‘Hij ligt in Meeuwenfeest,’ zei Loral. ‘Wilt u vannacht nog gaan?’
‘Ja,’ zei Nynaeve, maar toen weifelde ze. ‘Behalve als ik de ondervrager thuis kan bezoeken.’
‘Hij woont op dezelfde plek, vrouwe.’
‘Uitstekend. Kom mee.’
Loral had niet veel keus. Nynaeve liet haar – onder bewaking van een soldaat – terugkeren naar haar kamer om zich fatsoenlijk aan te kleden.
Korte tijd later voerden Nynaeve en haar soldaten de dosun – samen met de vier arbeiders, zodat die niet per ongeluk iemand waarschuwden over wat er aan de hand was – het gebouw uit. Alle vijf keken ze beslist ongelukkig. Ze geloofden waarschijnlijk in de bijgelovige geruchten dat het ’s nachts niet veilig was. Nynaeve wist wel beter. De nacht was dan misschien niet veilig, hij was niet gevaarlijker dan elke andere tijd. In feite was het ’s nachts misschien wel veiliger. Als er minder mensen rondliepen, was er ook minder kans dat er bij iemand in je omgeving plotseling doorns uit de huid groeiden, dat die in brand vloog of op een andere verschrikkelijke, grillige wijze aan zijn einde kwam.
Ze verlieten het terrein van de woonstede en Nynaeve liep met ferme pas, in de hoop dat de anderen daardoor minder zenuwachtig zouden zijn. Ze knikte naar de soldaten bij de poort en ging in de richting waarin Loral wees. Ze klosten over het hout van de loopplanken, en de bewolkte nachthemel gloeide slechts lichtjes door het maanlicht erboven.
Nynaeve stond zichzelf niet toe te gaan twijfelen aan haar voornemen. Ze had tot een koers besloten, en tot nu toe ging het goed.
Rhand zou weliswaar misschien boos op haar worden voor het meeslepen van soldaten en het zaaien van onrust, maar soms moest je, als je wilde zien wat er onder in een troebele regenton lag, in het water roeren om het naar boven te halen. Het was gewoon allemaal te toevallig.
Milisair Chadmar had de boodschapper maanden geleden al gevangengenomen, maar hij was slechts korte tijd nadat Rhand naar hem had gevraagd overleden. Hij was de enige in de stad geweest met enig vermoeden van waar de koning was.
Toeval bestond. Soms als twee boeren ruzieden en er ’s nachts een koe van een van de twee stierf, was het gewoon een ongelukje. En soms ontdekte je na wat zoeken het tegendeel. Loral leidde de groep naar Meeuwenfeest, ook bekend als het Meeuwendistrict, een deel van de stad nabij de plek waar de vissers het afval van hun vangsten dumpten. Net als de meeste verstandige mensen vermeed Nynaeve dat deel van de stad, en toen ze het naderden herinnerde haar neus haar aan de reden daarvoor. Visseningewanden waren dan misschien uitstekende meststof, maar Nynaeve rook de ontbindende stapels al van enkele straten afstand. Zelfs de vluchtelingen vermeden dit donkere gebied.
Het was een vrij lange wandeling, want begrijpelijkerwijs lag het rijke gedeelte van de stad ver bij Meeuwenfeest vandaan. Nynaeve beende voort en lette niet op de beschaduwde stegen en gebouwen, hoewel haar gevolg – op de soldaten na – zich ietwat angstig om haar heen schaarde. De Saldeanen hielden hun handen op hun kronkelige zwaarden en probeerden alle kanten tegelijk op te kijken. Ze wenste dat ze nieuws had uit de Witte Toren. Hoe lang had ze nu al niets meer gehoord van Egwene of een van de anderen? Ze voelde zich blind. Het was haar eigen schuld omdat ze erop had gestaan met Rhand mee te gaan. Iemand had een oogje op hem moeten houden, maar dat betekende dat ze geen oogje meer kon houden op de rest. Was de Toren nog steeds verdeeld? Was Egwene nog steeds Amyrlin? Aan het nieuws op de straten had ze niet veel. Zoals altijd hoorde ze voor elk gerucht dat ze opving twee andere die het tegenspraken. De Witte Toren voerde onderling strijd. Nee, ze streden tegen de Asha’man. Nee, de Aes Sedai waren vernietigd door de Seanchanen. Of door de Herrezen Draak. Nee, die geruchten waren allemaal leugens die door de Toren werden verspreid om haar vijanden tot een aanval uit te lokken.
Er werd heel weinig met name over Elaida of Egwene gezegd, hoewel er wat vaag nieuws over de twee Amyrlins de ronde deed. Dat was problematisch. Geen van beide groepen Aes Sedai zou nieuws over een tweede Amyrlin willen verspreiden. Verhalen over ruzie onder de Aes Sedai zouden hen uiteindelijk alleen maar schaden. Eindelijk hield Loral halt. De vier arbeiders kwamen achter haar tot stilstand en gingen met ongeruste gezichten dicht bij elkaar staan. Nynaeve keek Loral aan. ‘En?’
‘Daar, vrouwe.’ De vrouw wees met een knokige vinger naar het gebouw aan de overkant.
‘De winkel van de kaarsenmaker?’ vroeg Nynaeve. Loral knikte.
Nynaeve wenkte een van de krombenige Saldeaanse soldaten. ‘Jij, hou een oogje op die vijf en zorg dat ze niet in de problemen komen. Jullie twee gaan met mij mee.’
Ze stak de straat over, maar toen ze niemand van het looppad hoorde stappen, draaide ze zich fronsend weer om. De drie wachters stonden bij elkaar te kijken naar de ene lantaarn, waarschijnlijk boos op zichzelf omdat ze er niet aan hadden gedacht er nog een mee te nemen.
‘O, in Lichtsnaam,’ snauwde Nynaeve. Ze stak haar hand op en omhelsde de Bron. Ze weefde een lichtbol boven haar hand, die een koele, gelijkmatige gloed om haar heen verspreidde. ‘Laat die lantaarn maar hier.’
De twee Saldeanen gehoorzaamden en haastten zich achter haar aan. Ze stapte naar de deur van de kaarsenwinkel en weefde een ban tegen afluisteren rondom zichzelf, de deur en de twee soldaten. Ze keek een van de soldaten aan. ‘Hoe heet je?’
‘Triben, vrouwe,’ zei hij. Hij was een man met een haviksgezicht, een kortgeknipte snor en een litteken op zijn voorhoofd. ‘Dat is Lurts,’ zei hij, wijzend naar de andere soldaat, een beer van een vent die tot Nynaeves verbazing het uniform van een cavalerist droeg. ‘Goed, Triben,’ zei Nynaeve. ‘Trap de deur in.’ Triben stelde geen vragen; hij haalde gewoon zijn gelaarsde voet uit en trapte. Het kozijn barstte meteen en de deur sloeg open, maar als haar ban op de juiste wijze was aangebracht zou niemand binnen iets horen. Ze gluurde naar binnen. Het rook er naar was en reukwater, en op de houten vloer zaten vele vlekken van druppels was. ‘Snel,’ zei ze tegen de soldaten, terwijl ze de ban losliet maar de lichtbol in stand hield. ‘Lurts, ga naar de achterkant van de winkel en hou de steeg in de gaten; zorg ervoor dat er niemand ontkomt. Triben, jij gaat met mij mee.’
Lurts bewoog zich met verrassend veel snelheid voor zijn lichaamsbouw, en hij vatte post in de achterkamer van de winkel. Haar bol verlichtte vaten voor het dopen van kaarsen en een berg kaarsstompjes in de hoek, die voor penners waren gekocht om te worden omgesmolten. Rechts bevond zich een trap. Een kleine nis voor in de winkel was de uitstalkast, en die bevatte kaarsen in verschillende vormen en afmetingen, van de gebruikelijke witte staaf tot het geurende en versierde blok. Als Loral het mis had en dit niet de plek was... Maar elke goede geheime operatie had een dekmantel nodig. Nynaeve haastte zich de trap op, en het hout kraakte onder haar voeten. Het was een smal gebouw. Op de bovenverdieping zag ze twee kamers. Een van de deuren stond op een kier, dus dimde Nynaeve haar lichtbol en weefde een ban tegen afluisteren in die kamer. Toen stormde ze naar binnen, met de havikachtige Triben op haar hielen, en zijn zwaard schraapte langs de schede toen hij het trok. Er was maar één persoon in de kamer: een dikke man die lag te slapen op een matras op de vloer, met de dekens op een hoop aan zijn voeten. Nynaeve weefde enkele draadjes Lucht en bond hem in één soepele beweging vast. Zijn ogen gingen wijd open en hij opende zijn mond om te schreeuwen, maar Nynaeve stopte een prop van Lucht tussen zijn lippen.
Ze wendde zich naar Triben en knikte terwijl ze haar wevingen afbond. Ze lieten de vastgebonden man daar achter, worstelend in zijn boeien, en staken over naar de andere deur. Nynaeve maakte nog een weving tegen afluisteren voordat ze naar binnen ging, en dat was maar goed ook, want de twee jongere mannen in deze kamer werden veel sneller wakker. Een van hen ging rechtop zitten en slaakte een kreet toen Triben binnenkwam. Triben stompte hem in zijn maag en perste de lucht uit zijn longen.