Bovendien had iedereen geweten dat de Steen zou standhouden, zoals bijna altijd was gebeurd. Hij was misschien achterhaald geraakt door het Reizen, maar voor indringers die geen toegang hadden tot de Ene Kracht was de Steen bijna onmogelijk in te nemen. Op zichzelf was hij sterker dan de meeste steden; een gigantische verzameling muren, torens en steile borstweringen zonder een enkele naad tussen de stenen. Binnen waren smidsen, pakhuizen en duizenden verdedigers, en de Steen had een eigen versterkte haven. Niets daarvan zou echter veel uithalen tegen een leger van Seanchanen met damane en raken.
De menigte stond langs de straat tot aan de Steenzoom, de grote open ruimte die de Steen aan drie kanten omgaf. Een veld des doods, zei Lews Therin.
Hier stond ook weer een mensenmassa voor Rhand te juichen. De poorten naar de Steen waren open en een welkomstdelegatie wachtte op hem. Darlin – ooit een hoogheer, nu koning van Tyr – zat op een stralend witte hengst. De Tyrener was zeker een kop kleiner dan Rhand, en hij had een korte zwarte baard en kortgeknipt haar. Door zijn haakneus was hij niet knap, maar Rhand had gemerkt dat hij een scherpe geest en veel eergevoel had. Darlin had zich immers van het begin af aan tegen Rhand verzet in plaats van zich aan te sluiten bij degenen die onmiddellijk voor hem bogen. Een man wiens trouw zo moeilijk te winnen was, was er vaak ook een van wiens trouw je zeker kon zijn wanneer je niet in de buurt was. Darlin maakte een buiging voor Rhand. De bleke Dobraine, gekleed in een blauwe jas en witte broek, zat op een gespikkelde ruin naast de koning. Zijn gezicht was onpeilbaar, hoewel Rhand vermoedde dat hij nog altijd teleurgesteld was omdat hij zo snel uit Arad Doman was weggestuurd.
Rijen Verdedigers van de Steen stonden voor de muur, met hun zwaarden voor zich en hun borstplaten en geribbelde helmen bijna stralend opgepoetst. Hun pofmouwen waren zwart-met-goud gestreept, en boven hen wapperde de banier van Tyr: een achtergrond die half rood en half goud was, met drie zilveren sikkels erop. Rhand zag dat het plein binnen de muren vol stond met soldaten, velen in de kleuren van de Verdedigers, maar velen ook zonder enig uniform behalve een rood-met-gouden band om de arm. Dat zouden de nieuwe rekruten wel zijn, de mannen die hij Darlin had opgedragen te verzamelen.
Het was een vertoning bedoeld om ontzag te wekken. Of misschien om de trots van een man te strelen.
Rhand hield Tai’daishar voor Darlin staande. Helaas was die haan van een Weiramon bij de koning, zittend op zijn paard net achter Darlin. Weiramon was zo’n domme kerel dat Rhand hem amper zonder toezicht op een akker zou laten werken, laat staan een groep soldaten aanvoeren.
Goed, de kleine man was dapper, maar dat kwam waarschijnlijk alleen maar doordat hij te traag van begrip was om gevaar te zien. Zoals altijd zag Weiramon er nog dommer uit doordat hij probeerde zich beter voor te doen dan de hansworst die hij was. Zijn baard was behandeld met was, zijn haar was zorgvuldig gekapt om te verbergen hoe kaal hij werd en zijn kleding was kostbaar; een jas en broek gesneden als een velduniform, maar geen mens zou zulke mooie stoffen dragen in een veldslag. Geen mens behalve Weiramon. Ik mag hem, zei Lews Therin. Rhand keek daarvan op. Jij mag niemand!
Hij is eerlijk, antwoordde Lews Therin, en toen lachte hij. Eerlijker dan ik, dat zeker! Een man kiest er niet voor om een sukkel te zijn, maar hij kiest er wel voor om trouw te zijn. We kunnen het slechter treffen dan deze man als volgeling te hebben.
Rhand hield zich in. Het had geen zin om met de waanzinnige te redetwisten.
Lews Therin nam besluiten zonder rede. Maar hij neuriede in ieder geval niet meer over mooie vrouwen. Dat kon Rhand nogal afleiden. Darlin en Dobraine bogen voor Rhand, en Weiramon deed hen na. Er waren nog anderen bij de koning, natuurlijk. Vrouwe Caraline was een gegeven; de slanke Cairhiense was nog net zo mooi als Rhand zich herinnerde. Er hing een witte opaal op haar voorhoofd, waarvan het gouden kettinkje in haar donkere haar was gevlochten. Rhand moest zichzelf dwingen weg te kijken. Ze leek te veel op haar nicht, Moiraine. En ja hoor, Lews Therin begon de namen van de lijst weer op te sommen, te beginnen met Moiraine. Rhand zette zich schrap en luisterde naar de stem van de dode man achter in zijn geest terwijl hij de rest van de groep bekeek. Alle overgebleven hoogheren en hoogvrouwen van Tyr waren er, elk op hun eigen paard. De onnozele Anaiyella zat op haar vos naast Weiramon. En... droeg ze nu een zakdoekje met zijn kleuren? Rhand had gedacht dat ze wat kieskeuriger was. Torean had een glimlach op zijn bultige gezicht. Jammer dat hij nog leefde, terwijl veel betere mannen onder de hoogheren waren overleden. Simaan, Estanda, Tedosian, Hearne; alle vier hadden ze zich tegen Rhand verzet en leiding gegeven aan de belegering van de Steen. Nu bogen ze voor hem.
Alanna was er ook. Rhand keek niet naar haar. Ze was droevig, voelde hij door hun binding. En terecht.
‘Drakenheer,’ zei Darlin, die zijn rug rechtte in het zadel, ‘dank u dat u Dobraine had gestuurd met uw wensen.’ Zijn stem bracht zijn ongenoegen over. Hij had op dringend bevel van Rhand snel een leger verzameld, en vervolgens had Rhand hem gedwongen wekenlang niets te doen. Nou, de mannen zouden snel blij zijn met de extra weken om te oefenen.
‘Het leger is klaar,’ vervolgde Darlin aarzelend. ‘We zijn klaar voor vertrek naar Arad Doman.’
Rhand knikte. Het was oorspronkelijk zijn bedoeling geweest om Darlin in Arad Doman onder te brengen, zodat hij de Aiel en Asha’man elders kon plaatsen. Hij draaide zich om, kijkend naar de menigten, en besefte nu pas verstrooid waarom er zoveel buitenlanders bij waren. De meeste Tyreners waren gerekruteerd voor het leger en stonden nu in rijen binnen de Steen.
Misschien waren de mensen op het plein en langs de straten daar niet om te juichen voor Rhand. Misschien dachten ze dat ze hun legers toejuichten terwijl die op een zegetocht vertrokken. ‘Je hebt het goed gedaan, Darlin,’ zei Rhand. ‘Het werd tijd dat iemand in Tyr leerde bevelen te gehoorzamen. Ik weet dat je mannen ongeduldig zijn, maar ze zullen nog een tijdje moeten wachten. Wijs me vertrekken toe in de Steen en zorg voor het inkwartieren van Basheres soldaten en de Aiel.’
Darlins verwarring nam toe. ‘Uitstekend. Zijn we dan niet nodig in Arad Doman?’
‘Wat Arad Doman nodig heeft, kan niemand verschaffen,’ zei Rhand.
‘Je troepen gaan met mij mee.’
‘Natuurlijk, heer. En... waar gaan we naartoe?’
‘Naar Shayol Ghul.’
43
Verzegeld tot de Vlam
Egwene zat stil in haar tent, met haar handen op schoot. Ze probeerde haar geschoktheid, haar brandende woede en haar ongeloof te bedwingen. De mollige, knappe Chesa zat zwijgend op een kussen in de hoek, waar ze borduursel vastnaaide aan de zoom van een van Egwenes gewaden en er volkomen tevreden uitzag nu haar meesteres was teruggekeerd. De tent stond afgezonderd in een eigen bosje binnen het kamp van de Aes Sedai. Egwene had vanochtend niemand anders dan Chesa binnengelaten. Ze had zelfs Siuan weggestuurd, die ongetwijfeld was gekomen om een of andere verontschuldiging aan te bieden. Egwene had tijd nodig om na te denken, zich voor te bereiden, om te gaan met haar falen.
En het was falen. Ja, het was haar opgedrongen door anderen, maar die anderen waren haar volgelingen en vrienden. Ze wisten hoe boos Egwene zou zijn over hun aandeel in deze ramp. Maar eerst moest ze bij zichzelf kijken, beoordelen wat ze beter had moeten doen. Ze zat in haar houten stoel, met een hoge rugleuning en patronen in krulwerk op de armleuningen. Haar tent was nog net zoals ze hem had achtergelaten, haar tafel netjes, de dekens opgevouwen, de kussens opgestapeld in de hoek, overduidelijk vaak afgestoft door Chesa.
Als een museum om de kinderen van weleer te onderwijzen. Egwene was zo overtuigend mogelijk geweest tijdens hun ontmoetingen in Tel’aran’rhiod, en toch was Siuan tegen haar wensen ingegaan.