Выбрать главу

Misschien ben ik wat ver gegaan in mijn voorbereidingen, maar ik ben van plan die vrouw te vinden, voordat ze een bende Duistervrienden – of erger – opdraagt ’s nachts mijn keel door te snijden. Is dat begrepen?’

Mart keek de vijf mannen om beurten in de ogen, knikte en liep naar de tentflap, maar bij Talmanes’ stoel bleef hij staan. Hij schraapte zijn keel en mompelde toen half: ‘Je hebt een geheime voorliefde voor schilderen en wilde ontsnappen aan het leven van strijd waar je je tot nu toe aan hebt gewijd. Je bent op weg naar het zuiden via Goedlucht gereisd in plaats van een rechtstreeksere weg te nemen, omdat je dol bent op de bergen. Je hoopt op nieuws van je jongere broer, die je in geen jaren hebt gezien omdat hij is verdwenen tijdens een jachttocht in zuidelijk Andor. Je hebt een gekweld verleden. Lees bladzijde vier maar.’

Mart haastte zich verder en ging de schemerige middag in, hoewel hij nog een glimp opving van Talmanes die zijn ogen ten hemel sloeg. Die man mocht branden! Die bladzijden bevatten uitstekend drama! Door de dennenbomen zag hij dat de hemel bewolkt was. Alweer. Wanneer hield dat eens op? Mart schudde zijn hoofd terwijl hij door het kamp liep, knikkend naar de groepen soldaten die naar hem salueerden of hem groetten met: ‘Heer Mart.’ De Bond bleef vandaag hier – kamperend op een afgelegen, beboste helling op een halve dagtocht van het stadje – terwijl ze de laatste voorbereidingen voor de aanval troffen. De drienaaldsdennen waren hoog, met brede takken, en in de schaduw van de bomen groeide weinig. Hun tenten stonden in groepen rondom de dennen en de lucht was koel en beschaduwd, met de geuren van hars en humus.

Hij liep door het kamp om te kijken bij de werkzaamheden van zijn mannen en te beoordelen of alles doelmatig gebeurde. Die oude herinneringen, die de Eelfinn hem hadden gegeven, waren zo gelijkmatig vermengd met die van hemzelf dat hij amper nog onderscheid kon maken.

Het was fijn om weer bij de Bond te zijn; hij had niet beseft hoe hij hen had gemist. Het zou ook fijn zijn om de rest van de mannen weer te zien, de troepen onder leiding van Estean en Daerid. Hopelijk hadden zij het gemakkelijker dan Marts leger. De banieren van de cavalerie waren het eerst aan de beurt op zijn ronde. Ze hadden zich afgescheiden van de rest van het kamp; ruiters vonden zichzelf altijd beter dan voetsoldaten. Vandaag, zoals zo vaak, waren de mannen bezorgd over het voedsel voor hun paarden. Voor een goede cavalerist kwam zijn paard altijd op de eerste plaats. Hun tocht vanuit Hinderstap was zwaar geweest voor de dieren, vooral aangezien er niet veel te grazen viel. Er groeide weinig deze lente, en de restanten van de winter waren merkwaardig schaars. Paarden weigerden bepaalde plekken met verdorde planten, bijna alsof die bedorven waren net als veel proviand. Ze hadden niet veel graan; ze hadden gehoopt van het land te kunnen leven omdat ze te snel reisden voor graanwagens.

Nou, daar zou hij dan maar iets op moeten vinden. Mart verzekerde de cavaleristen dat hij aan het probleem werkte, en ze geloofden hem op zijn woord. Heer Mart had hen nog niet in de steek gelaten. Natuurlijk lagen degenen die hij wel in de steek had gelaten te rotten in hun graf. Hij weigerde een verzoek om de banier te laten wapperen. Misschien na de aanval op Goedlucht. Hij had geen echte voetsoldaten bij zich; die waren allemaal bij Estean en Daerid. Talmanes had wijselijk ingezien dat ze beweeglijk moesten zijn en had de drie banieren cavalerie en bijna vierduizend bereden kruisboogschutters meegenomen. Mart ging nu naar de kruisboogschutters, waar hij even bleef staan kijken bij enkele soldaten die achter het kamp hun schietkunst oefenden. Mart stopte bij een hoge den, waarvan de onderste takken zeker twee voet boven zijn hoofd begonnen, en leunde tegen de stam. De kruisboogschutters oefenden niet zozeer in mikken, maar in coördinatie. Tijdens de meeste veldslagen had je niet echt gelegenheid om te mikken, en daarom werkten kruisbogen ook zo goed. Je had er maar een tiende zoveel oefening mee nodig als met een voetboog. Natuurlijk kon je met die laatste sneller en verder schieten, maar als je geen leven lang de tijd had om te oefenen, dan waren kruisbogen een uitstekende vervanging.

Bovendien maakte het herladen van kruisbogen het gemakkelijker om de soldaten erin te oefenen tegelijkertijd te schieten. De kapitein stond aan het andere uiteinde en sloeg elke twee tellen met een tak tegen een boomstam om het tempo aan te geven. Elke klap tegen het hout was een bevel. Kruisbogen naar de schouder heffen bij de eerste. Vuren bij de tweede. Laten zakken bij de derde. Zwengelen bij de vierde. Weer tegen de schouder bij de vijfde. De mannen werden er goed in; ze vuurden in gecoördineerde salvo’s, zodat ze meer slachtoffers zouden maken. Bij elke vierde klap schoot er een salvo schichten de bomen in.

Daar zullen we er meer van nodig hebben, dacht Mart, die zag hoeveel schichten er versplinterden tijdens de oefenschoten. Je verspilde meer munitie bij het oefenen dan tijdens de strijd, maar elke schicht nu kon er in de strijd twee of drie waard zijn. De mannen werden echt goed. Als hij hiervan een paar banieren had gehad tijdens de strijd bij de Bloedvloed Waterval, dan had Nashif zijn lesje misschien een stuk eerder geleerd.

Natuurlijk zouden ze nog nuttiger zijn als ze sneller konden schieten. Het zwengelen vertraagde hen. Niet het draaien van de zwengel zelf, maar de noodzaak om elke keer de kruisboog te laten zakken. Het kostte vier tellen om het wapen heen en weer te bewegen. De nieuwe zwengels en kisten die Talmanes had leren maken, van die werktuigkundige in Morland, versnelden alles aanzienlijk. Maar de werktuigkundige was op weg geweest om de zwengels te verkopen in Caemlin, en wie weet wie die dingen onderweg nog meer van hem had gekocht? Binnen niet al te lange tijd had iedereen ze misschien wel. Een voordeel was geen voordeel meer als je vijanden het ook hadden.

Die kistjes hadden veel bijgedragen aan Marts succes tegen de Seanchanen in Altara. Hij wilde dat voordeel liever niet uit handen geven. Kon hij er iets op vinden om de bogen nog sneller te laten vuren?

Peinzend bekeek hij nog een paar dingen in het kamp. De Altaranen die ze bij de Bond hadden ingelijfd begonnen aardig te wennen, en behalve het voer voor de paarden en misschien kruisboogschichten zagen de voorraden er goed uit. Tevreden ging hij op zoek naar Aludra.

Ze had zich gevestigd aan de achterzijde van het kamp, bij een smalle kloof in de rotsige helling. Hoewel deze plek veel kleiner was dan het veldje met bomen dat de Aes Sedai en hun bedienden bezetten, was het hier duidelijk meer afgelegen. Mart moest langs drie afzonderlijke stoffen schermen tussen de bomen door lopen – zorgvuldig opgehangen zodat niemand zicht had op Aludra’s werkruimte – voordat hij bij haar aankwam. En hij moest blijven staan toen Baile Domon zijn hand opstak en hem tegenhield totdat Aludra hem toestemming zou geven om binnen te komen.

De slanke, donkerharige vuurwerker zat op een boomstronk te midden van haar kampje, met poedertjes, rollen papier, een schrijfplank voor aantekeningen en gerei netjes uitgespreid op doeken op de grond om haar heen. Ze droeg geen vlechten en haar lange haar viel los om haar schouders. Het zag er vreemd uit, vond Mart. Maar ze bleef knap. Bloedvuur, Mart. Je bent nu getrouwd, vermaande hij zichzelf. Maar Aludra was wel knap.

Egeanin was er ook. Ze hield het omhulsel van een nachtbloem voor Aludra omhoog zodat die eraan kon werken. Aludra, met haar volle lippen, fronste geconcentreerd terwijl ze zachtjes op het omhulsel tikte. Egeanins donkere haar groeide aan en ze leek steeds minder een lid van de Seanchaanse adel. Mart had nog altijd moeite om te besluiten hoe hij de vrouw moest noemen. Ze wilde Leilwin genoemd worden, en soms dacht hij ook zo aan haar. Het was dom om je naam te veranderen alleen omdat iemand zei dat je dat moest doen, maar hij kon haar niet bepaald kwalijk nemen dat ze Tuon niet tegen zich in het harnas wilde jagen. Ze was een verdomd koppige, die Tuon. Hij merkte dat hij weer naar het zuiden wilde kijken, maar hield zich in. Bloed en as! Het ging vast goed met haar. Hoe dan ook, Tuon was weg. Dus waarom bleef Egeanin dan de schijn ophouden en zichzelf Leilwin noemen? Mart had haar één of twee keer bij haar oude naam genoemd na Tuons vertrek, maar daarop was hij meteen berispt.