Lurts, die achteraan liep, draaide zich verbaasd om. Hij greep Jorgin bij zijn arm en draaide hem om.
‘Wie bereidt het eten voor de gevangenen?’ vroeg Nynaeve, terwijl ze naar hem toe beende.
‘Het eten?’ vroeg Jorgin verward. ‘Dat is een van Kerbs taken. Hoezo?’
‘Kerb?’
‘De jongen,’ zei Jorgin. ‘Niet belangrijk. Een leerling die we een paar maanden geleden onder de vluchtelingen aantroffen. Best een gelukkig toeval, want onze vorige leerling was ervandoor gegaan, en deze was al geschoold in...’
Nynaeve legde hem met een opgeheven hand het zwijgen op, plotseling ongerust. ‘De jongen! Waar is hij?’
‘Hij was hier net nog...’ zei Lurts, die opkeek. ‘Ging met...’ Boven klonk plotseling gekrabbel. Nynaeve vloekte en riep Triben toe dat hij de jongen moest grijpen. Ze drong zich naar de ladder toe en klom er snel tegenop. Ze schoot de winkel boven in, met haar gloeilicht achter zich aan.
De twee schurken stonden met een verwarde blik ineengedoken in de middenkamer, en een Saldeaanse wachter stond met getrokken zwaard bij hen. Hij keek haar vragend aan. ‘De jongen!’ riep ze.
Triben wierp een blik op de winkeldeur. Die stond open. Terwijl ze wevingen van Lucht voorbereidde, rende Nynaeve de straat op. Daar zag ze Kerb op de modderige straat, tegengehouden door de vier dobbelende arbeiders die ze uit de woonstede had meegebracht. Terwijl ze van de loopplank de straat op stapte, trokken zij de worstelende, radeloze jongen overeind. De laatste Saldeaan stond in de deuropening, met zijn zwaard in de hand alsof hij naar binnen had willen rennen om te kijken of Nynaeve in gevaar was. ‘Hij holde ineens de deur uit, Aes Sedai,’ zei een van de arbeiders, ‘alsof de Duistere zelf hem op de hielen zat. Uw soldaat rende naar binnen om te kijken of u veilig was, maar het leek ons beter om die jongen te grijpen voordat hij kon ontkomen. Voor de zekerheid.’ Nynaeve slaakte een zucht om rustig te worden. ‘Goed gedaan,’ zei ze. De jongen verzette zich zwakjes. ‘Heel goed gedaan.’
33
Een gesprek met de Draak
Dit verklaarde Rhand, ‘kan maar beter belangrijk zijn.’ Nynaeve draaide zich om en zag de Herrezen Draak in de deuropening naar de zitkamer staan. Hij droeg een donkerrode mantel met zwarte draken op de mouwen geborduurd. Zijn stomp ging verborgen in de plooien van zijn linkermouw. Hoewel zijn haar in de war zat van het slapen, waren zijn ogen waakzaam. Hij beende de zitkamer in, zoals altijd de koning; zelfs nu, ver na middernacht en net gewekt, liep hij met een volkomen zelfverzekerde tred. Enkele dienaren hadden een pot hete thee gebracht, en hij vulde een beker toen Min hem de kamer in volgde. Zij droeg ook een bedmantel; de mantels waren een geliefd kledingstuk bij de Domani, en die van haar was van gele zijde en veel dunner dan die van Rhand. Speervrouwen namen stelling in bij de deur en gingen daar op hun vagelijk bedreigende wijze staan.
Rhand nam een grote slok uit zijn beker. Het werd steeds moeilijker om in hem de jongen te zien die Nynaeve in Tweewater had gekend. Had zijn kaak altijd die vastberaden lijnen gehad? Sinds wanneer was zijn tred zo zelfverzekerd, zijn houding zo veeleisend? Deze man leek bijna een... vertolking van de Rhand die zij ooit had gekend. Als een standbeeld, uit steen gehouwen om op hem te lijken, maar met een overdreven heldhaftig lijnenspel. ‘Nou?’ vroeg Rhand. ‘Wie is dit?’
De jonge leerling, Kerb, zat met Lucht vastgebonden op een bankje in de kamer. Nynaeve wierp een blik op hem, omhelsde de Bron en weefde een ban tegen afluisteren. Rhand keek haar scherp aan. ‘Heb je geleid?’ vroeg hij. Hij voelde het wanneer ze dat deed zonder voorzorgsmaatregelen te nemen; hij kreeg er kippenvel van, zeiden Egwene en Elayne.
‘Een ban,’ zei ze, weigerend zich te laten bang maken. ‘Voor zover ik weet heb ik je toestemming niet nodig om te geleiden. Je bent groot en machtig geworden, Rhand Altor, maar vergeet niet dat ik je al billenkoek gaf toen je nog maar twee turven hoog was.’ Ooit zou dat hem een reactie hebben ontlokt, al was het maar een geërgerd gesnuif. Nu keek hij haar alleen maar aan. Die ogen leken soms wel het deel van hem dat het meest was veranderd. Hij zuchtte. ‘Waarom heb je me gewekt, Nynaeve? Wie is die magere, doodsbange jongen? Als iemand anders me op dit uur van de nacht zo’n boodschap had gestuurd, zou ik Bashere erbij hebben gehaald om hem een pak rammel te geven.’
Nynaeve knikte naar Kerb. ‘Ik geloof dat die “magere, doodsbange jongen” weet waar de koning is.’
Dat trok Rhands aandacht, en ook die van Min. Ze had zichzelf een kom thee ingeschonken en leunde tegen de muur. Waarom waren die twee nog niet getrouwd?
‘De koning?’ vroeg Rhand. ‘En Graendal dus ook. Hoe weet je dat, Nynaeve? Waar heb je hem gevonden?’
‘Bij de kerker waar je Milisair Chadmar heen hebt gestuurd,’ antwoordde Nynaeve. ‘Het is er verschrikkelijk, Rhand Altor. Je hebt geen recht iemand zo te behandelen.’
Ook op die opmerking ging hij niet in. In plaats daarvan liep hij naar Kerb toe. ‘Heeft hij iets opgevangen van het verhoor?’
‘Nee,’ zei Nynaeve. ‘Maar ik denk dat hij de boodschapper heeft vermoord. Ik weet zeker dat hij heeft geprobeerd Milisair te vergiftigen. Ze zou aan het eind van de week dood zijn geweest als ik haar niet had Geheeld.’
Rhand keek naar Nynaeve, en ze voelde bijna hoe hij de puzzelstukjes aaneen legde om te achterhalen wat ze had gedaan. ‘Jullie Aes Sedai,’ zei hij uiteindelijk, ‘hebben veel gemeen met ratten, ben ik me gaan realiseren. Jullie komen altijd op plekken waar jullie niet gewenst zijn.’
Nynaeve snoof. ‘Als ik niet was gegaan, dan zou Milisair nu stervende zijn, en Kerb zou vrij rondlopen.’
‘Ik neem aan dat je hem hebt gevraagd wie hem had opgedragen om de boodschapper te vermoorden.’
‘Nog niet,’ zei Nynaeve. ‘Ik heb echter het gif tussen zijn spullen gevonden, en bevestigd dat hij maaltijden bereidde voor zowel Milisair als de boodschapper.’ Ze aarzelde voordat ze doorging. ‘Rhand, ik ben er niet zeker van dat hij onze vragen zal kunnen beantwoorden. Ik heb hem Geschouwd, en hoewel hij lichamelijk niet ziek is, is er... iets. In zijn geest.’
‘Hoe bedoel je?’ vroeg Rhand zacht.
‘Een soort versperring,’ zei Nynaeve. ‘De gevangenbewaarder leek gefrustreerd – zelfs verbaasd – dat de boodschapper weerstand had kunnen bieden aan zijn “verhoor”. Ik denk dat die man ook een soort versperring in zijn geest moet hebben gehad, iets waardoor hij niet te veel kon onthullen.’
‘Wilsdwang,’ zei Rhand achteloos, voordat hij nog een slok thee nam. Wilsdwang was duister, kwaadaardig. Ze had het zelf gevoeld; ze huiverde nog steeds als ze stilstond bij wat Moghedien bij haar had gedaan. En dat was nog maar iets kleins geweest, het verwijderen van enkele herinneringen.
‘Er zijn er maar weinig zo vaardig met Wilsdwang als Graendal,’ zei Rhand peinzend. ‘Misschien is dit de bevestiging die ik zocht. Ja... dit zou een heel belangrijke ontdekking kunnen zijn, Nynaeve. Belangrijk genoeg om me te doen vergeten hoe je eraan bent gekomen.’
Rhand liep om het bankje heen en bukte zich om de jongen in de ogen te kijken. ‘Laat hem los,’ beval hij. Ze gehoorzaamde.
‘Zeg eens,’ zei Rhand tegen Kerb, ‘wie heeft je opgedragen die mensen te vergiftigen?’
‘Ik weet niks!’ piepte de jongen. ‘Ik hoefde alleen...’
‘Stop,’ zei Rhand zacht. ‘Geloof je dat ik je kan doden?’ De jongen zweeg en – hoewel Nynaeve had gedacht dat het niet kon – zijn blauwe ogen werden nog groter.