Vrouwen! Hij snapte ze niet, en Seanchaanse vrouwen nog wel het minst.
Mart wierp een blik op Baile Domon. De gespierde, bebaarde Illianer leunde tegen een boom bij de ingang van Aludra’s kamp, tussen twee flapperende witte doeken die zich aan weerszijden van hem uitstrekten. Hij hield nog steeds zijn waarschuwende hand opgestoken. Alsof dit hele kamp niet van Mart was!
Mart drong zich echter niet langs hem heen. Hij kon het zich niet veroorloven Aludra te beledigen. Ze was bijna klaar met die Drakenontwerpen van haar, en die wilde hij hebben. Maar Licht, het stak hem wel om langs een wachtpost in zijn eigen kamp te moeten!
Aludra keek op van haar werk en streek een losse lok haar achter haar oor. Ze zag Mart staan, keek toen weer naar haar nachtbloem en hervatte het tikken met haar hamer. Bloedas! Toen hij dat zag, wist hij weer waarom hij maar zo zelden bij Aludra op bezoek ging. Die wachter was al erg genoeg, maar moest die vrouw met een hamer op iets slaan wat kon ontploffen? Had ze dan helemaal geen verstand? Maar al die vuurwerkers waren zo. Een paar veulens te kort voor een hele kudde, zoals Marts vader zou zeggen. ‘Hij mag binnenkomen,’ zei Aludra. ‘Dank je, meester Domon.’
‘Het is me een genoegen, meesteres Aludra,’ zei Baile, die zijn hand liet zakken en minzaam naar Mart knikte. Mart trok zijn jas recht en liep naar binnen, met de bedoeling haar vragen te stellen over kruisbogen. Maar iets anders trok onmiddellijk zijn blik. Uitgespreid op de grond achter Aludra lagen enkele bladzijden met tekeningen en een lijst van getallen.
‘Zijn dat de schema’s voor de Draken?’ vroeg Mart gretig. Hij knielde neer om de bladen te bekijken, maar hij raakte ze niet aan. Aludra kon heel moeilijk doen over dat soort dingen. ‘Ja.’ Ze bleef tikken met haar hamer. Ze keek naar hem, met een enigszins onbehaaglijke blik. Vanwege Tuon, vermoedde hij. ‘En die getallen?’ Mart probeerde de onbehaaglijke sfeer te negeren. ‘Benodigde grondstoffen,’ zei ze. Ze legde de hamer neer en bekeek de cilindrische nachtbloem van alle kanten. Toen knikte ze naar Leilwin.
Bloedas, maar dat waren grote getallen! Een berg steenkool, zwavel en... vleermuismest? Volgens haar aantekeningen was er een stad die zich daarin specialiseerde aan de noordkant van de Mistbergen. Wat voor stad specialiseerde zich nu in vleermuismest? Er stond ook bij dat ze koper en tin nodig had, hoewel daar om een of andere reden geen getallen bij stonden. Alleen maar een sterretje. Mart schudde zijn hoofd. Hoe zouden de gewone mensen reageren als ze wisten dat die indrukwekkende nachtbloemen alleen maar bestonden uit papier, poeder en – hoe ongelooflijk ook – vleermuismest? Geen wonder dat vuurwerkers zo geheimzinnig deden over hun vak. Het ging niet alleen maar om het voorkomen van concurrentie. Hoe meer je over het proces wist, hoe minder wonderlijk en hoe gewoner het werd. ‘Dat zijn een hoop grondstoffen,’ zei Mart.
‘Een wonder, daar had je om gevraagd, Martrim Cauton,’ antwoordde ze, terwijl ze haar nachtbloem aan Leilwin overhandigde en haar schrijfplank oppakte. Ze maakte enkele aantekeningen op het vel papier dat erop vastgeklemd zat. ‘Dat wonder heb ik opgedeeld in een lijst van ingrediënten. Een prestatie die op zich al wonderlijk is, ja? Je moet niet klagen over de hitte als iemand je de zon op haar handpalmen aanbiedt.’
‘Het ziet er niet erg uitvoerbaar uit,’ mompelde Mart, voornamelijk in zichzelf. ‘Is dat getal de optelsom van kosten?’
‘Ik ben geen klerk,’ zei Aludra. ‘Dat zijn alleen maar schattingen. De berekeningen, daar ben ik zo ver mogelijk in gegaan, maar de rest zal moeten worden uitgezocht door mensen die daar beter in zijn. De Herrezen Draak, hij kan zich die kosten wel veroorloven.’ Leilwin keek Mart met een eigenaardige uitdrukking aan. Ook bij haar was iets veranderd, vanwege Tuon. Maar niet zoals hij had verwacht. Door de verwijzing naar Rhand begonnen de kleuren voor Marts ogen te wervelen, en hij onderdrukte een zucht terwijl hij ze afschudde. Misschien kon Rhand dergelijke kosten dragen, maar Mart beslist niet. Hij zou moeten dobbelen met de koningin van Andor zelf om zoveel geld te winnen!
Maar dat was Rhands probleem. Het Licht brande hem, hij kon maar beter op prijs stellen wat Mart allemaal voor hem doorstond. ‘Hier staat geen inschatting van mankracht bij,’ merkte Mart op terwijl hij de papieren weer bekeek. ‘Hoeveel klokkengieters heb je nodig voor dit project?’
‘Zoveel als je er kunt krijgen,’ zei Aludra kortaf. ‘Is dat niet wat je me had beloofd? Elke klokkengieter tussen Andor en Tyr?’
‘Je zal wel gelijk hebben,’ antwoordde Mart. Hij had niet verwacht dat ze hem daar werkelijk aan zou houden. ‘Hoe zit het met dat koper en tin? Je hebt daar geen getal bij gezet.’
‘Ik heb het allemaal nodig.’
‘Allemaal... Hoe bedoel je, allemaal?’
‘Allemaal,’ herhaalde ze, eenvoudig en rustig, alsof ze om een schepje wolkbessenzoet voor haar havermout vroeg. ‘Elk beetje koper en tin dat je kunt vinden aan deze kant van de Rug van de Wereld.’ Ze zweeg even. ‘Misschien lijkt dat te hoog gegrepen.’
‘Dat heb je verdomd goed,’ mompelde Mart.
‘Ja,’ zei Aludra. ‘Laten we aannemen dat de Draak het bestuur heeft over Caemlin, Cairhien, Illian en Tyr. Als hij me toegang zou geven tot alle mijnen en pakhuizen met koper en tin in die vier steden, dan neem ik aan dat het voldoende zou zijn.’
‘Alle pakhuizen,’ zei Mart vlak.
‘Ja.’
‘In vier van de grootste steden ter wereld.’
‘Ja.’
‘En jij “neemt aan” dat dat voldoende zou zijn.’
‘Ik geloof dat ik dat net zei, Martrim Cauton.’
‘Geweldig. Ik zal kijken wat ik kan doen. Zal ik meteen ook even regelen dat de Duistere je schoenen komt poetsen als ik toch bezig ben? Misschien kunnen we Artur Haviksvleugel opsnorren en hem een dansje voor je laten doen.’
Leilwin wierp Mart een woeste blik toe toen hij Artur Haviksvleugel noemde. Even later was Aludra klaar met haar aantekeningen en keek Mart aan. Ze sprak op vlakke toon, met slechts een beetje vijandschap. ‘Mijn Draken, die worden een grote kracht voor een leger. Jij beweert dat wat ik vraag buitenissig is. Het is alleen maar nodig.’ Ze keek hem onderzoekend aan. ‘Ik zal niet liegen en zeggen dat ik die achteloosheid van je had verwacht, meester Cauton. Pessimisme, dat is een goede vriendin van je, ja?’
‘Dat is onterecht,’ gromde Mart, die weer naar de tekeningen keek. ‘Ik ken haar amper. Alleen maar een vage kennis, ik zweer het.’ Dat leverde hem wat gesnuif van Baile op. Of het van vermaak of minachting was, was onmogelijk te bepalen zonder om te kijken en zijn gezichtsuitdrukking te peilen. Mart keek niet om. Aludra staarde hem aan. Hun blikken kruisten even, en Mart besefte dat hij waarschijnlijk te kortaf tegen haar was geweest. Misschien voelde hij zich niet op zijn gemak bij haar. Een beetje. Ze waren vrij hecht geweest, vóór Tuon. En was dat verdriet, verborgen in Aludra’s ogen? ‘Het spijt me, Aludra,’ zei hij. ‘Ik had niet zo moeten praten.’ Ze haalde haar schouders op.
Hij haalde diep adem. ‘Luister, ik weet dat... nou, het is vreemd hoe Tuon...’
Ze wuifde met haar hand en snoerde hem de mond. ‘Het is niets. Ik heb mijn Draken. Jij hebt me de gelegenheid gegeven ze te maken. Andere zaken zijn niet langer belangrijk. Ik wens je geluk toe.’
‘Nou,’ zei hij. Hij wreef over zijn kin en zuchtte. Hij kon het maar beter gewoon laten gaan. ‘Hoe dan ook, ik hoop dat ik dit voor elkaar kan krijgen. Je vraagt om een hoop grondstoffen.’
‘Die klokkengieters en grondstoffen,’ zei ze, ‘die heb ik nodig. Niet meer en niet minder. Ik heb hier gedaan wat ik kan, zonder middelen. Ik zal nog wekenlang proeven moeten uitvoeren; we zullen eerst één Draak moeten maken om die uit te proberen. Dus je hebt nog wat tijd om dit allemaal te verzamelen. Maar het zal veel tijd kosten, en toch weiger je me te vertellen wanneer die Draken nodig zullen zijn.’