‘Al enige tijd, mag ik wel zeggen,’ zei Verin luchtig. ‘En tegen mijn wil.’
Mart sloot zijn ogen. Daar ging zijn ingewikkelde plan voor de aanval. Verdomme! En het was nog wel zo’n goed plan geweest. ‘Hoe wist je dat ik hier was?’ vroeg hij toen hij zijn ogen weer opende. ‘Een uur geleden kwam er in Goedlucht een aardige koopman naar me toe, die me vertelde dat hij kortgeleden een vriendelijk onderhoud met je had gehad en dat je hem uitstekend had betaald voor een plattegrond van Goedlucht. Het leek me beter om dat arme stadje een aanval van je... metgezellen te besparen en gewoon maar zelf naar je toe te gaan.’
‘Een uur geleden?’ vroeg Mart fronsend. ‘Maar Goedlucht ligt op een halve dagtocht afstand!’
‘Dat klopt.’ Verin glimlachte.
‘Ik mag branden,’ zei hij. ‘Je kunt Reizen, zeker?’
Haar glimlach werd breder. ‘Ik neem aan dat je probeert naar Andor te komen met je leger, meester Cauton.’
‘Dat hangt ervan af,’ zei Mart. ‘Kun jij ons daarheen brengen?’
‘In heel korte tijd,’ antwoordde Verin. ‘Ik zou je mannen vanavond in Caemlin kunnen hebben.’
Licht! Twintig dagen van zijn voettocht af? Misschien kon hij dan snel Aludra’s Draken laten maken! Hij weifelde, keek naar Verin en dwong zichzelf om zijn opwinding in toom te houden. Er waren altijd kosten aan verbonden als je met Aes Sedai te maken had. ‘Wat wil je?’ vroeg hij. ‘Eerlijk gezegd, Martrim Cauton,’ antwoordde ze met een lichte zucht, ‘wil ik het allerliefst vrij zijn van je ta’veren-web! Weet je hoe lang je me hebt gedwongen om in die bergen te wachten?’
‘Gedwongen?’
‘Ja,’ zei ze. ‘Kom, we hebben veel te bespreken.’ Ze gaf een tik met haar teugels en dreef haar paard het kamp in, en Talmanes en Mandevwin gingen met tegenzin opzij om haar door te laten. Mart sloot zich bij die twee aan en keek toe terwijl ze recht op de kookvuren afreed.
‘Dan komt er zeker geen aanval?’ vroeg Talmanes. Hij klonk niet bedroefd.
Mandevwin raakte zijn ooglap aan. ‘Betekent dit dat ik terug kan naar mijn arme oude tante?’
‘Je hébt geen arme oude tante,’ grauwde Mart. ‘Kom op, laten we maar eens horen wat die vrouw te zeggen heeft.’
‘Best,’ zei Mandevwin. ‘Maar de volgende keer mag ik zwaardhand zijn, goed, Mart?’
Mart zuchtte en haastte zich achter Verin aan.
35
Een zwarte stralenkrans
De koele zeebries spoelde over Rhand heen zodra hij door de Poort reed. Die zachte, zwoele wind droeg de geuren mee van duizend kookvuren verspreid door de stad Falme, waar de stoofpot voor het ochtendmaal werd opgewarmd. Rhand hield Tai’daishar in, niet voorbereid op de herinneringen die die geuren met zich mee zouden brengen. Herinneringen aan een tijd toen hij nog onzeker was over zijn rol in de wereld. Herinneringen aan een tijd toen Mart hem doorlopend had gepest omdat hij mooie jassen droeg, ondanks het feit dat Rhand probeerde het te laten. Herinneringen aan een tijd toen hij zich schaamde voor de banieren die nu achter hem wapperden. Hij had er ooit op gestaan ze verborgen te houden, alsof hij zich daardoor zou kunnen verstoppen voor zijn eigen lot.
De stoet wachtte op hem, met krakende gespen en snuivende paarden. Rhand was ooit één keer kort in Falme geweest. In die tijd had hij nergens lang kunnen blijven. Hij had die maanden doorgebracht met jagen of opgejaagd worden. Fajin had hem naar Falme geleid, met de Hoorn van Valere en de robijnen dolk waarmee Mart was gebonden. De kleuren flitsten weer op toen hij aan Mart dacht, maar Rhand negeerde ze. Tijdens deze korte ogenblikken bevond hij zich niet in het heden.
Falme markeerde een keerpunt in Rhands leven, even belangrijk als het keerpunt dat later was gekomen in de kale landen van de Aiel, toen hij had bewezen de Car’a’carn te zijn. Na Falme had hij zich niet langer verstopt, zich niet meer verzet tegen wat hij was. Dit was de plek waar hij voor het eerst had toegegeven een moordenaar te zijn, de plek waar hij voor het eerst had beseft wat een gevaar hij voor de mensen om hem heen was. Hij had geprobeerd hen allemaal achter te laten. Ze waren achter hem aan gekomen. In Falme had de herdersjongen gebrand, was zijn as verspreid en weggewaaid op de oceaanwind. Vanuit die as was de Herrezen Draak voortgekomen.
Rhand dreef Tai’daishar naar voren en de stoet ging verder. Hij had een Poort laten openen op korte afstand van de stad, hopelijk buiten het zicht van damane. Natuurlijk had hij de Poort door Asha’man laten maken – zodat de wevingen niet zichtbaar waren voor vrouwen – maar hij wilde hun geen aanwijzingen geven over het Reizen. Het Seanchaanse onvermogen om te Reizen was een van zijn grootste voordelen.
Falme zelf lag op een kleine landtong – de Kop van Toman – die uitstak in de Arythische Oceaan. Hoge kliffen langs beide zijden braken de golven en zorgden voor een zacht gedonder in de verte. De donkere stenen bouwwerken van de stad bedekten het schiereiland als stenen in een rivierbedding. De meeste waren gedrongen gebouwen van één verdieping, breed gebouwd, alsof de bewoners verwachtten dat de golven over de kliffen zouden komen en tegen hun huizen zouden beuken. Het grasland hier was niet zo verdroogd als het land in het noorden, maar het nieuwe lentegras zag er nu al geel en ziekelijk uit, alsof de sprieten er spijt van hadden dat ze hun kop boven de grond uit hadden gestoken.
Het schiereiland glooide omlaag naar een natuurlijke haven, en daar lagen talloze Seanchaanse schepen voor anker. Er wapperden Seanchaanse vlaggen, die verklaarden dat deze stad onderdeel was van hun rijk; de banier die het hoogst boven de stad wapperde, was voorzien van blauwe franje en droeg een vliegende gouden havik met drie bliksemschichten in zijn poten.
De vreemde schepsels die de Seanchanen van hun kant van de oceaan hadden meegebracht bewogen zich door de verre straten, zo ver weg dat Rhand er geen bijzonderheden van kon ontwaren. Raken vlogen door de lucht; de Seanchanen hadden hier kennelijk een grote stal. De Kop van Toman lag even ten zuiden van Arad Doman, en deze stad was ongetwijfeld een belangrijk startpunt voor de Seanchaanse veldtocht naar het noorden.
Die verovering zou vandaag eindigen. Rhand moest vrede met hen sluiten, moest de Dochter van de Negen Manen overhalen haar legers terug te roepen. Die vrede zou de kalmte voor de storm zijn. Hij zou zijn mensen niet beschermen tegen oorlog, maar hen behouden zodat ze elders voor Rhand konden sterven. Hij zou doen wat nodig was.
Nynaeve kwam naast hem rijden terwijl ze verdergingen naar Falme. Haar nette gewaad in blauw en wit had een Domaanse snit, maar was gemaakt van een veel dikkere – en veel kuisere – stof. Ze scheen grillen van overal ter wereld over te nemen, zich graag te kleden in gewaden uit de steden die ze bezocht, maar daar voegde ze haar eigen gevoel van wat fatsoenlijk was aan toe.
Ooit zou Rhand dat misschien vermakelijk hebben gevonden. Dat gevoel leek nu niet langer mogelijk voor hem. Hij voelde alleen de koude stilte vanbinnen, de stilte die een fontein van bevroren woede afsloot. Hij zou die woede en stilte lang genoeg in evenwicht moeten houden. Hij had geen keus.
‘En zo keren we terug,’ zei Nynaeve. Haar veelkleurige juwelen-ter’angreaal bedierven het aanzien van haar keurig gesneden gewaad een beetje. ‘Ja,’ bromde Rhand.
‘Ik kan me de vorige keer nog herinneren dat we hier waren,’ zei ze terloops. ‘Zoveel chaos, zoveel waanzin. En aan het eind van dat alles vonden we jou met die wond in je zij.’
‘Ja,’ fluisterde Rhand. Hij had de eerste van zijn niet-genezende wonden hier opgelopen, vechtend tegen Ishamael in de hemel boven de stad. De wond werd warm toen hij daaraan dacht. Warm en pijnlijk. Hij was die pijn gaan zien als een oude vriend, een herinnering dat hij nog leefde.
‘Ik zag je in de lucht,’ zei Nynaeve. ‘Ik kon mijn ogen niet geloven. Ik... heb geprobeerd die wond te Helen, maar ik was toen nog geblokkeerd en kon de nodige woede niet oproepen. Min wilde niet van je zijde wijken.’
Min was vandaag niet meegekomen. Ze bleef dicht bij hem, maar er was iets tussen hen veranderd. Net zoals hij altijd had gevreesd dat zou gebeuren. Als ze naar hem keek, wist hij dat ze zag hoe hij haar vermoordde.