Dat stomme joch! En nu bleef Semirhage haar maar weerstaan. Cadsuane popelde om naar binnen te gaan en die vrouw aan de tand te voelen, maar Merise had dezelfde vragen gesteld die Cadsuane in gedachten had, en zij had gefaald. Hoe lang zou de faam van Cadsuane standhouden als ze bewees even onmachtig te zijn als de anderen?
Sarene nam het woord weer. ‘De Aes Sedai, je moet ze niet zo behandelen,’ zei ze kalm.
‘Aes Sedai?’ antwoordde Semirhage grinnikend. ‘Schaam je je niet, dat je dat woord gebruikt om jullie te beschrijven? Alsof een jong hondje zichzelf een wolf noemt!’
‘We weten misschien niet alles, dat geef ik toe, maar...’
‘Jullie weten niets,’ zei Semirhage. ‘Jullie zijn kinderen die met het speelgoed van jullie ouders spelen.’
Cadsuane tikte met haar wijsvinger tegen de zijkant van haar theekom. Wederom werd ze getroffen door de overeenkomsten tussen zichzelf en Semirhage, en wederom kreeg ze er kriebels van in haar buik.
Vanuit haar ooghoeken zag ze een slanke bediende de trap op komen met een bord vol bonen en gestoomde radijzen voor Semirhages middagmaal. Nu al tijd? Sarene verhoorde de Verzaker nu al drie uur, en ze had zich de hele tijd in kringetjes rond laten voeren. De bediende naderde, en Cadsuane gebaarde dat ze naar binnen kon gaan.
Even later hoorde ze dat binnen het dienblad met een klap op de grond viel. Cadsuane sprong overeind, omhelsde saidar en rende bijna de kamer in. Maar ze weifelde toen ze Semirhages stem hoorde.
‘Dat eet ik niet,’ zei de Verzaker, beheerst als altijd. ‘Ik ben jullie varkensslobber beu. Breng me iets geschikters.’
‘Als we dat doen,’ zei Sarenes stem, overduidelijk graaiend naar elk mogelijk voordeel, ‘beantwoord je dan onze vragen?’
‘Misschien,’ antwoordde Semirhage. ‘We zullen zien of ik ervoor in de stemming ben.’
Het bleef stil en Cadsuane keek naar de andere vrouwen in de gang, die allemaal waren opgesprongen bij het lawaai, al konden zij de stemmen niet horen. Ze beduidde hun te gaan zitten. ‘Ga iets anders voor haar halen,’ zei Sarene in de kamer tegen de bediende. ‘En stuur iemand om dit op te ruimen.’ De deur ging open en werd snel weer gesloten toen de bediende zich weghaastte. Sarene vervolgde: ‘Met deze volgende vraag zal ik bepalen of je die maaltijd ook daadwerkelijk krijgt.’ Ondanks haar ferme stem hoorde Cadsuane een gehaastheid in Sarenes woorden. Ze was geschrokken van het plotseling vallende dienblad. Ze waren allemaal zo schichtig in de nabijheid van Verzakers. Ze waren niet onderdanig, maar ze behandelden Semirhage wel met enige mate van eerbied. Hoe kon het ook anders? Semirhage was een legende. Je begaf je niet in de aanwezigheid van een dergelijk schepsel – een van de kwaadaardigste wezens die ooit had geleefd – zonder ten minste een beetje ontzag.
Een beetje ontzag...
‘Dat is onze fout,’ fluisterde Cadsuane. Ze knipperde met haar ogen, draaide zich om en opende de deur.
Semirhage stond midden in het kamertje. Ze was opnieuw vastgebonden met Lucht, de wevingen opgeroepen zodra ze het dienblad had laten vallen. Het koperen bord lag vergeten op de grond en het sap van de bonen trok in de oude vloerplanken. Deze kamer had geen venster; het was ooit een opslagruimte geweest, omgebouwd tot ‘cel’ voor Verzakers. Sarene – met haar donkere haar in vlechten met kralen en haar fraaie gezicht verbaasd om de verstoring – zat in een stoel voor Semirhage. Haar zwaardhand, Vitalien, breedgeschouderd maar met een asgrauw gezicht, stond in de hoek. Semirhages hoofd was niet vastgebonden, en haar ogen schoten naar Cadsuane toe. Cadsuane moest dit nu doorzetten; ze moest het nu tegen die vrouw opnemen. Gelukkig was er niet veel fijnzinnigheid nodig voor wat zij van plan was. Het kwam allemaal neer op één vraag. Hoe zou Cadsuane zichzelf breken? De oplossing was eenvoudig, nu ze eraan had gedacht.
‘Ah,’ zei Cadsuane nuchter. ‘Ik zie dat het kind haar maaltijd heeft geweigerd. Sarene, laat je wevingen los.’
Semirhage trok haar wenkbrauwen op en opende haar mond om te spotten, maar toen Sarene haar wevingen van Lucht losliet, greep Cadsuane Semirhage bij haar haren en schopte – met een achteloze veeg van haar voet – de benen onder de vrouw vandaan, waardoor ze op de vloer viel.
Misschien had ze de Kracht kunnen gebruiken, maar het voelde goed om dit zelf te doen. Ze bereidde een paar wevingen voor, hoewel ze die waarschijnlijk niet nodig zou hebben. Semirhage was lang, maar met een tenger postuur, en Cadsuane zelf was altijd eerder fors dan slank geweest. Bovendien leek de Verzaker volkomen onthutst over hoe ze werd behandeld.
Cadsuane zette één knie op de rug van de vrouw en duwde vervolgens haar gezicht in het gemorste voedsel. ‘Eten,’ zei ze. ‘Ik keur voedselverspilling af, kind, vooral in deze tijden.’ Semirhage sputterde en sprak een paar frasen uit waarvan Cadsuane aannam dat het vloeken waren, hoewel ze ze niet herkende. Waarschijnlijk was de betekenis ervan in de loop der eeuwen verloren gegaan. Weldra verstomde het gevloek en bleef Semirhage stilliggen. Ze verzette zich niet. Cadsuane zou dat ook niet hebben gedaan; dat zou haar faam alleen maar schaden. Semirhages macht als gevangene kwam voort uit de angst en eerbied die de Aes Sedai haar betoonden. Cadsuane moest daar verandering in brengen. ‘Je stoel, alsjeblieft,’ zei ze tegen Sarene.
De Witte zuster stond met een geschokte blik op. Ze hadden allerlei soorten foltering gebruikt, voor zover toegestaan bij Altors beperkingen, maar uit elk daarvan had hoogachting gesproken. Ze behandelden Semirhage als een gevaarlijke, waardige vijand. Dat zou haar eigendunk alleen maar sterken. ‘Ga je nog eten?’ vroeg Cadsuane.
‘Ik vermoord je,’ zei Semirhage rustig. ‘Jou eerst, en pas dan alle anderen. Ik zal ze naar je geschreeuw laten luisteren.’
‘Best,’ antwoordde Cadsuane. ‘Sarene, vraag de drie zusters op de gang om binnen te komen.’ Cadsuane zweeg even peinzend. ‘En ik heb een paar bedienden gezien die bezig waren kamers aan de overkant van de gang schoon te maken. Haal die ook voor me op.’ Sarene knikte en haastte zich de kamer uit. Cadsuane ging in de stoel zitten, weefde draden van Lucht en tilde Semirhage op. Elza en Erian keken heel nieuwsgierig de kamer in. Toen kwamen ze binnen, gevolgd door Sarene. Even later kwam Daigian binnen met vijf bedienden: drie Domaanse vrouwen met schorten voor, een magere man met vingers die bruin waren van de beits waarmee hij had gewerkt, en een koksjongen. Uitstekend.
Toen ze binnen waren, gebruikte Cadsuane haar draden van Lucht om Semirhage om te draaien en over haar knie te leggen. En toen gaf ze de Verzaker billenkoek.
Eerst hield Semirhage zich stil. Toen begon ze te vloeken. Toen begon ze dreigementen te sputteren. Cadsuane ging door, ook al begon haar hand pijn te doen. Semirhages dreigementen gingen over in geschreeuw van woede en pijn. De bediende met het eten kwam halverwege ook aan en verergerde Semirhages schande. De Aes Sedai keken met open mond toe.
‘Zo,’ zei Cadsuane even later, waarbij ze een pijnkreet van Semirhage onderbrak. ‘Ga je nu eten?’
‘Ik spoor iedereen op van wie je ooit hebt gehouden,’ zei de Verzaker met tranen in haar ogen, ‘en ik zal ze aan elkaar voeren terwijl jij toekijkt. Ik zal...’
Cadsuane klakte met haar tong en begon opnieuw. De aanwezigen in de kamer keken in verbaasd stilzwijgen toe. Semirhage begon te huilen; niet van pijn, maar vanwege de vernedering. Dat was de sleutel. Semirhage was niet te verslaan met pijn of overreding, maar haar grote naam tenietdoen, dat zou voor haar verschrikkelijker zijn dan elke andere straf. Net zoals het voor Cadsuane zou zijn. Cadsuane hield na een tijdje weer op en liet de wevingen los waardoor Semirhage roerloos werd vastgehouden. ‘Ga je nu eten?’ vroeg ze. ‘Ik...’
Cadsuane tilde haar hand op, en Semirhage sprong bijna van haar schoot en krabbelde over de vloer om de bonen op te eten. ‘Ze is een mens,’ zei Cadsuane, kijkend naar de anderen. ‘Gewoon een mens, net als wij allemaal. Ze heeft geheimen, maar elke kleine jongen kan een geheim hebben dat hij weigert te vertellen. Vergeet dat niet.’