Выбрать главу

‘Ik heb niets gedaan, Nynaeve. Ik vermoed dat zodra je de Wilsdwang verwijderde, hij alleen nog in leven bleef dankzij zijn diep begraven woede op Graendal. Wat voor stukje van hem er ook nog over was, het wist dat de enige hulp die hij kon bieden die twee woorden waren. Daarna gaf hij het gewoon op. Meer konden we niet voor hem doen.’

‘Dat aanvaard ik niet,’ zei Nynaeve gefrustreerd. ‘Ik had hem kunnen Helen!’ Ze had hem moeten kunnen helpen! Graendals Wilsdwang ongedaan maken had zo goed gevoeld, zo juist. Het had niet zo moeten eindigen!

Ze huiverde en voelde zich bezoedeld. Gebruikt. Waarin was zij nu beter dan de gevangenbewaarder die zulke verschrikkelijke dingen had gedaan om inlichtingen te krijgen? Ze keek kwaad naar Rhand. Hij had haar wel eens mogen vertellen wat het verwijderen van Wilsdwang zou aanrichten!

‘Kijk me niet zo aan, Nynaeve.’ Hij liep naar de deur en beduidde de Speervrouwen daar dat ze Kerbs lichaam moesten verwijderen. Ze droegen het weg terwijl Rhand zachtjes vroeg om een nieuwe pot thee.

Hij keerde terug en ging op het bankje naast de slapende Min zitten; ze had een kussen van de bank onder haar hoofd gestopt. Een van de twee lampen in de kamer was laag gedraaid, waardoor zijn gezicht half in schaduwen gehuld bleef.

‘Dit was de enig mogelijke uitkomst,’ vervolgde hij. ‘Het Rad weeft wat het Rad wil. Jij bent een Aes Sedai. Is dat niet een van jullie kernspreuken?’

‘Ik weet niet wat het is,’ snauwde Nynaeve, ‘maar het is geen uitvlucht voor je daden.’

‘Welke daden?’ vroeg hij. ‘Jij hebt deze jongen naar me toe gebracht. Graendal heeft Wilsdwang op hem toegepast. Nu zal ik haar ervoor doden, en die daad zal mijn enige verantwoordelijkheid zijn. Laat me nu met rust. Ik ga proberen nog wat te slapen’. ‘Voel je je dan helemaal niet schuldig?’

wilde ze weten. Hun blikken kruisten elkaar, die van Nynaeve gefrustreerd en machteloos, die van Rhand... Wie kon tegenwoordig nog raden wat Rhand voelde!

‘Moet ik dan voor hen allemaal boeten, Nynaeve?’ vroeg hij zacht. Hij stond op, met zijn gezicht nog half in de duisternis. ‘Leg zijn dood maar aan mijn voeten, als je wilt. Het is er een van de vele. Hoeveel stenen kun je op het lichaam van een man stapelen voordat het gewicht er niet meer toe doet? Hoe ver kun je een brok vlees verbranden voordat verdere hitte irrelevant wordt? Als ik me schuldig voel over die jongen, dan zou ik me ook schuldig moeten voelen om die anderen. En dat zou me verpletteren.’

Ze keek naar hem in het halflicht. Een koning, dat zeker. Een soldaat, hoewel hij maar enkele keren oorlog had gezien. Ze dwong haar woede omlaag. Was dit er niet allemaal op gericht geweest hem te bewijzen dat hij haar kon vertrouwen?

‘O Rhand,’ zei ze, terwijl ze zich afwendde. ‘Dit wezen dat je bent geworden, zonder enig gevoel behalve woede. Het zal je vernietigen.’

‘Ja,’ zei hij zacht. Ze keek hem geschokt aan.

‘Ik blijf me afvragen,’ zei hij, kijkend naar Min, ‘waarom jullie allemaal aannemen dat ik te stijfkoppig ben om te zien wat voor jullie zo duidelijk is. Ja, Nynaeve. Ja, deze hardheid zal me verwoesten. Ik weet het.’

‘Waarom dan?’ vroeg ze. ‘Waarom laat je ons niet helpen?’ Hij keek op, niet naar haar, maar starend in het niets. Een dienster klopte zachtjes aan, gekleed in het wit en bosgroen van Milisairs huis. Ze kwam binnen, zette een nieuwe pot thee neer, pakte de oude mee en trok zich terug.

‘Toen ik een stuk jonger was,’ zei hij met zachte stem, ‘vertelde Tam me een verhaal dat hij tijdens zijn reizen had gehoord. Hij sprak over de Draken berg. Ik wist op dat ogenblik niet dat hij die echt had gezien, en ook niet dat hij mij daar had gevonden. Ik was maar een herdersjongen, en de Drakenberg, Tar Valon en Caemlin waren bijna mythische plekken voor me.

Hij vertelde me er echter over: een berg zo hoog dat zelfs de Tweehoornspiek bij ons thuis een dwerg leek. Volgens Tams verhalen had nog nooit iemand de top van de Drakenberg bereikt. Niet omdat het onmogelijk was, maar omdat de klim naar de top elk laatste restje kracht zou kosten dat een man had. De berg was zo hoog dat het overwinnen ervan een strijd was die de klimmer volkomen zou uitputten.

‘Hij zweeg. ‘En?’ vroeg Nynaeve uiteindelijk. Hij keek haar aan. ‘Snap je het niet? Volgens de verhalen had geen mens die berg ooit beklommen, omdat hij dan de kracht niet meer zou hebben om terug te keren. Een bergbeklimmer zou het wel kunnen, de top bereiken en zien wat nog nooit iemand had gezien. Maar dan zou hij sterven. De sterkste en verstandigste ontdekkingsreizigers wisten dat. Dus beklommen ze hem nooit. Ze wilden het wel, maar ze wachtten en stelden die tocht uit tot een andere dag. Want ze wisten dat het hun laatste zou zijn.’

‘Maar dat is slechts een verhaal,’ zei Nynaeve. ‘Een legende.’

‘Dat is wat ik ben,’ zei Rhand. ‘Een verhaal. Een legende. Die over vele jaren nog steeds aan kinderen zal worden verteld, waarover zal worden gefluisterd.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Soms kun je niet terug. Je moet doorgaan. En soms weet je dat deze klim je laatste zal zijn. Jullie beweren allemaal dat ik te veel ben gegroeid, dat ik onvermijdelijk zal barsten en breken als ik doorga. Maar jullie nemen aan dat er iets van me moet overblijven om door te gaan. Dat ik de berg weer af moet klimmen als ik eenmaal de top heb bereikt. Dat is de sleutel, Nynaeve. Ik zie dat nu in. Ik zal dit niet overleven, en dus hoef ik me niet druk te maken over wat er mogelijk na de Laatste Slag met me gebeurt. Ik hoef me niet in te houden, hoef niets te redden van die gehavende ziel van me. Ik weet dat ik moet sterven. Degenen die willen dat ik zachter ben, dat ik bereid ben te buigen, dat zijn degenen die niet kunnen aanvaarden wat er met me gaat gebeuren.’ Hij keek weer naar Min. Vele keren eerder had Nynaeve genegenheid in zijn ogen gezien wanneer hij naar haar keek, maar deze keer waren ze leeg. In datzelfde emotieloze gezicht. ‘We kunnen er iets op vinden, Rhand,’ zei Nynaeve. ‘Er is vast wel een weg naar de overwinning waarbij jij ook in leven blijft.’

‘Nee,’ grauwde hij zachtjes. ‘Verleid me niet weer met dat pad. Het leidt alleen maar naar pijn, Nynaeve. Ik... Ik heb erover gedacht iets na te laten wat de wereld zou helpen overleven als ik eenmaal dood ben, maar dat was een gevecht om te blijven leven. Ik kan niet toegeeflijk zijn aan mezelf. Ik zal die stomme berg beklimmen en naar de zon kijken. Jullie allemaal moeten het hoofd bieden aan wat daarna komt. Zo moet het gaan.’

Ze opende haar mond om weer bezwaar te maken, maar hij keek haar scherp aan. ‘Zo moet het gaan, Nynaeve.’ Ze liet haar mond dichtvallen.

‘Je hebt het vannacht goed gedaan,’ zei Rhand. ‘Je hebt ons allemaal een hoop problemen bespaard.’

‘Ik heb het gedaan omdat ik wil dat je me vertrouwt,’ zei Nynaeve, en ze beschimpte zichzelf onmiddellijk. Waarom had ze dat gezegd? Was ze echt zo moe dat ze het eerste eruit kraamde wat in haar hoofd opkwam?

Rhand knikte enkel. ‘Ik vertrouw je ook, Nynaeve. Zoveel als ik wie dan ook vertrouw, en meer dan de meesten. Je denkt te weten wat het beste voor me is, zelfs tegen mijn wensen in, maar dat kan ik wel aanvaarden. Het verschil tussen jou en Cadsuane is dat jij daadwerkelijk om me geeft. Zij geeft alleen om mijn plaats in haar plannen. Ze wil dat ik meedoe aan de Laatste Slag. Jij wilt dat ik blijf leven. Daarvoor dank ik je. Droom voor mij, Nynaeve. Droom de dingen die ik niet langer kan dromen.’

Hij bukte zich om Min op te tillen; hij kreeg het voor elkaar, ondanks zijn geamputeerde hand, door één arm onder haar door te schuiven en die met zijn hand vast te pakken terwijl hij haar optilde. Ze verroerde zich en nestelde zich tegen hem aan, waarbij ze wakker werd en zachtjes klaagde dat ze zelf wel kon lopen. Hij zette haar niet neer; misschien vanwege de vermoeidheid in haar stem. Nynaeve wist dat ze ’s nachts meestal opbleef om te lezen en dat ze zich bijna evenzeer onder druk zette als Rhand.

Met Min in zijn armen liep hij naar de deur. ‘We gaan eerst naar de Seanchanen,’ zei hij. ‘Wees voorbereid op die ontmoeting. Kort daarna zal ik me om Graendal bekommeren.’