Выбрать главу

‘Inderdaad,’ zei Verin. ‘Merkwaardig, nietwaar, jonge Martrim? Ik kom hier per ongeluk terecht, op jouw pad, net terwijl jij dringend iemand nodig hebt om een Poort voor je leger te maken.’

‘Kan nog steeds toeval zijn.’

‘En dat getrek?’

Hij wist niet wat hij daarop moest zeggen.

‘Ta’veren zijn draait om toeval,’ zei Verin. ‘Je vindt een weggegooid voorwerp dat heel nuttig voor je is, of je ontmoet toevallig iemand, net op het juiste ogenblik. Willekeurig toeval werkt willekeurig in jouw voordeel. Of had je dat niet gemerkt?’ Ze glimlachte. ‘Wil je er misschien om dobbelen?’

‘Nee,’ antwoordde hij schoorvoetend.

‘Maar één ding zit me dwars,’ zei Verin. ‘Was er niemand anders die je had kunnen tegenkomen? Altor laat die Asha’man het land afspeuren naar mensen die kunnen geleiden, en ik vermoed dat dit soort plattelandsgebieden boven aan hun lijstje staat, aangezien het waarschijnlijker is dat geleiders op dergelijke plekken onopgemerkt blijven. Een van hen had ook op je pad kunnen belanden en je een Poort kunnen verschaffen.’

‘Daar is verrekt weinig kans op,’ zei Mart huiverend. ‘Ik vertrouw de Bond niet aan dat soort lui toe.’

‘Ook niet om binnen een tel in Andor te zijn?’ vroeg Verin. Mart weifelde. Nou, misschien.

‘Ik moest hier om een of andere reden naartoe,’ zei ze peinzend. ‘Ik denk nog steeds dat je er te veel achter zoekt,’ antwoordde hij, nogmaals verschuivend op die verrekte bank.

‘Misschien. Misschien niet. Ten eerste moeten we maar eens onderhandelen over mijn prijs als ik jullie naar Andor breng. Ik neem aan dat je naar Caemlin wilt?’

‘Prijs?’ vroeg Mart. ‘Maar je denkt dat het Patroon je hierheen heeft gedwongen! Waarom eis je dan een prijs van me?’

‘Omdat,’ zei ze met geheven vinger, ‘terwijl ik wachtte tot ik je vond – ik wist eerlijk niet of jij het zou zijn of de jonge Perijn – ik besefte dat ik diverse dingen kon bieden die niemand anders kon bieden.’ Ze reikte in een zak van haar gewaad en haalde er enkele vellen papier uit. Een ervan was een tekening van Mart. ‘Je hebt niet gevraagd hoe ik hieraan ben gekomen.’

‘Je bent een Aes Sedai,’ zei Mart schouderophalend. ‘Ik nam aan dat je... je weet wel, hem had gesaidard.’

‘Gesaidard?’ herhaalde ze op vlakke toon.

Hij haalde zijn schouders op.

‘Ik heb dit papier gekregen, Martrim...’

‘Mart,’ verbeterde hij.

‘Ik heb dit papier gekregen, Martrim, van een Duistervriend,’ vervolgde ze, ‘die me vertelde – toen ze dacht dat ik een dienaar van de Schaduw was – dat een Verzaker het bevel had gegeven om de mannen op deze tekeningen te doden. Jij en Perijn zijn in groot gevaar.’

‘Daar sta ik niet van te kijken,’ zei hij, en hij verborg hoe verkild hij door haar uitspraak was. ‘Verin, Duistervrienden proberen me al te vermoorden sinds de dag dat ik uit Tweewater vertrok.’ Hij zweeg even. ‘Bloedvuur. Sinds de dag voordat ik uit Tweewater vertrok. Wat verandert hierdoor?’

‘Dit is anders,’ zei Verin, nu streng. ‘Het gevaar waarin je nu verkeert... Ik... Nou, laten we het erop houden dat je in groot, groot gevaar bent. Ik stel voor dat je de komende weken extra voorzichtig bent.’

‘Ik ben altijd voorzichtig,’ zei Mart.

‘Nou, wees dan nog voorzichtiger,’ zei ze. ‘Verstop je. Neem geen risico’s. Jij bent van doorslaggevend belang voordat dit voorbij is.’ Hij haalde zijn schouders op. Zich verstoppen? Dat kon hij wel. Met de hulp van Thom kon hij zich waarschijnlijk zodanig vermommen dat zelfs zijn eigen zussen hem niet zouden herkennen. ‘Dat kan ik wel doen,’ antwoordde hij. ‘Vrij eenvoudig. Hoe lang zal het je kosten ons naar Caemlin te krijgen?’

‘Dat was mijn prijs niet, Martrim,’ zei ze vermaakt. ‘Dat was een voorstel. En ik vind dat je het ter harte moet nemen.’ Ze schoof een opgevouwen papiertje onder de tekening vandaan. Het was verzegeld met een klodder bloedrode was. Mart pakte het aarzelend aan. ‘Wat is dit?’

‘Instructies,’ zei Verin. ‘Die je moet opvolgen op de tiende dag nadat ik je in Caemlin heb afgezet.’

Hij krabde fronsend in zijn nek en wilde het zegel al verbreken.

‘Je mag hem pas op die dag openen,’ zei Verin.

‘Wat?’ vroeg Mart. ‘Maar...’

‘Dat is mijn prijs,’ zei Verin eenvoudig.

‘Verdomde vrouw,’ gromde hij, kijkend naar het papier. ‘Ik ben niet van plan iets te zweren tot ik weet wat het is.’

‘Ik denk niet dat je mijn instructies streng zult vinden, Martrim,’ merkte ze op.

Mart keek nog een tijdje fronsend naar het zegel, en toen stond hij op. ‘Ik pas.’

Ze tuitte haar lippen. ‘Martrim, je...’

‘Noem me Mart,’ zei hij, en hij greep zijn hoed van een kussen. ‘En ik zei dat het niet doorgaat. Twintig dagtochten brengen me ook wel naar Caemlin.’ Hij duwde de tentflap open en gebaarde naar buiten. ‘Ik wil niet dat je touwtjes om me heen bindt, vrouw.’ Ze kwam niet in beweging, hoewel ze wel haar voorhoofd fronste. ‘Ik was vergeten hoe dwars je kunt zijn.’

‘En ik ben er trots op,’ kaatste Mart terug. ‘En als we een tussenweg vinden?’ vroeg Verin.

‘Vertel je me dan wat er in die verrekte instructies staat?’

‘Nee,’ zei Verin, ‘want je hoeft ze misschien niet eens uit te voeren. Ik hoop in staat te zijn terug te keren, je te ontdoen van die brief en je op weg te sturen. Maar als me dat niet lukt...’

‘Wat is dan die tussenweg?’ vroeg Mart.

‘Je mag besluiten de brief niet te openen,’ zei Verin. ‘Verbrand hem. Maar als je dat doet, moet je vijftig dagen wachten in Caemlin, voor het geval het me langer kost om terug te keren dan ik had verwacht.’ Dat zette hem aan het denken. Vijftig dagen wachten, dat was een lange tijd. Maar als hij dat in Caemlin kon doen in plaats van onderweg te zijn...

Was Elayne in de stad? Hij maakte zich zorgen om haar sinds haar ontsnapping uit Ebo Dar. Als ze daar was, zou hij in ieder geval in staat zijn snel te beginnen met de bouw van Aludra’s Draken. Maar, vijftig dagen wachten? Of die verdomde brief openen en doen wat erin stond? Geen van beide opties beviel hem. ‘Twintig dagen,’ zei hij.

‘Dertig dagen,’ zei zij. Ze stond op en stak haar vinger op om hem de mond te snoeren. ‘Een tussenweg, Mart. Ik denk dat je zult merken dat ik daar veel meer voor opensta dan de meeste andere Aes Sedai.’ Ze stak haar hand uit.

Dertig dagen. Hij kon wel dertig dagen wachten. Hij keek naar de brief in zijn handen. Hij kon zich wel bedwingen hem te openen, en dertig dagen wachten zou hem niet echt tijd kosten. Het was maar een klein beetje langer dan hij nodig zou hebben om Caemlin op eigen houtje te bereiken. In feite was dit een koopje! Hij had een paar weken nodig om de productie van de Draken op te starten, en hij wilde tijd hebben om meer onderzoek te doen naar de Toren van Ghenjei en de slangen en vossen. Thom had niets te klagen, want het zou hun hoe dan ook twee weken hebben gekost zelf naar Caemlin te komen.

Verin keek hem aan met enige ongerustheid op haar gezicht. Hij mocht haar niet laten merken hoe ingenomen hij hiermee was. Als je een vrouw dat liet weten, dan zou ze er iets op vinden om je te laten terugbetalen.

‘Dertig dagen,’ zei Mart met gespeelde tegenzin terwijl hij haar hand pakte, ‘maar daarna mag ik vertrekken.’

‘Of je mag na tien dagen de brief openen,’ zei Verin, ‘en doen wat daar in staat. Een van de twee, Martrim. Heb ik je woord?’

‘Ja,’ zei hij. ‘Maar ik maak die verdomde brief niet open. Ik wacht dertig dagen, en dan ga ik verder met mijn eigen zaken.’

‘We zullen zien,’ zei ze, glimlachend in zichzelf terwijl ze zijn hand losliet.

Ze vouwde de tekening van hem op en pakte vervolgens een klein leren buideltje uit haar zak. Ze opende het en schoof de tekening erin, en terwijl ze dat deed zag Mart dat er een stapeltje opgevouwen en verzegelde velletjes papier in zat, net zoals dat wat hij in zijn hand hield. Wat was daar het doel van?