heffen om haar iets aan te doen.
Rhand was anders. Nynaeve kwam bij de trap langs de muur aan en liep die af, waarbij ze het voorstel van een wachter wegwuifde om een van hen als geleide mee te nemen. Het was avond en er waren veel vluchtelingen op pad, maar zij was niet bepaald weerloos. Ze pakte echter wel een lantaarn aan van een andere wachter. Het gebruik van de Ene Kracht om licht te maken zou de voorbijgangers onbehaaglijk maken.
Rhand. Ooit had ze gedacht dat hij even zachtaardig was als Lan. Zijn vastberadenheid om vrouwen te beschermen was bijna lachwekkend onschuldig geweest. Die Rhand was er niet meer. Nynaeve zag het ogenblik weer voor zich waarop hij Cadsuane had verbannen. Ze had oprecht geloofd dat hij Cadsuane zou doden als hij haar gezicht weer zou zien, en terugdenken aan die gebeurtenis gaf haar nog altijd de rillingen. Het was vast haar verbeelding geweest, maar het leek wel alsof het op dat ogenblik aanzienlijk donkerder was geworden in de kamer, alsof er een wolk voor de zon langs was gekomen. Rhand Altor was onvoorspelbaar geworden. Zijn woede-uitbarsting tegen Nynaeve zelf, een paar dagen eerder, was daar weer een voorbeeld van. Natuurlijk zou hij haar nooit verbannen of bedreigen, ondanks wat hij had gezegd. Zo hard was hij niet. Toch? Ze kwam onder aan de stenen trap aan en liep over een loopplank besmeurd met modder. Ze trok haar stola dichter om zich heen. Mensen zaten opeengepakt aan de overkant van de straat. De ingangen van winkels en stegen daar boden beschutting tegen de wind. Ze hoorde een kind hoesten bij een van de groepen. Ze verstijfde, en hoorde het hoesten toen weer. Het klonk niet goed. Mompelend stak ze over en perste zich tussen de vluchtelingen door, met haar lantaarn omhoog om de ene na de andere groep slaperige mensen te verlichten. Veel van hen hadden de koperkleurige huid van Domani, maar er was ook een vrij groot aantal Taraboners bij. En... waren dat Saldeanen? Dat was onverwacht.
De meeste vluchtelingen lagen onder sleetse dekens naast hun karige bezittingen. Een pan hier, een sprei daar. Een jong meisje had een kleine lappenpop die ooit ongetwijfeld mooi was geweest, maar die nu een arm kwijt was. Rhand was beslist goed in het onderwerpen van landen, maar zijn koninkrijken hadden meer nodig dan alleen uitgedeeld graan. Ze hadden evenwichtigheid nodig, en ze hadden iets – iemand – nodig waarop ze konden vertrouwen. Rhand werd steeds slechter in het bieden van dat laatste.
Wie had er gehoest? Maar weinig vluchtelingen spraken tegen haar, en ze wilden ook niet graag haar vragen beantwoorden. Toen ze de jongen eindelijk vond, was ze meer dan een beetje geërgerd. Zijn ouders hadden hun bed gemaakt in de ruimte tussen twee houten winkelpanden, en toen Nynaeve naderde stond de vader op om haar tegen te houden. Hij was een verlopen Domani met een donkere, ruige baard en een dichte snor die misschien ooit volgens gebruik van de Domani geknipt was geweest. Hij droeg geen jas, en zijn hemd hing bijna aan flarden.
Nynaeve staarde hem aan met de blik waar ze al lang voordat ze een Aes Sedai werd bedreven in was. Eerlijk, mannen konden zo dom zijn! Zijn zoon was misschien wel stervende, en toch hield hij een van de weinige mensen in de stad tegen die konden helpen. Zijn vrouw was verstandiger, zoals meestal het geval was. Ze legde haar hand op het been van haar man zodat hij omlaag keek. Eindelijk wendde hij zich met wat zacht gemompel af.
Het gezicht van de vrouw was door het vuil moeilijk te zien. Er zaten sporen van tranen door de vegen op haar wangen; ze had kennelijk een paar zware nachten achter de rug.
Nynaeve knielde neer – waarbij ze de vader negeerde – en trok de deken weg van het kind in de armen van de vrouw. Hij was mager en bleek, en zijn oogleden gingen koortsachtig trillend open. ‘Hoe lang hoest hij al?’ vroeg Nynaeve, die een paar pakjes kruiden uit de buidel aan haar riem haalde. Ze had niet veel, maar het zou moeten voldoen.