Siuan had helaas gelijk. Egwene kon niet veel langer meer blijven hopen op verzoening. Stel dat de Witte Toren Elaida niet afzette? Stel dat, ondanks Egwenes vooruitgang, de scheuringen tussen de Ajahs nooit genazen? Wat dan? Ten strijde trekken? Er was nog een andere mogelijkheid, waar niemand van hen aan had gedacht: de verzoening voor altijd vergeten. Een tweede Witte Toren oprichten. Het zou betekenen dat de Aes Sedai werden opgebroken, misschien wel voor altijd.
Egwene huiverde bij dat vooruitzicht, en haar huid jeukte terwijl ze in opstand kwam tegen de gedachte. Maar stel dat ze geen andere keus had? Ze moest denken aan de vertakkingen, en die waren angstwekkend. Hoe kon ze de Kinne of de Wijzen overhalen zich te verbinden met de Aes Sedai als de Aes Sedai zelf niet verenigd waren? De twee Witte Torens zouden tegengestelde krachten worden, en de leiders van bevolkingen zouden in de war raken terwijl rivaliserende Amyrlins probeerden landen in te zetten voor hun eigen doeleinden. Bondgenoten en vijanden zouden hun ontzag voor de Aes Sedai verliezen, en koningen zouden misschien hun eigen centra oprichten voor vrouwen die aanleg hadden voor het geleiden. Egwene herpakte zich en liep over de modderige weg terwijl de tenten erlangs veranderden; de flap open, dan weer dicht, en dan weer open in de vreemd onstoffelijke Wereld der Dromen. Egwene voelde de stola van de Amyrlin om haar hals verschijnen, en hij leek te zwaar, alsof er loden gewichten in waren geweven. Ze zou de Aes Sedai van de Witte Toren naar haar kant overhalen. Elaida zou vallen. Maar zo niet... dan zou Egwene doen wat nodig was om het volk, en de wereld, te behouden voor Tarmon Gai’don. Ze stapte weg bij het kamp, de tenten, de karrensporen en lege straten, die allemaal verdwenen. Weer wist ze niet zeker waar haar geest haar naartoe zou voeren.
Op deze wijze door de Wereld der Dromen reizen – zich door haar behoeften laten leiden – kon gevaarlijk zijn, maar het kon ook heel verhelderend werken. In dit geval zocht ze niet naar een voorwerp, maar naar kennis. Wat moest ze weten, wat moest ze zien?
Haar omgeving vervaagde en nam weer vorm aan. Ze stond midden in een klein kamp, met een smeulend vuur in de vuurkuil voor haar en een tongetje van vuur dat omhoogkringelde naar de lucht. Dat was vreemd. Vuur was meestal te vluchtig om zichtbaar te zijn in Tel’aran’rhiod. Er waren geen echte vlammen, ondanks de rook en de oranje gloed die de gladde rivierstenen rondom de kuil verwarmde. Ze keek omhoog, naar de te donkere, stormachtige hemel. Die geruisloze storm was ook weer een onregelmatigheid in de Wereld der Dromen, hoewel het de laatste tijd zo vaak voorkwam dat ze het amper nog opmerkte. Kon je hier wel iets onregelmatig noemen?
Geschokt zag ze kleurrijke wagens om haar heen: groen, rood, oranje en geel. Waren die er net ook al geweest? Ze stond op een grote open plek in een bos van fantoom-witte espen. De ondergroei was dicht, met sprietig wild gras dat in rommelige pollen zijn vingers omhoogstak.
Een overwoekerde weg kronkelde door de bomen rechts van haar; de kleurrijke wagens stonden in een kring rondom het vuur. De zijkanten van de vierkante voertuigen waren vrolijk beschilderd, en ze hadden daken en wanden als kleine gebouwtjes. Ossen verschenen niet in de Wereld der Dromen, maar borden, bekers en lepels verschenen en verdwenen op plekken bij de vuurkuil of op de bokken van de wagens.
Het was een kamp van het Trekkende Volk, de Tuatha’an. Waarom was ze hier?
Egwene liep wat om de vuurkuil heen, kijkend naar de wagens, het schilderwerk dat goed werd onderhouden zodat het niet barstte of vies werd. Deze karavaan was veel kleiner dan die Perijn en zij zo lang geleden hadden bezocht, maar hij voelde ongeveer hetzelfde aan. Ze hoorde bijna de fluiten en trommels, kon zich bijna voorstellen dat die flakkeringen bij de vuurkuil de schaduwen waren van dansende mannen en vrouwen. Dansten de Tuatha’an nog steeds, nu de hemel zo naargeestig was en de wind zo vol slecht nieuws? Wat voor plek was er voor hen in een wereld die zich voorbereidde op oorlog? Trolloks gaven niets om de Weg van het Blad. Wilde deze groep Tuatha’an zich verbergen voor de Laatste Slag?
Egwene ging op het trapje van een wagen zitten, die naar de nabijgelegen vuurkuil gedraaid stond. Even liet ze haar gewaad veranderen naar een eenvoudig groen wollen kleed uit Tweewater, ongeveer zoals ze had gedragen toen ze een bezoek had gebracht aan het Trekkende Volk. Ze staarde in die niet-bestaande vlammen, peinsde en haalde herinneringen op. Wat was er geworden van Aram, Raen en Ila? Ze zaten waarschijnlijk veilig ergens in een kamp zoals dit, afwachtend wat Tarmon Gai’don met de wereld zou doen. Egwene glimlachte, terugdenkend aan de dagen toen ze met Aram had geflirt en gedanst terwijl Perijn afkeurend toekeek. Dat was een eenvoudige tijd geweest; hoewel de ketellappers altijd in staat leken te zijn hun leven eenvoudiger te maken.
Ja, deze groep zou nog steeds dansen. Ze zouden dansen tot aan de dag dat het Patroon wegbrandde, of ze nu hun lied vonden of niet, of de Trolloks nu de wereld plunderden of de Herrezen Draak die verwoestte.
Was ze alles uit het oog verloren wat het kostbaarst was? Waarom vocht ze zo hard om de Witte Toren veilig te stellen? Om de macht? Uit trots? Of omdat ze echt dacht dat het het beste was voor de wereld?
Zou ze zichzelf uitputten terwijl ze deze strijd voerde? Ze had gekozen – of zou hebben gekozen – voor de Groene Ajah, niet de Blauwe. Het ging haar er niet alleen om dat de Groene zusters zo bewonderenswaardig voor zichzelf opkwamen en vochten; ze vond de Blauwe te kortzichtig. Het leven was ingewikkelder dan één enkele zaak. Het leven draaide om leven. Om dromen, lachen en dansen.
Gawein was in het kamp van de Aes Sedai. Ze had gezegd dat ze de Groene had gekozen vanwege hun agressieve vastberadenheid; het was de Strijdende Ajah. Maar een geheimer, eerlijker deel van haar gaf toe dat Gawein ook een overweging was geweest in haar besluit. Onder de Groene Ajah werd vaak getrouwd met de eigen zwaardhand. Egwene wilde Gawein als zwaardhand. En als echtgenoot. Ze hield van hem. Ze zou hem binden. Die wensen van het hart waren minder belangrijk dan het lot van de wereld, dat wel, maar ze wogen wel degelijk mee.
Egwene stond op van het trapje terwijl haar gewaad terug veranderde naar het wit-met-zilveren gewaad van de Amyrlin. Ze zette een stap naar voren en liet de wereld verschuiven. Ze stond voor de Witte Toren. Ze keek omhoog, langs de hele lengte van de kwetsbare – en toch machtige – witte zuil. Hoewel de hemel borrelde van de zwarte onrust, wierp iets een schaduw vanaf de Toren, en die viel recht op Egwene. Was dit een soort visioen? De Toren doemde boven haar op en ze voelde het gewicht ervan, alsof ze hem zelf overeind hield. Duwend tegen die muren om te voorkomen dat ze zouden barsten en omvallen.
Egwene bleef daar een hele tijd staan, onder een kolkende hemel terwijl de volmaakte spits van de Toren zijn schaduw over haar heen wierp. Ze staarde naar de top en probeerde te besluiten of het tijd werd hem gewoon te laten omvallen.
Nee, dacht ze opnieuw. Nee, nog niet helemaal. Nog een paar dagen.
Ze sloot haar ogen en opende ze in duisternis. Plotseling trok de pijn door haar lichaam, voelde haar achterwerk rauw van de riem en verkrampten haar armen en benen doordat ze gedwongen was zich op te rollen in het kleine kamertje.
Het rook er naar oud stro en schimmel, en ze wist dat als haar neus er niet aan gewend was geweest, ze haar eigen ongewassen lichaam ook zou hebben geroken. Ze onderdrukte een kreun; er zaten vrouwen buiten om over haar te waken en haar schild in stand te houden. Ze wilde niet dat die haar hoorden klagen, zelfs niet in de vorm van een kreun.