Выбрать главу

De avond begon te vallen. Het was nog niet helemaal donker, hoewel de luiken alvast waren gesloten. Rhand reikte naar een goud-met-zwarte jas en schoof zijn armen in de mouwen, eerst de een en toen de ander. Toen deed hij de knopen dicht. Hij had daar geen moeite mee; hij begon bedreven te worden in het werken met slechts één hand. Knoop na knoop. Eerste, tweede, derde, vierde... Min kon wel gillen. ‘Wil je erover praten?’ vroeg ze.

Rhand draaide zich niet om van de spiegel. ‘Waarover?’

‘De Seanchanen.’

‘Er komt geen vrede,’ zei hij, terwijl hij de kraag van zijn jas rechttrok. ‘Ik heb gefaald.’ Er klonk geen gevoel door in zijn stem, maar wel een zekere spanning.

‘Het geeft niet als je gefrustreerd bent, Rhand.’

‘Frustratie is zinloos,’ zei hij. ‘Woede is zinloos. Geen van die beide gevoelens zal de feiten veranderen, en het feit is dat ik geen tijd meer aan de Seanchanen kan verspillen. We zullen een aanval van achteren moeten riskeren door naar de Laatste Slag te rijden zonder dat er stabiliteit is in Arad Doman. Het is niet volmaakt, maar dat moet er gebeuren.’

De lucht boven Rhand trilde, en daar verscheen een berg. Er verschenen zo vaak visioenen rondom Rhand dat Min zichzelf meestal dwong ze te negeren, behalve als ze nieuw waren; hoewel ze op sommige dagen wel de tijd nam ze allemaal te overpeinzen en te ordenen. Deze was nieuw en trok haar aandacht. De torenhoge berg was aan één kant erg gehavend, met een rafelig gat in de helling. De Drakenberg? Hij was getooid met donkere vlekken, alsof er schaduwen van hoge wolken overheen vielen. Dat was vreemd. Telkens als ze de berg eerder had gezien, was die hoger geweest dan de wolken zelf.

De Drakenberg in schaduwen. Het zou in de toekomst belangrijk zijn voor Rhand. Was dat een glimpje licht dat vanuit de hemel op de top van de berg scheen?

Het visioen verdween. Hoewel Min wist wat sommige ervan betekenden, begreep ze dit niet. Ze zuchtte en leunde achterover tegen de rode kussens van de stoel.

Haar boeken lagen verspreid op de vloer; ze had steeds meer tijd aan haar onderzoek gewijd, deels omdat ze voelde dat Rhand haast had, en deels omdat ze niet wist wat ze anders kon doen. Ze hield zich graag voor dat ze voor zichzelf kon zorgen. En ze was zichzelf gaan zien als laatste verdediging van Rhand.

Min had ontdekt hoe nuttig ze was als ‘verdediging’. Ongeveer net zo nuttig als een kind! In feite was ze een blok aan het been geweest, een middel dat Semirhage tegen hem had kunnen gebruiken. Ze was verontwaardigd geweest toen Rhand had voorgesteld om haar weg te sturen, en ze had hem een veeg uit de pan gegeven omdat hij het zelfs maar had geopperd. Haar wegsturen! Voor haar veiligheid? Dat was belachelijk! Ze kon best voor zichzelf zorgen. Dat had ze gedacht. Nu zag ze in dat hij gelijk had gehad. Het gaf haar een naar gevoel. Dus deed ze onderzoek en probeerde hem niet voor de voeten te lopen.

Hij was veranderd die dag, alsof er iets stralends in hem was uitgedoofd. Een lamp die flakkerend was uitgegaan, de olie op, waardoor alleen het omhulsel overbleef. Hij keek nu anders naar haar. Als die ogen van hem haar bekeken, zagen ze dan alleen een blok aan het been? Ze huiverde en probeerde die gedachte uit haar hoofd te zetten.

Rhand trok zijn laarzen aan en maakte de gespen vast. Hij stond op en reikte naar het zwaard dat tegen zijn kledingkist geleund stond.

De zwarte schede met de gelakte rood-met-gouden draak fonkelde in het licht. Wat een merkwaardig wapen hadden die geleerden onder dat verdronken standbeeld gevonden. Het zwaard voelde zo oud aan. Droeg Rhand het vandaag als symbool ergens van? Een teken, misschien, dat hij ten strijde trok?

‘Je gaat achter haar aan, nietwaar?’ hoorde Min zichzelf vragen. ‘Graendal.’

‘Ik moet alle problemen herstellen die ik kan,’ zei Rhand, die het oude zwaard uit de schede trok en de kling bekeek. Er zat geen reigerteken op, maar de mooie stalen kling glinsterde in het lamplicht en vertoonde de kronkellijnen van het gevouwen metaal. Het was met de Kracht gesmeed, beweerde hij. Hij scheen er dingen over te weten die hij niet vertelde.

Rhand liet de kling met een klap weer in de schede glijden en keek haar aan. ‘Je moet de problemen oplossen die je kunt oplossen, en niet piekeren over problemen die je niet kunt oplossen. Dat heeft Tam een keer gezegd. Arad Doman zal het op eigen houtje moeten redden tegen de Seanchanen. Het laatste wat ik voor de mensen hier kan doen is een Verzaker van hun grondgebied verwijderen.’

‘Ze wacht je misschien wel op, Rhand,’ zei Min. ‘Heb je overwogen dat die jongen die Nynaeve had gevonden hier misschien door haar was neergezet? Met de bedoeling om te worden ontmaskerd, om je naar een valstrik te leiden?’

Hij weifelde, maar toen schudde hij zijn hoofd. ‘Hij was echt, Min. Moghedien zou zo’n truc misschien overwegen, maar Graendal niet. Ze zou zich te veel zorgen maken dat ze werd opgespoord. We moeten snel handelen, voordat ze hoort dat we iets weten. Ik moet nu toeslaan.’ Min stond op.

‘Ga je dan mee?’ vroeg Rhand verbaasd.

Ze bloosde. Stel dat het even slecht ging bij Graendal als bij Semirhage? Stel dat ze weer tegen hem werd gebruikt? ‘Ja,’ zei ze, alleen maar om aan zichzelf te bewijzen dat ze het niet opgaf. ‘Natuurlijk ga ik mee. Denk maar niet dat je me kunt achterlaten!’

‘Ik zou het niet in mijn hoofd halen,’ zei hij vlak. ‘Kom.’ Ze had meer tegenwerpingen verwacht.

Van het nachtkastje pakte hij het beeldje van de man met de bol in zijn uitgestoken hand. Hij draaide de ter’angreaal om en bekeek hem, en keek toen naar Min, bijna als in een uitdaging. Ze zei niets. Hij stopte het standbeeldje in de grote zak van zijn jas en beende de kamer uit, met het oeroude, met de Kracht gesmede zwaard aan zijn riem.

Min haastte zich achter Rhand aan. Hij keek naar de twee Speervrouwen die de deur bewaakten. ‘Ik trek ten strijde,’ zei hij tegen hen. ‘Neem niet meer dan twintig soldaten mee.’ De Speervrouwen wisselden snel wat handtaal uit; toen draafde een van hen vooruit en liep de ander achter Rhand aan terwijl hij de gang door beende. Min haastte zich naast hem mee, met bonzend hart, haar laarzen luid klossend over de vloerplanken. Hij was al eerder zo halsoverkop vertrokken om tegen Verzakers te strijden, maar meestal nam hij meer tijd om zijn acties voor te bereiden. Hij had Sammael maandenlang heen en weer verplaatst voordat hij in Illian had toegeslagen. En hij had nauwelijks een dag overwogen wat hij aan Graendal moest doen!

Min betastte haar messen om zich ervan te vergewissen dat ze stevig in haar mouwen zaten, maar dat was uit zenuwachtige gewoonte. Rhand bereikte het eind van de gang en beende de trap af, nog altijd met een rustig gezicht en met snelle maar ongehaaste passen. En toch leek hij net een onweersstorm, ingehouden en opgekruld, op de een of andere wijze gebonden en geleid naar een enkel doel. Wat wenste ze dat hij gewoon zou ontploffen en zijn geduld zou verliezen, zoals vroeger! Hij had haar toen geërgerd, maar nooit angst aangejaagd. Niet zoals nu, met die ijzige ogen die ze niet kon peilen, die uitstraling van gevaar. Sinds het incident met Semirhage sprak hij van doen ‘wat hij maar moest’, ongeacht de kosten, en ze wist dat hij vanbinnen ziedde omdat hij de Seanchanen niet had kunnen overhalen een bondgenootschap met hem aan te gaan. Waar zou die combinatie van falen en vastberadenheid hem naartoe leiden? Onder aan de brede trap sprak Rhand tegen een dienaar. ‘Haal Nynaeve Sedai en heer Ramshalan voor me op. Breng ze naar de zitkamer.’

Heer Ramshalan? Die dikke man uit vrouwe Chadmars vroegere kringen? ‘Rhand,’ vroeg Min zacht toen ze onder aan de trap aankwam, ‘wat ben je van plan?’

Hij zei niets. Hij beende door de witmarmeren gang en ging de zitkamer in, ingericht in diepe kleuren rood die afstaken bij de witte vloer. Hij ging niet zitten, maar bleef staan met zijn armen op zijn rug, kijkend naar de kaart van Arad Doman aan de muur. De oude kaart hing op de plek waar voorheen een mooi olieverfschilderij had gehangen en leek niet op zijn plaats in deze kamer. Op de kaart was met zwarte inkt een teken aangebracht, aan de rand van een meertje in het zuidoosten. Rhand had het daar neergezet op de ochtend nadat Kerb overleed. Dat was Natrins Terp.