‘Die verdomde Ene Kracht,’ zei Mart, reikend onder zijn hemd om de troostrijke vossenkoppenning aan te raken. Verin keek op. ‘O, ik ben er niet van overtuigd dat alle problemen van de jonge Altor geheel te wijten zijn aan de Kracht, Martrim. Er zijn er velen die zijn opvliegendheid zouden willen toeschrijven aan saidin, maar dan zou je de ongelooflijke druk negeren die wij bij die arme jongen op de schouders hebben gelegd.’ Mart trok zijn wenkbrauw op en keek Thom even aan. ‘Hoe dan ook,’ Verin nam een slok thee, ‘je kunt niet te veel wijten aan de smet, want die zal hem niet langer lastigvallen.’
‘O nee?’ vroeg Mart. ‘Heeft hij besloten niet meer te geleiden?’ Ze lachte. ‘Een vis zou nog eerder ophouden met zwemmen. Nee, de smet zal hem niet langer lastigvallen, omdat de smet er niet meer is. Altor heeft saidin gereinigd.’
‘Wat?’ vroeg Mart scherp, en hij ging rechtop zitten. Verin nam een slok thee. ‘Meen je dat?’ vroeg Mart. ‘Jazeker,’ antwoordde ze.
Mart keek weer naar Thom. Toen plukte hij aan zijn jas en streek met zijn hand door zijn haar.
‘Wat doe je?’ vroeg Verin met enig vermaak.
‘Weet ik niet,’ zei Mart schaapachtig. ‘Ik geloof dat ik gewoon het gevoel heb dat ik me anders zou moeten voelen of zoiets. De hele wereld is toch ineens veranderd?’
‘Dat zou je wel kunnen zeggen,’ zei Verin, ‘hoewel ik denk dat de reiniging zelf meer wegheeft van een kiezel die in een vijver is gegooid. Het zal nog even duren voordat de golfjes de oever bereiken.’
‘Een kiezel?’ vroeg Mart. ‘Een kiezel?’
‘Nou, misschien eerder een rotsblok.’
‘Een verdomde berg, als je het mij vraagt,’ mompelde Mart. Hij ging weer achteroverzitten op het afschuwelijke bankje. Verin grinnikte. Verrekte Aes Sedai. Moesten ze altijd zo doen? Het was waarschijnlijk weer een gelofte die ze hadden afgelegd en waar ze niemand over hadden verteld, iets wat te maken had met raadselachtig doen. Hij staarde haar aan. ‘Waarom grinnik je?’ vroeg hij uiteindelijk.
‘Zomaar,’ zei ze. ‘Ik vermoed alleen dat je straks iets zult gaan voelen van wat ik de afgelopen dagen heb gedaan.’
‘En dat was?’
‘Nou,’ zei ze, ‘ik geloof dat ik het daar net over had toen we op een zijspoor naar niet ter zake doende onderwerpen belandden.’
‘Op de reiniging van de Ware Bron, verdomme,’ mompelde Mart. ‘Ongelooflijk.’
‘Ik heb heel merkwaardige gebeurtenissen meegemaakt,’ vervolgde Verin. Ze negeerde Mart, natuurlijk. ‘Jij bent je hier misschien niet van bewust, maar om vanaf een bepaalde plek te kunnen Reizen, moet je er enige tijd doorbrengen. Meestal is het voldoende om ergens een nacht te blijven. Dus na mijn afscheid van de Draak ben ik naar een nabijgelegen dorp gegaan en heb een kamer genomen in de herberg. Ik verkende mijn kamer en bereidde me voor om de volgende morgen een Poort te openen.
Maar midden in de nacht kwam de herbergier aan. Hij legde me wat nors uit dat ik moest verhuizen. Schijnbaar was er een lek ontdekt in het dak boven mijn kamer, en het zou straks door de zoldering gaan sijpelen. Ik wilde niet, maar hij drong aan. En dus verhuisde ik naar de overkant van de gang en begon die kamer te verkennen. Net toen ik het gevoel had dat ik hem goed genoeg kende om een Poort te openen, werd ik weer gestoord. Deze keer verklaarde de herbergier – met meer schaamte – dat zijn vrouw tijdens de ochtendschoonmaak haar ring in die kamer was kwijtgeraakt. Zijn vrouw was ’s nachts wakker geworden en was heel erg overstuur. De herbergier – die er nogal vermoeid uitzag – vroeg me schoorvoetend of ik weer wilde verhuizen.’
‘Nou, en?’ vroeg Mart. ‘Toeval, Verin.’
Ze trok haar wenkbrauw naar hem op en glimlachte toen hij weer op het bankje verschoof. Bloedvuur, hij zat niet te wurmen! ‘Ik heb geweigerd, Martrim,’ zei ze. ‘Ik zei tegen de herbergier dat hij gerust de kamer mocht doorzoeken zodra ik weg was, en ik beloofde dat ik eventuele ringen die ik vond niet zou meenemen. Toen sloot ik ferm de deur voor zijn neus.’ Ze nam een slok thee. ‘Niet lang daarna vloog de herberg in brand. Een kooltje uit de haard was op de vloer gerold, en het hele gebouw brandde tot op de grond toe af. Iedereen ontkwam, gelukkig, maar de herberg was volledig verloren. Moe en met dikke ogen van de slaap moesten Tomas en ik naar het volgende dorp rijden en daar een kamer nemen.’
‘Dus?’ zei Mart. ‘Volgens mij nog steeds toeval.’
‘Dit ging drie dagen zo door,’ zei Verin. ‘Ik werd zelfs gestoord als ik probeerde een plek buiten te verkennen voor een Poort. Willekeurige voorbijgangers die vroegen of ze bij ons vuur mochten zitten, een omvallende boom op ons kamp, een kudde schapen die voorbijkwam, een storm uit het niets. Allerlei willekeurige gebeurtenissen die me er steeds van weerhielden om de omgeving te verkennen.’
Talmanes floot zachtjes. Verin knikte. ‘Elke keer als ik mijn omgeving wilde verkennen, ging er iets mis. Ik werd onvermijdelijk om een of andere reden verplaatst. Maar als ik besloot niet te proberen een plek te verkennen en me niet voornam om een Poort te maken, gebeurde er niets. Een ander zou gewoon verder zijn getrokken en zou voorlopig het Reizen uit haar hoofd hebben gezet, maar mijn aard liet zich gelden en ik ging het fenomeen bestuderen. Het was heel regelmatig.’
Bloedas. Dat was het soort iets wat Rhand bij mensen zou moeten oproepen. Niet Mart. ‘Volgens jouw redenering zou je dan nog in Tyr moeten zijn.’
‘Ja,’ zei ze, ‘maar weldra begon ik een trekkerig gevoel te krijgen. Iets wat aan me trok, aan me rukte. Alsof...’
Mart verschoof nog eens. ‘Alsof iemand een vishaak in je heeft geslagen? Iemand die ver weg staat en er zachtjes maar hardnekkig aan trekt?’
‘Ja,’ zei Verin. Ze glimlachte. ‘Wat een goede beschrijving.’ Mart reageerde niet.
‘Ik besloot op aardsere wijze verder te trekken. Ik dacht dat mijn onvermogen om te Reizen mogelijk iets te maken had met de nabijheid van Altor, of misschien met het geleidelijke ontrafelen van het Patroon door de invloed van de Duistere. Ik wist een plekje te bemachtigen op een handelskaravaan die noordwaarts naar Cairhien vertrok. Ze hadden een lege wagen die ze voor een redelijke prijs wilden verhuren. Ik was erg vermoeid van de vele slapeloze nachten door brand, huilende zuigelingen en het doorlopend verhuizen van de ene herberg naar de andere. Als zodanig, vrees ik, heb ik veel langer geslapen dan ik had moeten doen. Tomas was ook ingedut. Toen we wakker werden, waren we verbaasd te ontdekken dat de karavaan naar het noordwesten was afgebogen in plaats van naar Cairhien te gaan. Ik sprak met de karavaanmeester, en hij vertelde dat hij op het laatste ogenblik de tip had gekregen dat zijn waren in Morland een betere prijs zouden opbrengen dan in Cairhien. Toen hij erbij stilstond, zei hij dat hij me eigenlijk van de wijziging op de hoogte had moeten brengen, maar dat hij er geen ogenblik aan had gedacht.’
Ze nam nog een slok thee. ‘Toen wist ik zeker dat ik werd gestuurd. De meeste mensen zouden het niet hebben opgemerkt, vermoed ik, maar ik heb onderzoek gedaan naar de aard van ta’veren. De karavaan was niet ver naar Morland doorgereden – slechts één dag – maar met dat trekkerige gevoel erbij was het voldoende voor me. Ik besprak het met Tomas, en we besloten een andere richting op te gaan dan die waarheen we werden getrokken. Scheren is een povere vervanging voor Reizen, maar het heeft niet dezelfde beperking dat je de omgeving moet kennen. Ik opende een Poort, alleen toen we aan het eind van onze reis waren, stapten we niet in Tar Valon naar buiten, maar in een klein dorpje in noordelijk Morland! Dat had niet mogelijk moeten zijn. Toen we er echter over nadachten, beseften Tomas en ik dat hij me net voordat ik de Poort opende over een goede herinnering aan een jachtpartij bij het dorp Goedlucht had verteld. Ik moet me dus op de verkeerde plek hebben geconcentreerd.’
‘En hier zijn we,’ zei Tomas. Hij stond met zijn armen over elkaar en een ontevreden uitdrukking op zijn gezicht achter de stoel van zijn Aes Sedai.