Выбрать главу

Nynaeve bond hem vast met een draadje Lucht, en toen deed ze hetzelfde bij de andere jongeman, die zich slaperig roerde op zijn brits. Ze sleepte de twee naar zich toe en maakte haar lichtbol feller, waarna ze de mannen een stukje boven de vloer liet zweven. Ze waren allebei Domani, met donker haar, ruwe gezichten en een smalle snor. Beiden droegen alleen hun onderkleding. Ze leken haar te oud om leerlingen te zijn.

‘Ik denk dat we op de juiste plek zijn, Nynaeve Sedai,’ zei Triben, die om de twee heen liep en naast haar kwam staan. Ze keek hem vragend aan.

‘Dit zijn geen leerling-kaarsenmakers,’ vervolgde Triben. Hij schoof zijn zwaard weer in de schede. ‘Eelt op hun handen, maar geen brandplekken? Gespierde armen? En ze zijn veel te oud. Die kerel links heeft minstens één keer zijn neus gebroken.’

Ze keek wat beter; Triben had gelijk. Dat bad ik moeten zien. Toch, dat van die leeftijd had ze wel opgemerkt. ‘Wie van jullie moet ik verlossen van de mondprop, denken jullie,’ vroeg ze achteloos, ‘en wie moet ik doden?’

Beide mannen begonnen met grote ogen te kronkelen. Ze hadden moeten weten dat een Aes Sedai nooit zoiets zou doen. In feite had ze het misschien niet eens moeten opperen, maar particuliere gevangenbewaarders zoals deze maakten haar boos. ‘Degene links lijkt het meest bereid te praten, vrouwe,’ zei Triben. ‘Misschien zal hij u vertellen wat u wilt weten.’ Ze knikte en ontdeed de man van zijn mondprop. Hij begon meteen te bazelen. ‘Ik doe alles wat u zegt! Alstublieft, vul mijn maag niet met insecten! Ik heb niks verkeerds gedaan, echt waar, ik...’ Ze stopte de prop van Lucht weer in zijn mond. ‘Te veel geklaag,’ zei ze. ‘Misschien weet die ander dat hij zijn mond moet houden en pas moet praten als iemand hem iets vraagt.’ Ze maakte zijn mondprop los.

Deze man bleef in de lucht bungelen, overduidelijk doodsbang, maar hij zei niets. De Ene Kracht kon zelfs de meest geharde moordenaar van zijn stuk brengen. ‘Hoe kom ik in de kerker?’ vroeg ze aan de man.

Hij leek misselijk, maar hij had waarschijnlijk al geraden dat ze de kerker zocht. De kans dat een Aes Sedai na middernacht de winkel zou binnenstormen omdat haar een slechte kaars was verkocht, was klein.

‘Valluik,’ zei de man, ‘onder het kleed voor in de winkel.’

‘Uitstekend,’ zei Nynaeve. Ze bond de wevingen af waarmee de handen van de mannen geboeid waren en stopte toen de mondprop terug bij de man die had geklikt. Ze liet ze niet in de lucht hangen -ze had geen zin om ze achter zich aan te trekken – en liet hen zelf lopen.

Ze vroeg Triben de dikke man uit de andere kamer te halen, en toen troonde ze hen alle drie mee de trap af. Beneden troffen ze de gespierde Lurts, die zorgvuldig de steeg aan de achterkant in de gaten hield. Een jongeling zat op de vloer voor hem, en Nynaeves lichtbol scheen op zijn gezicht: een bange Domani met opvallend licht haar en handen vol brandplekken.

‘Kijk, dat is een leerling-kaarsenmaker,’ zei Triben, krabbend aan het litteken op zijn voorhoofd. ‘Ze laten hem waarschijnlijk al het werk in de winkel doen.’

‘Hij lag te slapen onder die dekens daar.’ Lurts knikte naar een beschaduwde berg in de hoek terwijl hij naar Nynaeve toe liep. ‘Probeerde de voordeur uit te rennen toen jullie de trap op waren gegaan.’

‘Neem hem mee,’ zei Nynaeve. In de kleine ruimte voor in de winkel trok Triben het kleed opzij en gebruikte toen zijn zwaard om tussen de planken te porren tot hij eronder iets raakte; scharnieren, nam Nynaeve aan. Na wat voorzichtig wrikken kreeg hij het luik open. Een ladder leidde naar de duisternis beneden. Nynaeve stapte naar voren, maar Triben stak zijn hand op. ‘Heer Bashere zou me aan mijn eigen stijgbeugels ophangen als ik u als eerste zou laten gaan, vrouwe,’ zei hij. ‘Je weet nooit wat daarbeneden is.’ Hij sprong in het gat en gleed langs de ladder omlaag, waarbij hij één hand op de ladder hield en in de andere het zwaard omklemde. Hij landde met een bons op de grond beneden, en Nynaeve sloeg haar ogen ten hemel. Mannen! Ze beduidde Lurts dat hij de gevangenbewaarders in de gaten moest houden en maakte toen hun boeien wat losser zodat ze naar beneden konden klimmen. Ze keek hen om beurten streng aan; toen ging ze de ladder af zonder de belachelijke zwierigheid van Triben, en ze liet het aan Lurts over om de gevangenbewaarders achter haar aan te drijven. Nynaeve tilde de lichtbol op en bekeek de kelder. De muren waren van steen, wat haar een stuk minder zenuwachtig maakte over het gewicht van het gebouw boven hen. De vloer was van aangestampte aarde, en in de muur tegenover haar zat een houten deur. Triben stond erbij te luisteren.

Ze knikte, en hij trok hem open en sprong gretig naar binnen. De Saldeanen schenen enkele gewoonten van de Aiel over te nemen. Nynaeve volgde en bereidde voor de zekerheid alvast enkele wevingen van Lucht voor. Achter haar kwamen de nukkige bewaarders de ladder af, gevolgd door Lurts.

Er viel niet veel te zien in de andere kamer. Twee cellen met dikke houten deuren, een tafel met een paar krukken en een grote houten kist. Nynaeve stuurde haar lichtbol naar de hoek terwijl de havikachtige Triben de kist bekeek. Hij maakte het deksel open, trok zijn wenkbrauw op en haalde diverse glinsterende messen tevoorschijn. Verhoormiddelen. Nynaeve huiverde. Ze richtte een strenge blik op de gevangenbewaarders achter haar.

Ze maakte de mondprop los van de man die ze eerder had gesproken. ‘Sleutels?’ vroeg ze.

‘Onder in de kist,’ zei de schurk. De dikke gevangenbewaarder – de leider van de groep, ongetwijfeld, aangezien hij een eigen kamer had – keek hem woest aan. Nynaeve rukte de leider de lucht in. ‘Daag me niet uit,’ gromde ze. ‘Op dit uur liggen alle redelijke mensen namelijk allang te slapen.’

Ze knikte naar Triben, die de sleutels tevoorschijn haalde en de celdeuren opende. De eerste cel was leeg; in de tweede zat een haveloze vrouw, gehuld in een fraai Domanigewaad, hoewel het wel vies was. Vrouwe Chadmar was vuil en verfomfaaid en lag slaperig tegen de muur opgekruld, zich er amper van bewust dat de deur geopend was. Nynaeve ving een vleug op van een stank die tot dat ogenblik was verhuld door die van rottende vis. Menselijke uitwerpselen en een ongewassen lichaam. Dat was waarschijnlijk ook een reden om de kerker hier in Meeuwenfeest te hebben. Nynaeve inhaleerde scherp toen ze zag hoe de vrouw was behandeld. Hoe kon Rhand dit toestaan? De vrouw had dit zelf ook bij anderen gedaan, maar dat verantwoordde niet dat hij naar gelijksoortige maatregelen had gegrepen.

Ze beduidde Triben dat hij de deur dicht moest doen; toen ging ze op een kruk in de kamer zitten en keek naar de drie gevangenbewaarders. Achter haar bewaakte Lurts de uitweg en hield een oogje op de arme leerling. De dikke gevangenbewaarder hing nog in de lucht.

Ze had inlichtingen nodig. Ze had Rhand de volgende ochtend toestemming kunnen vragen om de gevangenis te bezoeken, maar dan had de kans bestaan dat deze mannen van tevoren zouden weten dat ze een bezoekje kregen. Ze vertrouwde op de verrassing en op afschrikking om te onthullen wat verborgen was gebleven. ‘Zo,’ zei ze tegen de drie. ‘Ik ga jullie een paar vragen stellen. Jullie gaan antwoorden. Ik weet nog niet wat ik met jullie ga doen, dus bedenk maar dat het beter is om heel eerlijk tegen me te zijn.’ De twee op de grond keken op naar de andere man, zwevend in de onzichtbare wevingen van Lucht. Ze knikten. ‘De man die bij jullie werd gebracht,’ zei ze. ‘De boodschapper van de koning. Wanneer kwam hij aan?’

‘Twee maanden geleden,’ zei een van de schurken; de man met de grote kin en de gebroken neus. ‘Hij kwam aan in een zak met kaarsstompen van vrouwe Chadmars huis, net als alle gevangenen.’

‘Jullie opdracht?’

‘Hem vasthouden,’ zei de andere schurk. ‘Hem in leven houden. We wisten niet veel eh, vrouwe Aes Sedai. Jorgin is degene die alle verhoren doet.’

Ze keek op naar de dikke man. ‘Ben jij Jorgin?’ Hij knikte met tegenzin. ‘En wat was jouw opdracht?’ Jorgin gaf geen antwoord.

Nynaeve zuchtte. ‘Luister,’ zei ze tegen hem. ‘Ik ben een Aes Sedai, en gebonden aan mijn woord. Als jullie me vertellen wat jullie weten, zal ik ervoor zorgen dat jullie niet verdacht worden gemaakt met betrekking tot zijn dood. De Draak geeft niet om jullie drie, anders zouden jullie allang niet meer de leiding hebben over dit... herbergje van jullie.’