Выбрать главу

Het was al laat – de geestenstoet was pas om middernacht verschenen – en iedereen in huis sliep. De grote kroonluchter in de toegangshal was gedoofd en de gangen waren donker. Vertrouwend op haar geheugen koos ze een richting. De witbepleisterde wanden waren hier even onberispelijk als in andere delen van het huis, maar ze waren onversierd. Haar instinct bleek juist toen ze al snel in een kleine keuken aankwam, waar bedienden schotels met voedsel konden opmaken voordat ze die naar de eetzaal brachten. De gang die ze had gekozen leidde naar de zitkamers van de woonstede; een andere gang achterin voerde naar de keukens.

De kamer was voorzien van een grote, stevige houten tafel en een paar hoge krukken. Die werden bezet door een groep dobbelende mannen gekleed in groene en witte linnen hemden – de livrei van Milisairs huis – en stevige werkbroeken.

Ze keken geschrokken op toen Nynaeve binnenkwam. Een van de mannen sprong daadwerkelijk op, en zijn kruk viel achter hem op de vloer. Hij trok zijn hoed af – een scheef bruin ding waar zelfs Mart zich voor zou schamen – en keek als een kind dat was betrapt terwijl hij zijn vinger in een pastei stak.

Nynaeve maalde niet om wat ze deden; ze had een paar dienaren van het huis gevonden, en dat was alles waar ze om gaf. ‘Ik moet de dosun spreken,’ zei ze, hun term voor de hoogste huisbewaarder. ‘Haal haar voor me.’

Haar soldaten liepen achter haar aan naar binnen. Alle drie waren het Saldeanen, en ze waren wat lomp, maar ze liepen met de houding van mannen die zeer goed bekend waren met de strijd. Ze betwijfelde of die eenvoudige bedienden behoefte hadden aan nog meer dreiging dan er al van een Aes Sedai uitging, maar de soldaten zouden waarschijnlijk later vannacht nuttig blijken. ‘De dosun?’ vroeg de arbeider met de hoed uiteindelijk. ‘Weet u zeker dat u niet liever de huismeester wilt spreken of...’

‘De dosun,’ herhaalde Nynaeve. ‘Breng haar hierheen. Geef haar tijd om een mantel aan te trekken, maar meer niet.’ Ze wees naar een van haar soldaten. ‘Jij gaat met hem mee. Zorg dat hij met niemand anders praat of die vrouw de kans geeft om te ontsnappen.’

‘Ontsnappen?’ piepte de arbeider. ‘Waarom zou Loral dat doen? Wat heeft ze gedaan, vrouwe?’

‘Niets, hoop ik. Ga nu!’

De twee mannen – de ene een arbeider, de andere een soldaat – haastten zich weg, en de overige drie bleven met onbehaaglijke blikken aan tafel zitten. Nynaeve sloeg haar armen over elkaar en dacht na. Rhand had gedacht dat zijn jacht op de Domaanse koning op een dood spoor was beland omdat de boodschapper was omgekomen.

Nynaeve was daar niet zo zeker van. Er waren anderen bij betrokken, en een paar vragen aan de juiste mensen konden heel verhelderend zijn.

Het was niet waarschijnlijk dat de dosun iets fout had gedaan. Maar Nynaeve wilde niet dat de arbeider die haar ging halen onderweg met mensen zou praten; het was beter om hem een gevoel van gevaar mee te geven, en de soldaat te laten zorgen dat hij zijn mond hield en opschoot.

Haar vooruitziende blik bleek verstandig. Korte tijd later haastte de arbeider zich weer de kamer in en sleepte een verfomfaaide, wat oudere vrouw in een blauwe avondmantel achter zich aan. Grijs haar kwam onder een haastig omgebonden rode hoofddoek vandaan, en haar getaande Domanigezicht was bleek van ongerustheid. Nynaeve voelde zich schuldig. Wat moest die vrouw doorstaan, midden in de nacht gewekt door een doodsbange dienaar die beweerde dat een Aes Sedai haar onmiddellijk wilde spreken! De Saldeaanse soldaat volgde en ging op wacht staan bij de deur. Hij had kromme benen en een gedrongen postuur, en hij droeg zo’n lange Saldeaanse snor. De andere twee hadden postgevat bij de deur waardoor Nynaeve binnen was gekomen, en hun achteloze uitstraling maakte de stemming in de kamer alleen maar meer gespannen. Ze hadden iets opgepikt van haar bedoelingen, kennelijk. ‘Rustig maar, goede vrouw,’ zei Nynaeve, knikkend naar de tafel. ‘Je mag gaan zitten. Jullie anderen, ga naar de hoofdingang en blijf daar. Spreek met niemand.’

De vier arbeiders hadden geen verdere aansporing nodig. Nynaeve zei tegen een van de soldaten dat hij hen moest volgen om er zeker van te zijn dat ze deden wat ze hun had opgedragen. Het late tijdstip was in haar voordeel; nu zoveel bedienden en helpers van Rhand sliepen, kon ze onderzoek doen zonder de mogelijke schuldigen te waarschuwen.

Het vertrek van de arbeiders maakte de dosun alleen maar zenuwachtiger. Nynaeve ging op een van de krukken aan tafel zitten. De mannen hadden in hun haast hun dobbelstenen achtergelaten, maar hadden – uiteraard – wel hun geld meegenomen. De kamer werd verlicht door een kleine lamp op de vensterbank, brandend met een open vlam. De Saldeaan had Nynaeves lantaarn meegenomen toen hij de arbeiders volgde.

‘Je heet Loral, toch?’ vroeg Nynaeve.

De dosun knikte behoedzaam. ‘Je bent je ervan bewust dat Aes Sedai niet liegen?’

De huishoudster knikte weer. De meeste Aes Sedai konden niet liegen, hoewel Nynaeve dat technisch gezien wel kon, aangezien zij niet had gezworen op de Eedstaf. Dat was een deel van hetgeen haar in de ogen van de anderen een lagere status opleverde. Onverdiend. De Eedstaf was maar een plichtpleging; mensen uit Tweewater hadden geen ter’angreaal nodig om eerlijk te zijn. ‘Dan geloof je me dus als ik zeg dat ik jou persoonlijk niet verdenk van onrechtmatig handelen. Ik heb alleen je hulp nodig.’

De vrouw scheen zich wat te ontspannen. ‘Wat hebt u voor hulp nodig, Nynaeve Sedai?’

‘In mijn ervaring weet het hoofd van de huishouding meer over het reilen en zeilen in een huis dan de huisbewaarders of zelfs de eigenaars van het pand. Werk je hier al lang?’

‘Ik dien al drie generaties van de familie Chadmar,’ zei de oude vrouw met enige trots. ‘En ik had gehoopt er nog een te dienen, als de vrouwe niet...’ De huishoudster maakte haar zin niet af. Rhand had ‘de vrouwe’ in haar eigen kerker gevangengezet. Dat voorspelde niet veel goeds voor de vooruitzichten op een volgende generatie werkgevers.

‘Ja, nou,’ zei Nynaeve, om de onbehaaglijke stilte te vullen, ‘de ongelukkige omstandigheden rondom je vrouwe zijn onderdeel van mijn huidige taak.’

‘Nynaeve Sedai,’ zei de oude vrouw, nu gretig, ‘denkt u dat u kunt zorgen dat ze wordt vrijgelaten? Haar weer in de gunst van de Drakenheer kunt laten komen?’

‘Misschien.’ Waarschijnlijk niet, voegde Nynaeve er in gedachten aan toe, maar alles is mogelijk. ‘Mijn huidige activiteiten helpen misschien. Heb je die boodschapper ooit gezien, die door je meesteres gevangen was gezet?’

‘Die door de koning was gestuurd?’ vroeg Loral. ‘Ik heb hem nooit gesproken, Aes Sedai, maar ik heb hem wel gezien. Lange, knappe vent, merkwaardig gladgeschoren voor een Domani. Ik kwam hem in de gang tegen. Had een van de fraaiste gezichten die ik ooit bij een man heb gezien.’

‘En toen?’ vroeg Nynaeve.

‘Nou, hij ging rechtstreeks naar vrouwe Chadmar toe, en daarna...’ Loral liet haar stem wegsterven. ‘Nynaeve Sedai, ik wil mijn vrouwe niet nog meer problemen bezorgen, en...’

‘Hij is naar de verhoorkamer gestuurd,’ zei Nynaeve kortaf. ‘Ik heb geen tijd voor dwaasheid, Loral. Ik ben hier niet op zoek naar bewijzen tegen je meesteres, en het kan me ook niet echt schelen waar jouw trouw ligt. Er staan veel grotere dingen op het spel. Beantwoord mijn vraag.’

‘Ja, vrouwe,’ zei Loral, die verbleekte. ‘We wisten natuurlijk allemaal wat er was gebeurd. Het leek ongepast, om een man van de koning zo te laten verhoren. Vooral die man. Zonde om zo’n mooi gezicht te ontsieren, en zo.’

‘Weet je waar de ondervrager en de kerker zijn?’ Loral aarzelde, maar toen knikte ze met tegenzin. Mooi. Ze hield niets voor Nynaeve achter. ‘Kom, dan gaan we,’ zei Nynaeve, die opstond. ‘Vrouwe?’

‘Naar de kerker,’ zei Nynaeve. ‘Ik neem aan dat die zich niet hier op het terrein bevindt, tenminste niet als Milisair Chadmar zo voorzichtig was als ik denk.’