Выбрать главу

‘Maar u ziet toch wel in dat één heerser, met...’

‘Nee,’ herhaalde hij, zacht maar met meer nadruk. Gevaarlijker. ‘Ik wil niet dat er nog meer mensen worden geketend met die smerige leibanden van u.’

‘Smerig? Het is de enige manier om om te gaan met lieden die kunnen geleiden!’

‘We hebben eeuwenlang zonder die dingen overleefd.’

‘En jullie hebben...’

‘Dit is geen punt waarop ik zal inbinden,’ zei Altor. Tuons wachters – ook Selucia – knarsten met hun tanden, en de mannen lieten hun hand naar hun zwaardgevest zakken. Hij had haar nu al twee maal achtereen in de rede gevallen. De Dochter van de Negen Manen! Waarom was hij zo lomp?

Hij was de Herrezen Draak, daarom. Maar zijn woorden waren dwaasheid. Hij zou voor haar buigen als ze eenmaal keizerin was. De voorspellingen eisten het. Dat moest toch betekenen dat zijn koninkrijken zouden samengaan met het keizerrijk? Ze had het gesprek aan haar beheersing laten ontglippen. De marath’damane waren voor velen aan deze kant van de oceaan een gevoelig onderwerp. Ze begrepen waarschijnlijk de logica achter het beteugelen van de vrouwen, maar hun gebruiken waren moeilijk af te leren. Daarom vonden ze het ongetwijfeld zo onaangenaam om over dit soort dingen te praten.

Ze moest het gesprek een andere kant op sturen. Naar een onderwerp dat de Herrezen Draak van zijn stuk zou brengen. Ze keek hem onderzoekend aan.

‘Is dit alles waar ons gesprek over zal gaan?’ vroeg ze. ‘We zitten tegenover elkaar en praten alleen maar over onze verschillen?’

‘Waar zouden we het anders over moeten hebben?’ vroeg Altor. ‘Misschien over iets wat we gemeen hebben.’

‘Ik betwijfel of er op dat gebied veel toepasselijks is.’

‘O?’ vroeg Tuon. ‘En hoe zit het met Martrim Cauton?’ Ja, dat schokte hem. De Herrezen Draak knipperde met zijn ogen en zijn mond ging een stukje open. ‘Mart?’ vroeg hij. ‘Kent u Mart? Hoe...’

‘Hij heeft me eens ontvoerd,’ zei Tuon. ‘En me door zo’n beetje heel Altara gesleurd.’

De Herrezen Draak gaapte haar aan, maar toen deed hij zijn mond dicht. ‘Ik weet het weer,’ zei hij zacht. ‘Ik heb u gezien. Bij hem. Ik had u niet meteen gekoppeld aan dat gezicht. Mart... wat heb je uitgevoerd?’

Heb je ons gezien? dacht Tuon sceptisch. Dus de waanzin had zich toch geopenbaard. Zou dat hem gemakkelijker te manipuleren maken, of juist moeilijker? Waarschijnlijk dat laatste, helaas. ‘Nou,’ zei Altor uiteindelijk, ‘ik vertrouw erop dat Mart zijn redenen had. Die heeft hij altijd. En ze lijken op die ogenblikken zo logisch voor hem...’

Dus Martrim kende de Herrezen Draak echt; hij zou een uitstekend stuk gereedschap voor haar zijn. Misschien was hij daarom naar haar toe geleid, zodat zij een middel zou hebben om meer over de Herrezen Draak aan de weet te komen. Ze zou hem terug moeten halen voordat hij haar op dat gebied kon helpen.

Martrim zou dat niet leuk vinden, maar hij zou naar rede moeten luisteren. Hij was Eerste Prins van de Raven. Hij moest worden verheven tot het Hoge Bloed, zijn hoofd scheren en leren hoe hij op de juiste wijze moest leven. Dat leek haar allemaal jammer, om redenen die ze zelf niet kon verklaren.

Ze kon zichzelf er niet van weerhouden nog wat over hem door te vragen. Deels omdat het onderwerp Altor van zijn stuk leek te brengen, en deels omdat ze nieuwsgierig was.

‘Wat voor soort man is hij, die Martrim Cauton? Ik moet toegeven dat ik hem nogal een slome schurk vond, die te snel uitvluchten vond om zijn geloften te vergeten.’

‘Spreek niet zo over hem!’ Verbazingwekkend genoeg kwamen die woorden van de marath’damane die naast Altors stoel stond. ‘Nynaeve...’ begon Altor.

‘Leg me niet het zwijgen op, Rhand Altor,’ zei de vrouw, die haar armen over elkaar sloeg. ‘Hij is ook jouw vriend.’ De vrouw keek weer naar Tuon, recht in haar ogen! Een marath’damane! Ze vervolgde: ‘Martrim Cauton is een van de beste mannen die u ooit zult kennen, Hoogheid, en ik luister niet naar smaad over hem. Wat waar is, is waar.’

‘Nynaeve heeft gelijk,’ zei Altor met tegenzin. ‘Hij is een goed mens. Mart kan soms misschien een beetje lomp lijken, maar hij is de meest standvastige vriend die iemand zich kan wensen. Hoewel hij wel zeurt over wat zijn geweten hem allemaal ingeeft.’

‘Hij heeft mijn leven gered,’ zei de marath’damane. ‘Hij heeft me gered, tegen een grote prijs en ondanks groot gevaar, toen niemand anders eraan dacht me te komen redden.’ Haar ogen gloeiden van woede. ‘Ja, hij drinkt en gokt veel te veel. Maar spreek niet over hem alsof u hem kent, want u kent hem niet. Zijn hart is van goud, onder die ruwe bolster. Als u hem iets hebt aangedaan...’

‘Hem iets aangedaan?’ vroeg Tuon. ‘Hij had mij ontvoerd!’

‘Als dat zo was, dan had hij daar reden toe,’ benadrukte Rhand Altor.

Wat een trouw! Wederom was Tuon gedwongen haar beeld van Martrim Cauton bij te stellen.

‘Maar dat doet er allemaal niet toe.’ zei Altor, die plotseling opstond. Een van de doodswachtgardisten trok zijn zwaard. Altor loerde naar de wachter en Karede gebaarde snel naar de man, die beschaamd en met neergeslagen blik zijn zwaard weer wegstak. Altor zette zijn hand op de tafel. Hij leunde naar voren en ving Tuons blik. Wie zou er kunnen wegkijken van die intense grijze ogen, zo lijkend op staal? ‘Niets van dit alles doet ertoe. Mart doet er niet toe. Onze overeenkomsten en onze verschillen doen er niet toe. Het enige wat ertoe doet, is wat nodig is. En ik heb u nodig.’ Hij boog zich verder naar voren en torende boven haar uit. Zijn gestalte veranderde niet, maar hij leek plotseling wel honderd voet lang. Hij sprak met diezelfde rustige, doordringende stem, maar daar lag nu dreiging in. Een gevaarlijke klank.

‘U moet uw aanvallen staken,’ zei hij, bijna op een fluistertoon. ‘U moet een verdrag met mij aangaan. Dit zijn geen verzoeken. Het is mijn wil.’

Tuon merkte dat ze er ineens naar verlangde hem te gehoorzamen. Hem te behagen. Een verdrag. Een verdrag zou uitstekend zijn, het zou haar een kans bieden om haar greep op de landen hier te verstevigen. Ze kon voorbereiden hoe ze de orde zou herstellen in Seanchan. Ze kon rekruteren en opleiden. Zo veel mogelijkheden openden zich voor haar, alsof haar geest plotseling vastberaden was om alle voordelen van het verbond te zien, en niets van de nadelen ervan.

Ze reikte naar die nadelen, deed haar best om te zien welke problemen er zouden ontstaan als ze zich met die man verenigde. Maar ze werden vloeibaar in haar gedachten en glipten weg. Ze kon ze niet grijpen en bezwaren onder woorden brengen. Het werd stil onder de luifel toen de wind ging liggen.

Wat gebeurde er met haar? Ze was buiten adem, alsof er een gewicht op haar borst drukte. Ze had het gevoel dat ze niet anders kon dan buigen voor de wil van die man!

Zijn gezicht stond grimmig. Ondanks het middaglicht was zijn gelaat beschaduwd, veel meer dan al het andere onder het tentdak. Hij hield haar blik nog altijd vast, en haar ademhaling was snel en gejaagd. Vanuit haar ooghoeken dacht ze iets om hem heen te zien.