Hij beende naar de luifel toe, met een marath’damane links van hem. De vrouw droeg een gewaad in de kleur van de hemel op een heldere dag, met zomen in de kleur van wolken. Ze droeg haar haren in een enkele donkere vlecht en had zich getooid met opvallende juwelen. Ze leek ergens ontstemd over, want haar voorhoofd was gefronst en haar mond vormde een streep. Haar aanwezigheid gaf Tuon de rillingen. Je zou denken dat ze inmiddels wat meer gewend was aan marath’damane, na zo lang reizen met Martrim. Maar dat was niet zo. Ze waren onnatuurlijk. Gevaarlijk. Tuon zou even gauw op haar gemak zijn bij een onbeteugelde damane als bij een weideslang om haar enkel, die met zijn tong haar huid aanraakte. Maar als de marath’damane al onrustbarend was, dan gold dat nog meer voor de twee mannen die rechts van de Draak liepen. Een van hen, nog bijna een jongen, droeg vlechten met klokjes in zijn haar. De andere was een oudere man met grijs haar en een gelooid gezicht. Ondanks het leeftijdsverschil liepen ze allebei met de achteloze houding van mannen die vertrouwd waren met de strijd. En ze droegen allebei een zwarte jas met een fonkelende speld op de hoge kraag. Asha’man, werden ze genoemd. Mannen die konden geleiden. Gruwelen die je maar beter zo snel mogelijk kon doden. In Seanchan waren er enkelen geweest die – in hun verlangen naar een onverwacht voordeel – hadden geprobeerd die Tsorov’ande Doon op te leiden, die orkanen met een zwarte ziel. Die dwazen waren snel gevallen, vaak verwoest door degenen die ze hadden willen beheersen. Tuon zette zich schrap. Karede en de doodswachtgardisten om haar heen spanden zich. Het was fijntjes: vuisten die verstrakten langs hun lichaam, adem die rustig werd binnengehaald en uitgeblazen. Tuon keerde zich niet naar hen om, hoewel ze wel een onopvallend gebaar naar Selucia maakte.
‘Blijf kalm,’ sprak de Stem zachtjes tegen de mannen.
Dat zouden ze toch wel doen; het waren doodswachtgardisten. Tuon vond het vreselijk om die opmerking te maken, want het zou hun ogen neerslaan, maar ze wilde geen ongelukken. Praten met de Herrezen Draak zou gevaarlijk zijn. Daar viel niet aan te ontkomen. Zelfs met twintig damane en sul’dam aan weerskanten van de luifel. Zelfs met Karede achter haar en kapitein Musenge en een troep boogschutters die op schootsafstand vanaf een dak toekeken. Zelfs met Selucia rechts van haar, gespannen en klaar voor de aanval, als een jagwin op de hoge rotsen. Zelfs met dat alles was Tuon kwetsbaar. De Herrezen Draak was een kampvuur dat op onverklaarbare wijze was ontbrand in een huis. Je kon niet voorkomen dat de kamer erdoor beschadigde. Je hoopte alleen dat je de rest van het huis kon redden. Hij liep rechtstreeks naar de stoel tegenover Tuon en nam plaats, zonder erbij stil te staan dat ze hem een plek als haar gelijke had gegund. Ze wist dat de anderen zich afvroegen waarom ze nog steeds de as van de rouw droeg, waarom ze zichzelf nog niet tot keizerin had uitgeroepen. De rouwperiode was voorbij, maar Tuon had zich de troon niet toegeëigend.
Het kwam door deze man. De keizerin kon niemand, zelfs de Herrezen Draak niet, als gelijke ontmoeten. De Dochter van de Negen Manen, echter... deze ene man kon haar gelijke zijn. En dus had ze gewacht.
De Herrezen Draak zou er waarschijnlijk niet goed op reageren als iemand anders zich boven hem plaatste, ook niet als die ander daar een volkomen gerechtvaardigde reden voor had. Toen hij ging zitten, schoot er in de verte een bliksemschicht tussen twee wolken heen en weer, hoewel Malai – een damane die de toekomst van het weer kon voorspellen – had volgehouden dat er geen regen in de buurt was. Bliksem op een dag zonder regen. Wees heel voorzichtig, dacht ze naar aanleiding van het voorteken, en pas heel goed op je woorden. Niet het meest heldere voorteken dat bestond. Als ze nog voorzichtiger deed, zou ze moeten gaan vliegen! ‘U bent de Dochter van de Negen Manen,’ zei de Herrezen Draak. Het was een verklaring, geen vraag.
‘U bent de Herrezen Draak,’ antwoordde ze. Kijkend in die leigrijze ogen besefte ze dat haar eerste indruk onjuist was geweest. Hij was geen jongeman. Ja, zijn lichaam was dat van een jongeling. Maar die ogen... dat waren oude ogen.
Hij boog zich een stukje naar voren. Haar doodswachtgardisten spanden zich, en leer kraakte. ‘We sluiten vrede,’ zei Altor. ‘Vandaag. Hier.’
Selucia siste zachtjes. Zijn woorden klonken behoorlijk veel als een eis.
Tuon had hem grote eerbied betoond door hem op haar eigen hoogte te laten zitten, maar niemand gaf de keizerlijke familie bevelen. Altor wierp een blik op Selucia. ‘U kunt uw lijfwacht zeggen dat ze zich kan ontspannen,’ zei hij droogjes. ‘Deze bespreking zal niet uitlopen in een conflict. Ik zal het niet toestaan.’
‘Ze is mijn Stem,’ zei Tuon omzichtig, ‘en mijn Waarheidsspreker. Mijn lijfwacht is de man achter mijn stoel.’
Altor snoof zachtjes. Dus hij was een opmerkzaam man. Of een man met veel geluk. Maar weinigen hadden Selucia’s rol goed ingeschat. ‘U wenst vrede,’ zei Tuon. ‘Hebt u voorwaarden voor uw... aanbod?’
‘Het is geen aanbod, maar een noodzaak,’ antwoordde Altor. Hij sprak met milde stem. Al die mensen spraken met zulke snelle woorden, maar die van Altor droegen een bepaald gewicht. Hij deed haar aan haar moeder denken. ‘De Laatste Slag komt eraan. Uw volk herinnert zich ongetwijfeld de Voorspellingen. Door deze oorlog van u door te zetten, brengt u ons allemaal in gevaar. Mijn legers – de legers van iedereen – zijn nodig voor de strijd tegen de Schaduw.’ De Laatste Slag zou plaatsvinden tussen het Keizerrijk en de legers van de Duistere. Dat wist iedereen. De Voorspellingen toonden duidelijk aan dat de keizerin degenen zou verslaan die de Schaduw dienden, en dan zou zij de Herrezen Draak naar een tweegevecht met Lichteter sturen.
Hoeveel daarvan had hij vervuld? Hij leek niet blind, dus dat moest nog gebeuren. Volgens de Essanik Reeks zou hij op zijn eigen graf staan te huilen. Of had die voorzegging te maken met de doden die gingen dwalen, zoals ze nu al deden? Enkele van die geesten hadden al over hun eigen graf gelopen. De geschriften waren soms onduidelijk.
Deze mensen schenen veel van de Voorspellingen vergeten te zijn, net zoals ze hun geloften om naar de Terugkeer uit te kijken waren vergeten. Maar dat zei ze niet. Pas goed op je woorden...
‘Dus u gelooft dat de Laatste Slag ophanden is?’ vroeg ze. ‘Ophanden?’ vroeg Altor. ‘Hij is zo dichtbij als een huurmoordenaar die zijn smerige adem in je nek blaast terwijl hij zijn mes over je huid laat glijden. Het is zo dichtbij als de laatste klokslag van middernacht nadat de andere elf hebben geslagen. Ophanden? Ja, hij nadert. Met afschrikwekkende vaart.’
Had de waanzin hem al in de greep? Als dat zo was, dan zou het de zaken bemoeilijken. Ze keek hem onderzoekend aan, speurend naar tekenen van waanzin. Hij leek zichzelf in de hand te hebben.
Een zeebries woei onder de luifel door, ruiste langs het canvas en droeg de geur van rotte vis mee. Veel dingen schenen tegenwoordig te rotten.
Die schepsels, dacht ze. De Trolloks. Wat voorspelde hun uiterlijk? Tylee had ze vernietigd, en de verkenners hadden geen andere meer gevonden. Kijkend naar de intensiteit van die man aarzelde ze. Ja, de Laatste Slag naderde, kwam misschien al wel zo snel als hij beweerde. Dat maakte het des te belangrijker dat ze deze landen onder haar banier verenigde.
‘U moet inzien waarom dit zo belangrijk is,’ zei de Herrezen Draak. ‘Waarom verzet u zich tegen me?’
‘Wij zijn de Terugkeer,’ antwoordde Tuon. ‘De voortekens zeiden dat het tijd was dat we kwamen, en we verwachtten een verenigd koninkrijk aan te treffen, klaar om ons te dienen en ons legers te lenen voor de Laatste Slag. In plaats daarvan vonden we een verdeeld land dat zijn geloften was vergeten en zich op niets had voorbereid. Hoe kunt u niet inzien dat we moeten vechten? Het doet ons geen genoegen om jullie te doden, net zomin als een ouder er genoegen in schept om een opstandig kind te straffen.’ Altor keek haar ongelovig aan. ‘Zijn wij kinderen in uw ogen?’
‘Het was maar een metafoor,’ zei Tuon.
Hij bleef even zitten en wreef over zijn kin. Gaf hij haar de schuld van het verlies van zijn andere hand? Falendre had het erover gehad. ‘Een metafoor,’ zei hij. ‘Een toepasselijke, misschien. Ja, het land had inderdaad een gebrek aan eenheid, maar ik heb het aaneen gesmeed. De verbinding is misschien zwak, maar hij zal lang genoeg standhouden. Als ik er niet was, dan zou uw oorlog voor vereniging prijzenswaardig zijn. Zoals het er nu voor staat, bent u een afleiding. We hebben vrede nodig. Ons bondgenootschap hoeft alleen maar stand te houden totdat mijn leven eindigt.’ Hij keek haar in de ogen. ‘Ik verzeker u ervan dat dat niet overdreven lang meer duurt.’ Ze zat met haar armen over elkaar geslagen aan de brede tafel. Als Altor zijn hand uitstak, zou hij haar niet kunnen aanraken. Dat was opzet, hoewel het achteraf gezien een belachelijke voorzorgsmaatregel was. Hij zou zijn hand niet nodig hebben als hij besloot haar te doden. Daar kon ze maar beter niet aan denken. ‘Als u de waarde inziet van die vereniging,’ zei ze, ‘misschien moet u dan uw landen verenigen onder de Seanchaanse vlag, uw mensen de geloften laten afleggen en...’ De vrouw die achter Altor stond, de marath’damane, zette grote ogen op terwijl Tuon sprak. ‘Nee,’ viel Altor haar in de rede.