Выбрать главу

Een donker waas, een zwarte stralenkrans. Het vervormde de lucht als een grote hitte.

Haar keel kneep samen en woorden vormden zich. Ja. Ja.. Ik zal doen wat u vraagt. Ja. Ik moet. Ik moet. ‘Nee,’ zei ze, maar het was amper een fluistering. Zijn gezicht betrok nog verder en ze zag woede in hoe hij zijn hand op tafel drukte, zijn vingers trillend van kracht. In hoe hij zijn kaken op elkaar klemde. In hoe zijn ogen groter werden. Zo intens. ‘Ik heb...’ begon hij.

‘Nee,’ herhaalde ze met toenemend vertrouwen. ‘U zult voor mij buigen, Rhand Altor. Andersom zal het niet gebeuren.’ Zoveel duisternis! Hoe kon één man dat bevatten? Hij leek een schaduw te werpen ter grootte van een berg.

Ze kon zich niet verbinden aan dit schepsel. Die ziedende haat maakte haar doodsbang, en doodsangst was een gevoel waarmee ze niet vertrouwd was. Deze man mocht niet de vrijheid krijgen om te doen wat hij wilde. Hij moest worden beheerst.

Hij keek haar nog een tijdje aan. ‘Goed,’ zei hij. Zijn stem was ijs. Hij draaide zich om en beende zonder om te kijken de luifel uit. Zijn geleide volgde; allemaal, ook de marath’damane met de vlecht, keken ze verontrust. Alsof zijzelf er niet zeker van waren wat – of wie – ze volgden in deze man.

Tuon keek hem hijgend na. Ze mocht niet aan de anderen laten merken hoezeer ze van haar stuk gebracht was. Ze mochten niet weten dat ze hem, op dat laatste ogenblik, had gevreesd. Ze bleef kijken totdat zijn gestalte te paard achter de heuvels was verdwenen. En nog steeds trilden haar handen. Ze vertrouwde haar stem niet. Niemand sprak in de tijd die het haar kostte om te kalmeren. Misschien waren ze even ontdaan als zij. Misschien voelden ze haar ongerustheid aan. Eindelijk, lang nadat Altor vertrokken was, stond Tuon op. Ze draaide zich om en keek de verzamelde leden van het Bloed, de generaals, de soldaten en de wachters aan. ‘Ik ben de keizerin,’ zei ze met zachte stem.

Als één vielen ze op hun knieën, en zelfs het Hoge Bloed wierp zich ter aarde.

Dat was de enige plichtpleging die nodig was. O, er zou nog een echte kroning plaatsvinden in Ebo Dar, met optochten en audiënties. Ze zou persoonlijke geloften van trouw aanvaarden van elk lid van het Bloed, en ze zou de kans krijgen – zoals gebruik was – om ieder van hen eigenhandig terecht te stellen, zonder reden, als ze dacht dat diegene tegen haar opstijgen naar de troon gekant was geweest.

Dat allemaal zou nog komen, en meer. Maar haar eigen verklaring was de werkelijke kroning. Uitgesproken door de Dochter van de Negen Manen na de rouwperiode.

De festiviteiten begonnen zodra ze iedereen liet opstaan. Er zou een week van uitgelatenheid volgen. Een noodzakelijke afleiding. De wereld had haar nodig. De wereld had een keizerin nodig. Vanaf nu zou alles veranderen.

Terwijl de da’covale opstonden en lofliederen ter ere van haar verheffing aanhieven, stapte Tuon naar generaal Galgan toe. ‘Geef dit aan generaal Yulan door,’ zei ze zacht. ‘Zeg hem dat hij zijn aanval op de marath’damane van Tar Valon voorbereidt. We moeten toeslaan tegen de Herrezen Draak, en snel ook. Die man mag niet nog meer kracht verzamelen dan hij al heeft.’

36

De dood van Tuon

‘Ik ben mijn reis begonnen in Tyr,’ vertelde Verin. Ze nam plaats op Marts beste stoel, gemaakt van donker notenhout met een mooi roomwit kussen erop. Tomas ging achter haar staan, met zijn hand op de knop van zijn zwaard. ‘Het was mijn bedoeling om naar Tar Valon te gaan.’

‘Hoe ben je dan hier beland?’ vroeg Mart nog altijd argwanend, terwijl hij op de kussens van het bankje plaatsnam. Hij haatte dat ding; het was volkomen onmogelijk om er op wat voor wijze dan ook behaaglijk op te zitten. De kussens hielpen niet. Eigenlijk maakten ze de zitting nog onhandiger. Dat stomme ding moest zijn ontworpen door waanzinnige, schele Trolloks en gebouwd met de botten van verdoemden. Dat was de enige redelijke verklaring. Hij verschoof op het bankje en riep bijna om een andere stoel, maar Verin ging al door met haar verhaal. Mandevwin en Talmanes waren ook in de tent; de eerste bleef met over elkaar geslagen armen staan, de laatste liet zich op de vloer zakken. Thom zat op de grond aan de andere kant van de tent en keek met schattende ogen naar Verin. Ze waren allemaal in Marts kleine overlegtent, die alleen bedoeld was voor korte besprekingen tussen officiers. Mart had Verin niet naar zijn eigenlijke zittent willen halen, aangezien daar nog de plannen voor de aanval op Goedlucht lagen.

‘Dat vraag ik me zelf ook af, meester Cauton,’ zei Verin glimlachend. ‘Hoe ben ik hier beland? Het was beslist niet mijn bedoeling. En toch ben ik hier.’

‘U zegt het bijna alsof het een ongelukje was, Verin Sedai,’ zei Mandevwin. ‘Maar we hebben het over een afstand van enkele honderden roeden!’

‘Bovendien,’ voegde Mart eraan toe, ‘kun je Reizen. Dus als je naar de Witte Toren wilde, waarom ben je daar dan verdomme niet naartoe Gereisd?’

‘Goede vragen,’ zei Verin. ‘Zou ik een kop thee kunnen krijgen?’ Mart zuchtte, verschoof weer op dat duivelse bankje en beduidde Talmanes dat hij thee moest laten komen. Talmanes stond op en dook even naar buiten om de bestelling door te geven, keerde toen terug en nam weer plaats.

‘Dank je,’ zei Verin. ‘Ik merk dat ik behoorlijk dorstig ben.’ Ze straalde die verstrooidheid uit die zo vaak voorkwam bij zusters van de Bruine Ajah. Vanwege de gaten in zijn geheugen was Marts eerste ontmoeting met Verin wazig voor hem. In feite was zijn hele herinnering aan haar nogal vaag. Maar hij scheen zich wel te herinneren dat hij had gevonden dat ze het temperament had van een geleerde. Deze keer, terwijl hij haar onderzoekend bekeek, leken haar gedragingen hem te overdreven. Alsof ze steunde op de vooroordelen over Bruine zusters, daar gebruik van maakte. Om mensen te bedotten, zoals een straatartiest plattelandsjongens bedotte met een slim spelletje met drie speelkaarten.

Ze keek hem aan. Die glimlach om haar mondhoeken? Dat was de glimlach van een bedriegster die het niet kon schelen dat je haar bedrog doorzag. Nu je het begreep, konden jullie allebei genieten van het spel, en misschien konden jullie samen iemand anders bij de neus nemen.

‘Besef je wel hoe sterk ta’veren je bent, jongeman?’ vroeg Verin. Mart haalde zijn schouders op. ‘Rhand is degene die je voor dat soort dingen moet hebben. Echt, ik stel niks voor vergeleken bij hem.’ Die rottige kleuren!

‘O, ik zou er niet over peinzen het belang van de Draak af te zwakken,’ zei Verin grinnikend. ‘Maar je kunt je licht niet verbergen in zijn schaduw, Martrim Cauton. Niet in aanwezigheid van ieder ander dan een blinde, althans. In elk ander tijdperk zou je ongetwijfeld de allersterkste ta’veren zijn die leefde. Misschien wel de sterkste die in eeuwen heeft geleefd.’

Mart verschoof weer op het bankje. Bloedas, hij haatte het dat het nu leek alsof hij zat te wurmen. Misschien moest hij maar gewoon gaan staan. ‘Waar heb je het over, Verin?’ zei hij in plaats daarvan. Hij sloeg zijn armen over elkaar en probeerde in ieder geval te doen alsof hij op zijn gemak was.

‘Ik heb het over hoe je me het halve continent over hebt gesleurd.’ Haar glimlach verbreedde toen er een soldaat binnenkwam met een dampende beker muntthee. Ze pakte die dankbaar aan, en de soldaat trok zich terug.

‘Gesleurd?’ vroeg Mart. ‘Je was naar mij op zoek.’

‘Pas nadat ik vastgesteld had dat het Patroon me ergens naartoe trok.’ Verin blies op haar thee. ‘Dat wees op jou of Perijn. Het kon niet door Rhand komen, aangezien ik hem gemakkelijk kon verlaten.’

‘Rhand?’ vroeg Mart, terwijl hij een volgende uitbarsting van kleuren onderdrukte. ‘Ben je bij hem geweest?’ Verin knikte.

‘Hoe... kwam hij over?’ vroeg Mart. ‘Is hij... je weet wel...’

‘Waanzinnig?’ vroeg Verin. Mart knikte.

‘Ik vrees van wel,’ zei Verin, en haar mondhoeken doken een stukje omlaag. ‘Ik denk echter dat hij zichzelf nog wel in de hand heeft.’