Выбрать главу

‘Een week al, vrouwe,’ antwoordde de vrouw. Nynaeve klakte geërgerd met haar tong en wees naar een tinnen beker. ‘Vul die,’ snauwde ze tegen de vader. ‘U hebt geluk dat de jongen de witte rillingen nog zo lang heeft overleefd; zonder tussenkomst zou hij de ochtend waarschijnlijk niet halen.’ Ondanks zijn eerdere weerzin gehoorzaamde de vader snel en vulde de beker bij een vat dat in de buurt stond. Er was hier dankzij de vele regen gelukkig in ieder geval geen gebrek aan water. Nynaeve pakte de beker aan en mengde er de acem en koortsweer doorheen, en toen weefde ze een draadje Vuur en verwarmde het water. Het begon een beetje te dampen, en de vader mompelde nog wat. Nynaeve schudde haar hoofd; ze had altijd gehoord dat de Domani pragmatische mensen waren als het op het gebruik van de Ene Kracht aankwam. De onrust in de stad moest hen echt raken. ‘Drinken,’ zei ze tegen de jongen, knielend terwijl ze alle vijf de Krachten samenvoegde in een ingewikkelde weving van Heling die ze intuïtief gebruikte. Haar vermogen had indruk gemaakt op sommige andere Aes Sedai, maar van anderen had het haar minachting opgeleverd. Hoe dan ook, haar methode werkte, ook al kon ze niet uitleggen hoe ze het deed. Dat was een van de zegeningen en de vloeken van het feit dat ze een wilder was; vanuit haar intuïtie was zij in staat tot dingen die andere Aes Sedai slechts met moeite onder de knie kregen. Maar sommige slechte gewoonten vond Nynaeve moeilijk af te leren.

Hoewel de jongen verdwaasd was, reageerde hij wel op de beker tegen zijn lippen. Haar Helende weving vleide zich over hem heen terwijl hij dronk, en hij verstijfde en zoog scherp zijn adem naar binnen. De kruiden waren niet noodzakelijk, maar ze zouden hem kracht geven na de uitputtende Heling. Ze had haar gewoonte afgelegd om altijd kruiden te gebruiken bij het Helen, maar ze vond nog steeds dat ze hun toepassing en nut hadden.

De vader knielde dreigend neer, maar Nynaeve zette haar vingertoppen tegen zijn borst en duwde hem achteruit. ‘Geef dat kind een beetje lucht.’

De jongen knipperde met zijn ogen en Nynaeve zag het bewustzijn daarin terugkeren. Hij huiverde zwakjes. Nynaeve Schouwde in hem om te bepalen hoe goed de Heling had gewerkt. ‘De koorts is geweken,’ zei ze knikkend. Ze stond op en liet de Ene Kracht los. ‘Hij heeft de komende paar dagen goed voedsel nodig; ik zal jullie vertellen hoe jullie bij de havenmeester moeten komen, waar jullie extra rantsoenen kunnen krijgen. Verkoop het voedsel niet, want dat zal me ter ore komen, en dan word ik boos. Is dat begrepen?’ De vrouw keek beschaamd omlaag. ‘We zouden nooit...’

‘Ik neem niets meer zomaar aan,’ zei Nynaeve. ‘Hoe dan ook, hij komt er wel weer bovenop, als jullie doen wat ik zeg. Geef hem vanavond de rest van dat drankje, slokje voor slokje als het moet. Als de koorts terugkomt, breng hem dan bij me in het paleis van de Draak.’

‘Ja, vrouwe,’ zei de vrouw terwijl haar man neerknielde en glimlachend de jongen in zijn armen nam. Nynaeve pakte haar lantaarn. ‘Vrouwe,’ zei de vrouw. ‘Dank u.’

Nynaeve draaide zich weer om. ‘Jullie hadden hem dagen geleden al bij me moeten brengen. Het kan me niet schelen wat voor dwaas bijgeloof de mensen verspreiden, de Aes Sedai zijn niet jullie vijanden. Als jullie mensen kennen die ziek zijn, moedig ze dan aan om ons te bezoeken.’

De vrouw knikte, en de man bood een terechtgewezen aanblik. Nynaeve beende de steeg uit en de donkere straat weer op, langs mensen die naar haar keken met een mengeling van ontzag en afgrijzen. Dwaze mensen! Lieten ze hun kinderen liever sterven dan ze te laten Helen?

Terug op straat probeerde Nynaeve te kalmeren. Het oponthoud had haar niet veel tijd gekost, en – in ieder geval vanavond – tijd had ze meer dan genoeg. Ze had niet veel geluk in haar omgang met Rhand. Haar enige troost was dat Cadsuane het er nog slechter van af had gebracht als zijn raadsvrouwe.

Hoe ging je om met een schepsel als de Herrezen Draak? Nynaeve wist dat de oude Rhand daar nog ergens binnen in hem zat. Hij was gewoon zo vaak geschopt en geslagen dat hij zich had verstopt en zijn strengere versie de touwtjes in handen had gegeven. Hoe het haar ook stak om het toe te geven, hem onder druk zetten zou gewoon niet werken. Maar hoe moest ze hem zover krijgen dat hij deed wat hij moest doen, aangezien hij te koppig was om in te gaan op wat aansporing?

Nynaeve bleef staan, en haar lantaarn verlichtte een verlaten straat voor haar. Er was één iemand die met Rhand had kunnen samenwerken en hem tegelijkertijd had kunnen onderwijzen en opleiden. Het was niet Cadsuane geweest, of een van de Aes Sedai die hadden geprobeerd hem gevangen te nemen, te misleiden of te intimideren. Het was Moiraine geweest.

Nynaeve liep door. In de laatste maanden van haar leven had de Blauwe zuster zo ongeveer gekropen voor Rhand. Om hem zover te krijgen dat hij haar aanstelde als zijn raadsvrouw had ze erin toegestemd zijn bevelen te gehoorzamen en hem alleen raad te geven wanneer hij daarom vroeg. Wat had je aan raad wanneer je het alleen kreeg wanneer je erom vroeg? Mensen hadden juist de grootste behoefte aan goede raad die ze niet wilden horen! Maar Moiraine was in haar opzet geslaagd. Via haar was Rhand over zijn afkeer van de Aes Sedai heen gekomen. Zonder Rhands uiteindelijke aanvaarding van Moiraine zou Cadsuane waarschijnlijk nooit zijn raadsvrouw zijn geworden.

Nou, Nynaeve was niet van zins zich hetzelfde op te stellen bij Rhand Altor, hoeveel mooie titels hij ook had. Maar ze kon wel iets leren van Moiraines welslagen. Misschien had Rhand naar Moiraine geluisterd omdat hij gevleid was door haar onderworpenheid, of misschien was hij het gewoon beu dat iedereen hem steeds probeerde te beïnvloeden. Rhand had veel van dergelijke mensen om zich heen. Dat moest hem frustreren, en ze maakten Nynaeves taak ook een stuk moeilijker, aangezien zij degene was naar wie hij echt moest luisteren.

Kon het zijn dat hij haar beschouwde als gewoon een van de vele onbelangrijke konkelaarsters? Ze zag hem er wel voor aan. Ze moest hem laten inzien dat ze naar dezelfde doeleinden toewerkten. Ze wilde hem niet opdragen wat hij moest doen; ze wilde alleen dat hij ophield zich als een dwaas te gedragen. En daarnaast wilde ze gewoon dat hij veilig was. Ze zou ook graag zien dat hij een leider was die de mensen eerbiedigden, niet een die de mensen vreesden. Hij scheen niet te begrijpen dat het pad dat hij bewandelde dat van een tiran was.

Koning zijn was eigenlijk niet zo heel anders dan burgemeester van Tweewater zijn. De burgemeester moest zorgen dat de mensen hem hoogachtten en aardig vonden. De Wijsheid en de vrouwenkring konden de lastige taken verrichten, zoals mensen straffen die hun boekje te buiten waren gegaan. De burgemeester moest echter geliefd zijn. Dat zorgde voor een beschaafde en veilige stad. Maar hoe moest ze Rhand dat laten inzien? Ze kon hem niet dwingen; ze moest op een andere manier zorgen dat hij naar haar luisterde. In gedachten vormde ze een plan van aanpak. Tegen de tijd dat ze bij de woonstede aankwam, wist ze ongeveer wat ze moest doen. De poort naar de woonstede werd bewaakt door Saldeanen. De Aiel bleven liever dichter bij Rhand en bewaakten de kamers en gangen in het huis zelf. Haster Nalmat, de dienstdoende officier, maakte een buiging voor Nynaeve toen ze naderde; sommige mensen wisten nog steeds hoe je Aes Sedai moest behandelen. Het terrein achter de poort was sierlijk en gecultiveerd. Nynaeves lantaarn wierp vreemde schaduwen op het gras toen het licht ervan door bomen scheen die in de vorm van denkbeeldige dieren waren gesnoeid. De schaduwen bewogen mee met haar lantaarn, en de fantoomvormen lengden en smolten samen met de diepere duisternis van de nacht. Als rivieren van schaduw.

Een grotere groep Saldeaanse soldaten stond op wacht voor de woonstede; veel meer dan noodzakelijk. Overal waar mannen op wacht stonden, kwamen vaak hun vrienden naartoe, ongetwijfeld om te roddelen. Nynaeve beende naar de groep toe, waarop enkelen van hen die lui tegen de pilaren van het huis leunden snel hun rug rechtten.

‘Wie van jullie hebben hier nu dienst?’ vroeg ze.

En inderdaad, slechts drie van de negen soldaten staken hun hand op en keken wat schaapachtig. ‘Uitstekend,’ zei Nynaeve, die haar lantaarn aan een van hen gaf. ‘Jullie drie komen met mij mee.’ Ze beende het huis in, terwijl de drie soldaten zich achter haar aan haastten.