Orde. Hier in Ebo Dar heerste orde, zelfs op de velden vol tenten en wagens buiten de stad. Seanchaanse soldaten liepen rond en bewaarden de rust; er waren plannen om de Rahad op te ruimen. Armoede was nog geen reden – of uitvlucht – om wetteloos te leven. Maar deze stad was maar een heel, heel klein belletje van orde in een wereld van tumult.
Seanchan zelf was gebroken door burgeroorlog, nu de keizerin was overleden. De Corenne waren gekomen, maar het heroveren van deze landen van Artur Haviksvleugel ging langzaam, belemmerd door de Herrezen Draak in het oosten en de Domaanse legers in het noorden. Ze wachtte nog steeds op nieuws van luitenant-generaal Turan, maar de tekenen waren niet goed. Galgan hield vol dat ze verbaasd konden staan over de uitkomst, maar Tuon had een zwarte duif gezien ten tijde van het nieuws over Turans netelige situatie. Het voorteken was duidelijk geweest. Hij zou niet levend terugkeren. Chaos. Ze keek opzij naar waar die trouwe Karede stond, gehuld in zijn dikke pantser, bloedrood en zo donkergroen dat het bijna zwart was. Hij was een lange man met een vierkant gezicht dat bijna even massief was als de wapenrusting die hij droeg. Hij had vandaag – de dag na Tuons terugkeer naar Ebo Dar – twee dozijn doodswachtgardisten en zes Ogier Gaardeniers bij zich, die allemaal langs de muren stonden in de kamer met de hoge zoldering en witte pilaren. Karede voelde de chaos en was niet van zins haar nog eens te laten ontvoeren.
Chaos was het dodelijkst als je aannames deed over wat er wel of niet door kon worden besmet. Hier in Ebo Dar nam het de vorm aan van een groepering die zich vast had voorgenomen Tuon te vermoorden.
Ze ontweek al huurmoordenaars sinds ze kon lopen, en had die allemaal overleefd. Ze verwachtte hen. Ergens floreerde ze dankzij hen. Hoe moest je weten dat je machtig was als niemand huurmoordenaars achter je aan stuurde?
Suroths verraad, echter... Chaos, ja, wanneer de leider van de Voorlopers zelf overliep. De orde terugbrengen in de wereld zou heel, heel moeilijk worden. Misschien wel onmogelijk.
Tuon rechtte haar rug. Ze had gedacht dat het nog vele jaren zou duren voordat ze keizerin werd. Maar ze zou haar plicht doen. Ze wendde zich van het balkon af en liep de gehoorzaal weer in, naar de menigte die op haar wachtte. Net als de anderen van het Bloed droeg ze as op haar wangen, als teken van rouw om het verlies van de keizerin. Tuon had weinig genegenheid voor haar moeder gehad, maar genegenheid was niet nodig voor een keizerin. Ze bood orde en stabiliteit. Tuon was nog maar net begonnen het belang van die dingen te begrijpen toen het gewicht op haar schouders was beland.
De kamer was breed en rechthoekig, verlicht met kaarsenstandaards tussen de pilaren en de stralende gloed van het zonlicht dat via de brede uitbouw erachter binnenkwam.
Tuon had de kleden uit de zaal laten halen, omdat ze de voorkeur gaf aan de helwitte tegels. Op de zoldering was een schildering aangebracht van vissers op zee, met zeemeeuwen in de heldere lucht, en de muren waren lichtblauw. Een groep van tien da’covale knielde voor de kandelaars aan Tuons rechterhand. Ze droegen doorschijnende kleding en wachtten op bevelen. Suroth was niet bij hen. De doodswachtgardist zorgde voor haar, in ieder geval tot haar haren weer aangroeiden.
Zodra Tuon naar binnen stapte, maakten alle burgers diepe buigingen en drukten hun voorhoofd tegen de vloer. De leden van het Bloed knielden en bogen hun hoofd.
Tegenover de da’covale, aan de overkant van de zaal, knielden Lanelle en Melitene in gewaden versierd met zilveren bliksemschichten op de rode vlakken van hun rokken. Hun beteugelde damane knielden met hun gezicht omlaag. Tuons ontvoering was ondraaglijk geweest voor enkele damane; ze hadden ontroostbaar gehuild tijdens haar afwezigheid.
Haar zetel was betrekkelijk eenvoudig. Een houten stoel met zwart fluweel op de armleuningen en de rug. Ze ging zitten, in een geplooid gewaad in de diepste zeeblauwe kleur, en haar witte mantel fladderde achter haar op. Zodra ze plaatsnam, kwamen de mensen in de zaal overeind van hun knielende houdingen; iedereen behalve de da’covale, die bleven knielen. Selucia stond op en kwam naast de stoel staan. Ze droeg haar gouden haar in een vlecht langs de rechterkant, en de linkerkant van haar hoofd was geschoren. Ze had geen as op haar wangen, want ze was niet van het Bloed, maar de witte band om haar arm gaf aan dat ook zij – net als de rest van het rijk – rouwde om het verlies van de keizerin.
Yuril, Tuons klerk en in het geheim haar Hand, stapte naar de andere kant van de stoel. De doodswachtgardisten kwamen onopvallend dichterbij, en hun donkere pantsers glinsterden lichtjes in het zonlicht. Ze waren de laatste tijd opmerkelijk beschermend jegens haar. Ze nam het hen niet kwalijk, gezien de recente gebeurtenissen. Hier ben ik dan, dacht Tuon, omringd door mijn macht, met damane aan de ene kant en doodswachtgardisten aan de andere. En toch voel ik me niet veiliger dan ik me bij Martrim voelde. Wat vreemd, dat ze zich veilig bij hem had gevoeld. Recht voor haar, verlicht door schuin invallend zonlicht uit de open uitbouw achter haar, stond een groep leden van het Bloed, met kapitein-generaal Galgan als hoogste onder hen. Hij droeg vandaag een pantser met een diepblauwe borstplaat, zo donker dat het bijna zwart was. Zijn poederwitte haar liep in een kam over zijn hoofd, waarvan de zijkanten geschoren waren, en het was gevlochten tot aan zijn schouders, want hij was van het Hoge Bloed. Bij hem waren twee leden van het lagere Bloed – baandergeneraal Najirah en baandergeneraal Yamada – en enkele burgerofficiers. Ze wachtten geduldig, waarbij ze zorgvuldig Tuons blik vermeden.
Een verzameling van andere leden van het Bloed stond enkele stappen achter hen om getuige te zijn van haar handelen. De pezige Faverde Nothish en Amenar Shumada met zijn lange gezicht voerden hen aan. Ze waren allebei belangrijk; belangrijk genoeg om gevaarlijk te zijn. Suroth zou niet de enige zijn die in deze tijden kansen zag. Als Tuon viel, kon bijna iedereen keizerin worden. Of keizer.
De oorlog in Seanchan zou niet snel eindigen, maar zodra hij eindigde zou de overwinnaar zichzelf ongetwijfeld verheffen tot de Kristallen Troon. En dan zouden er twee leiders zijn van het Seanchaanse Rijk, gescheiden door een oceaan, verenigd in hun verlangen om elkaar te verslaan. En geen van beiden konden ze de ander laten leven.
Orde, dacht Tuon, terwijl ze met een blauwgelakte nagel op het zwarte hout van de armleuning tikte. De orde moet van mij uitstralen. Ik moet een kalme hemel brengen bij degenen die worden geplaagd door stormen.
‘Selucia is mijn Waarheidsspreker,’ kondigde ze aan. ‘Laat dat bekend worden gemaakt onder het Bloed.’
Die uitspraak was verwacht. Selucia boog haar hoofd in aanvaarding, hoewel ze niet verlangde naar enige andere functie dan het dienen en beschermen van Tuon. Ze zou deze positie niet verwelkomen. Maar ze was ook eerlijk en rechtdoorzee; ze zou een uitstekende Waarheidsspreker zijn. In ieder geval kon Tuon er deze keer van op-aan dat haar Waarheidsspreker geen Verzaker was. Geloofde ze Falendres verhaal dan? Het was onvoorstelbaar; het klonk als een van Martrims beeldende verhalen over denkbeeldige schepsels die door het duister slopen. En toch hadden de andere sul’dam en damane Falendres verhaal bevestigd.
Sommige feiten leken in ieder geval te kloppen. Anath had samengewerkt met Suroth. Suroth had – na wat overreding – toegegeven dat ze een Verzaker had ontmoet. Of althans, dat dacht ze. Ze had niet geweten dat de Verzaker Anath was, maar ze scheen die onthulling geloofwaardig te vinden.
Of ze nu wel of niet echt een Verzaker was, Anath had de Herrezen Draak ontmoet en zich voorgedaan als Tuon. En toen had ze geprobeerd hem te doden. Orde, dacht Tuon, met een onbewogen gezicht. Ik vertegenwoordig de orde.