Выбрать главу

‘Ik kan je geen dingen vertellen die ik zelf niet weet, Aludra,’ zei Mart, terwijl hij naar het noorden keek. Hij voelde een merkwaardig getrek, alsof iemand een vislijn om zijn ingewanden had gedraaid en daar zachtjes maar hardnekkig aan trok. Ben jij dat Rhand, verdomme? Kleuren wervelden. ‘Binnenkort, Aludra,’ hoorde hij zichzelf zeggen. ‘Er is weinig tijd. Zo weinig.’

Ze weifelde, alsof ze iets bespeurde in zijn stem. ‘Nou,’ zei ze, ‘als dat zo is, dan zijn mijn verzoeken niet zo buitensporig, ja? Als de wereld ten strijde trekt, zullen de ovens binnenkort nodig zijn voor pijlpunten en hoefijzers. Beter om ze nu meteen aan mijn Draken te laten beginnen. Maar geloof me, elke Draak die we hebben zal in de strijd duizend zwaarden waard zijn.’

Mart zuchtte, stond op en tikte tegen zijn hoed. ‘Goed dan,’ zei hij. ‘Je hebt gelijk. Aangenomen dat Rhand me niet tot een sintel verbrandt zodra ik dit voorstel, zal ik kijken wat ik kan doen.’

‘Het zou verstandig van je zijn om meesteres Aludra wat meer eerbied te betonen,’ zei Leilwin, die naar Mart keek en sprak met die lijzige, Seanchaanse tongval, ‘in plaats van zo spottend tegen haar te doen.’

‘Dat was gemeend!’ zei Mart. ‘Dat laatste, in ieder geval. Ik mag branden, vrouw. Kun je het niet zien als een man iets meent?’ Ze keek hem aan alsof ze probeerde te achterhalen of die uitspraak ook weer spottend bedoeld was. Mart draaide met zijn ogen. Vrouwen!

‘Meesteres Aludra is geniaal,’ zei Leilwin streng. ‘Je begrijpt het geschenk niet dat ze je geeft met die schema’s. Als het Keizerrijk die wapens had gehad...’

‘Nou, zorg dat je ze daar niet aan geeft, Leilwin,’ zei Mart. ‘Ik wil niet op een ochtend wakker worden en merken dat je er met die tekeningen vandoor bent gegaan in een poging je rang terug te krijgen!’

Ze keek beledigd dat hij zoiets zou opperen, hoewel het wel de logische stap leek. Seanchanen hadden een vreemd gevoel voor eer; Tuon had nooit geprobeerd bij hem weg te vluchten, hoewel ze daar voldoende gelegenheid voor had gehad. Al had Tuon natuurlijk al vanaf het begin vermoed dat ze met hem zou trouwen. Ze had de Voorspelling van die damane gehad. Bloedvuur, hij zou niet weer naar het zuiden kijken!

‘Mijn schip wordt nu voortgedreven door een andere wind, meester Cauton,’ zei Leilwin eenvoudigweg. Ze wendde zich van hem af en keek naar Baile.

‘Maar je wilde ons niet helpen vechten tegen de Seanchanen,’ wierp Mart tegen. ‘Het lijkt erop dat je...’

‘Je zwemt nu in diep water, jongen,’ viel Baile hem met zachte stem in de rede. ‘Ja, diep water, vol leeuwvis. Het wordt misschien tijd om niet meer zo luid te spetteren.’

Mart deed zijn mond dicht. ‘Goed dan,’ zei hij. Zouden die twee hem eigenlijk niet met meer eerbied moeten behandelen? Was hij niet een of andere hoge Seanchaanse prins of zoiets? Hij had moeten weten dat hem dat niet zou baten bij Leilwin of die bebaarde zeeman. Hoe dan ook, hij had het wel oprecht gemeend. Aludra’s woorden waren logisch, hoe gestoord ze aanvankelijk ook klonken. Ze zouden een heleboel smidsovens aan dat werk moeten wijden. De weken die het hem zou kosten om Caemlin te bereiken, leken nu nog bitterder. Die weken onderweg zouden moeten worden besteed aan het bouwen van Draken! Een wijs man leerde dat het geen zin had om je druk te maken over lange voettochten, maar Mart voelde zich de laatste tijd verre van wijs.

‘Goed dan,’ zei hij nog eens. Hij keek om naar Aludra. ‘Maar – om heel andere redenen – zou ik die schema’s graag mee willen nemen en bij me willen houden.’

‘Heel andere redenen?’ vroeg Leilwin op vlakke toon, alsof ze zocht naar weer een belediging.

‘Ja,’ zei Mart. ‘Die redenen zijn namelijk dat ik niet wil dat ze hier liggen als Aludra op het verkeerde ogenblik tegen zo’n nachtbloem tikt en zichzelf halverwege naar Tarwins Kloof blaast!’ Aludra grinnikte daarom, hoewel Leilwin weer beledigd keek. Het viel niet mee om een Seanchaan niet te beledigen. Zij en die stomme Aiel. Vreemd hoe tegengesteld ze in veel opzichten waren, en in zoveel andere juist zo gelijk.

‘Je mag de schema’s meenemen, Mart,’ zei Aludra. ‘Zolang je ze maar in die kist bij je goud bewaart. Dat is het voorwerp in het kamp dat de meeste aandacht van je krijgt.’

‘Vriendelijk bedankt,’ zei hij, bukkend om de bladzijden op te rapen terwijl hij die verhulde belediging negeerde. Hadden ze niet net weer vrede gesloten? Verdomde vrouw. ‘Trouwens, dat was ik bijna vergeten. Weet jij iets van kruisbogen, Aludra?’

‘Kruisbogen?’ vroeg ze.

‘Ja,’ antwoordde Mart, die de papieren opstapelde. ‘Het lijkt me dat er iets op te vinden moet zijn om ze sneller te laden. Je weet wel, zoals die nieuwe zwengels, maar dan misschien met een veer of zoiets. Of een zwengel waaraan je kunt draaien zonder dat je eerst het wapen hoeft te laten zakken.’

‘Dat is niet bepaald mijn vakgebied, Mart,’ antwoordde Aludra. ‘Weet ik. Maar je bent slim in die dingen, en misschien...’

‘Je zult iemand anders moeten zoeken,’ zei Aludra, die zich omdraaide en een volgende halfvoltooide nachtbloem pakte. ‘Ik heb het veel te druk.’

Mart reikte onder zijn hoed en krabde aan zijn hoofd. ‘Dat...’

‘Mart!’ riep een stem. ‘Mart, je moet met mij mee komen!’ Mart draaide zich om toen Olver Aludra’s kamp in rende. Baile stak een waarschuwende hand op, maar natuurlijk rende de jongen daar gewoon onderdoor.

Mart rechtte zijn rug. ‘Wat is er?’ vroeg hij.

‘Er is iemand naar het kamp gekomen,’ zei Olver met een opgewonden gezicht. En dat gezicht was me wat. Oren die te groot waren voor zijn hoofd, een geplette neus, een te brede mond. Bij een kind van zijn leeftijd was die lelijkheid innemend. Dat geluk zou hij niet meer hebben als hij ouder werd. Misschien hadden de mannen in het kamp gelijk dat ze hem leerden omgaan met wapens. Met zo’n gezicht zou hij later in staat moeten zijn zich te verdedigen. ‘Wacht, niet zo snel,’ zei Mart, die Aludra’s schema’s achter zijn riem stopte. ‘Is er iemand? Wie dan? Waarom heb je mij nodig?’

‘Talmanes heeft me gestuurd om je te halen,’ zei Olver. ‘Hij denkt dat het een belangrijk iemand is. Hij zegt dat ze tekeningen van jou bij zich heeft en dat ze een “opvallend gezicht” heeft, wat dat ook betekent. Dat...’

Olver ging nog door, maar Mart luisterde al niet meer. Hij knikte naar Aludra en de anderen en draafde haar kamp uit, langs de schermen het bos in. Olver liep achter hem aan terwijl Mart zich naar de voorkant van het kamp haastte.

Daar, op een gedrongen witte merrie, zat een mollige vrouw met een grootmoederlijke uitstraling, een bruin gewaad en grijze vleugen in haar haren, die in een knot waren gedraaid. Ze werd omringd door een groep soldaten en Talmanes en Mandevwin stonden pal voor haar, als twee stenen pilaren die de ingang van een haven versperden. De vrouw had een Aes Sedai-gezicht, en een oudere zwaardhand stond naast haar paard. Hoewel hij grijzend haar had, straalde de gedrongen man hetzelfde gevaar uit dat alle zwaardhanden om zich heen hadden. Hij bekeek de soldaten van de Bond met onverzettelijke ogen en had zijn armen over elkaar geslagen. De Aes Sedai glimlachte toen Mart kwam aandraven. ‘Ah, heel mooi,’ zei ze nuffig. ‘Je bent gegroeid sinds we elkaar voor het laatst zagen, Martrim Cauton.’

‘Verin,’ zei Mart, enigszins hijgend van het rennen. Hij keek naar Talmanes, die een vel papier omhoog hield: zo’n tekening van Marts gezicht. ‘Heb je ontdekt dat iemand in Goedlucht tekeningen van mij verspreidt?’

Ze lachte. ‘Dat zou je kunnen zeggen.’

Hij keek haar aan en ontmoette die donkerbruine Aes Sedai-ogen. ‘Bloed en bloedas,’ mompelde hij. ‘Jij was het, nietwaar? Jij bent degene die me zocht!’