Выбрать главу

Nog maar een paar weken geleden zou hij haar niet hebben kunnen overreden om hem alleen te laten gaan, met geen mogelijkheid. Nu bleef ze achter zonder ook maar één bezwaar te maken. Kilte. Het zou snel voorbij zijn. Geen ruimte voor spijt of verdriet. De Aiel renden vooruit om te kijken of er geen hinderlaag was. Veel van hen droegen de rode hoofdbanden. Rhand maakte zich geen zorgen over een hinderlaag. De Seanchanen zouden hem niet verraden, behalve als er nog een Verzaker in hun midden was. Rhand raakte het zwaard aan dat hij om zijn middel droeg. Het was het kromzwaard met de zwarte schede, beschilderd met een kronkelende draak in rood en goud. Om meer dan één reden deed het hem denken aan de vorige keer dat hij in Falme was. ‘In deze stad heb ik voor het eerst met een zwaard een man gedood,’ zei Rhand zacht. ‘Ik heb er nooit over gesproken. Hij was een Seanchaanse edele, een zwaardmeester. Verin had gezegd dat ik niet moest geleiden in de stad, dus heb ik alleen met het zwaard tegen hem gestreden. Ik heb hem verslagen. Hem gedood.’

Nynaeve trok haar wenkbrauw op. ‘Dus je hebt toch het recht om een Reigerzwaard te dragen.’

Rhand schudde zijn hoofd. ‘Er waren geen getuigen. Mart en Hurin waren elders in gevecht. Ze zagen me meteen na de strijd, maar ze waren niet bij de doodssteek.’

‘Wat maken getuigen uit?’ spotte ze. ‘Je hebt een zwaardmeester verslagen, dus ben je er een. Of anderen dat hebben gezien, doet er niet toe.’

Hij keek haar aan. ‘Waarom zou je het Reigerzwaard dragen als het niet is om gezien te worden door anderen, Nynaeve?’ Ze antwoordde niet. Verderop, even buiten de stad, hadden de Seanchanen een zwart-wit gestreepte luifel opgezet. Er leken honderden paren sul’dam en damane rondom de tent zonder wanden te lopen, de damane in hun opvallende grijze gewaden en de sul’dam in hun rood-met-blauwe gewaden met bliksemschichten op het voorpand. Rhand had maar een paar geleiders meegebracht: Nynaeve, drie Wijzen, Corele, Narishma, Flin. Een fractie van waar hij toegang toe had, zelfs zonder zich te wenden tot zijn troepen die in het oosten waren gelegerd.

Maar nee, het was beter om alleen een symbolische garde mee te nemen, te laten zien dat hij in vrede kwam. Als deze ontmoeting uitliep op een strijd, was het Rhands enige hoop om snel te ontsnappen door een Poort. Of... zelf iets te doen om een einde aan de strijd te maken.

Het standbeeldje van de man met de bol hing voor hem aan het zadel. Daarmee zou hij het misschien kunnen opnemen tegen honderd damane. Tweehonderd. Hij herinnerde zich de Kracht die hij had vastgehouden toen hij saidin reinigde. Het was een Kracht geweest waarmee je steden kon wegvagen, waarmee je iedereen kon vernietigen die tegen je was.

Nee. Zover zou het niet komen. Hij kon het zich niet veroorloven het zover te laten komen. De Seanchanen wisten vast ook wel dat het op rampspoed zou uitlopen als ze hem aanvielen. Rhand was teruggekomen om nogmaals met hen te praten, zich ervan bewust dat een verrader onder hen had geprobeerd hem gevangen te nemen of te doden. Ze moesten inzien dat hij het oprecht meende. Maar als dat niet zo was... Hij reikte omlaag en pakte de toegangssleutel, gewoon voor de zekerheid, en stopte die in de grote zak van zijn jas. Toen, met een diepe ademteug, vermande hij zich en zocht de leegte op. Daar greep hij de Ene Kracht.

Misselijkheid en duizeligheid dreigden hem tegen de grond te smijten. Hij wankelde en klemde zijn benen om Tai’daishar, met zijn hand om de toegangssleutel in zijn zak heen. Hij knarste met zijn tanden. Achter in zijn geest roerde Lews Therin zich. De waanzinnige graaide naar de Ene Kracht. Het was een wanhopig gevecht, en toen Rhand uiteindelijk won, merkte hij dat hij onderuit was gezakt in het zadel. En hij mompelde weer in zichzelf. ‘Rhand?’ vroeg Nynaeve.

Rhand rechtte zijn rug. Hij was toch Rhand? Soms had hij na een strijd zoals deze moeite zich te herinneren wie hij was. Had hij eindelijk Rhand, de indringer, naar de achtergrond geduwd en was hij Lews Therin geworden? De vorige dag was hij rond het middaguur ontwaakt, ineengedoken in de hoek van zijn kamer, huilend en fluisterend over Ilyena. Hij voelde haar zachte, lange gouden haar onder zijn handen en kon zich herinneren dat hij haar had omhelsd. Hij herinnerde zich dat hij haar dood aan zijn voeten had zien liggen, vermoord met de Ene Kracht. Wie was hij?

Maakte het werkelijk uit? ‘Is alles goed?’ vroeg Nynaeve.

‘Alles is goed met ons.’ Rhand besefte pas dat hij het meervoud had gebruikt toen de woorden zijn mond uit waren. Zijn zicht herstelde, hoewel het nog wel een beetje wazig was. Alles was enigszins vervormd, zoals tijdens de strijd met Semirhage die hem zijn hand had gekost. Hij merkte het nog amper op.

Hij rechtte zijn rug wat verder, trok nog een beetje meer kracht naar buiten via de toegangssleutel en vulde zichzelf met saidin. Het was zo zoet, ondanks de misselijkheid die het veroorzaakte. Hij verlangde ernaar meer in zich op te nemen, maar hield zich in. Hij hield al meer Kracht vast dan iedere andere man op eigen houtje voor elkaar kreeg. Het zou wel genoeg zijn. Nynaeve keek naar het beeldje. De bol aan de bovenkant gloeide lichtjes. ‘Rhand...’

‘Ik hou alleen maar een beetje extra vast, als voorzorgsmaatregel.’ Hoe meer van de Ene Kracht iemand vasthield, hoe lastiger diegene af te schermen was. Als de damane probeerden hem gevangen te nemen, zouden ze geschokt zijn over zijn weerbarstigheid. Hij zou misschien zelfs tegen een hele cirkel bestand zijn. ‘Ik laat me niet nog eens vangen,’ fluisterde hij. ‘Nooit meer. Ze zullen me niet verrassen.’

‘Misschien moeten we omkeren,’ zei Nynaeve. ‘Rhand, we hoeven niet op hun voorwaarden naar hen toe. Het...’

‘We blijven,’ zei Rhand zacht. ‘We ontmoeten ze, hier en nu.’ Verderop zag hij een gestalte onder de luifel zitten, aan een tafel op een verhoging. Er stond een stoel tegenover die gestalte, op gelijke hoogte. Dat verbaasde hem; door wat hij over de Seanchanen wist, had hij verwacht te moeten onderhandelen om een gelijke positie te krijgen als iemand van het Bloed.

Was dit de Dochter van de Negen Manen? Dat kind? Rhand fronste toen hij naderbij kwam, maar besefte toen dat ze niet echt een kind was, alleen maar een heel kleine vrouw. Gekleed in het zwart, met een donkere huid als iemand van het Zeevolk. Ze had grijs-witte as op de wangen van haar kalme, ronde gezicht. Toen hij wat beter naar haar keek, leek ze ongeveer van zijn eigen leeftijd te zijn. Rhand haalde diep adem en steeg af. Het werd tijd dat de oorlog eindigde.

De Herrezen Draak was een jongeman. Dat was Tuon verteld, maar iets eraan verbaasde haar toch.

Waarom zou ze verbaasd zijn over zijn jeugdigheid? Veroverende helden waren vaak jong. Artur Haviksvleugel zelf, de grootste stamvader van het rijk, was een jongeman geweest toen hij met zijn zegetocht begon.

Degenen die veroverden, degenen die de wereld bestuurden, brandden snel op, als lampen met onverkorte lonten. Hij droeg goud en rood op zwart, en de knopen van zijn jas fonkelden toen hij van zijn grote zwarte hengst afsteeg en naar de luifel toe liep. De mouwen van zijn zwarte jas waren voorzien van rood en goud borduurwerk – zijn ontbrekende hand viel op toen ze naar die mouwen keek – maar zijn kleding was verder onversierd. Alsof hij geen behoefte zag om met opsmuk de aandacht van zijn gezicht af te leiden. Zijn haar had de kleur van een diepe zonsondergang, een mooie kleur rood. Hij had een vorstelijke houding: ferme passen, vol zelfvertrouwen, de ogen recht vooruit. Tuon was opgeleid om zo te lopen, om ontoegeeflijkheid uit te stralen in de wijze waarop ze liep. Wie had hem opgeleid, vroeg ze zich af. Waarschijnlijk had hij de beste leermeesters gehad om hem voor te bereiden zoals koningen en leiders werden voorbereid. En toch was hij volgens alle verslagen opgegroeid als boerenzoon in een plattelandsdorpje. Was dat misschien een verhaal dat met opzet was verspreid om hem geloofwaardigheid te verlenen bij de gewone mensen?