Выбрать главу

Tuon gebaarde kort naar Selucia, die nog altijd haar Stem was – en haar schaduw – zelfs met de bijgevoegde verantwoordelijkheid van Waarheidsspreker. Als ze bevelen gaf aan lieden die ver beneden haar stonden, gaf Tuon eerst de woorden door aan Selucia, die ze vervolgens zou uitspreken.

‘Stuur hem naar binnen,’ droeg Selucia een da’covale naast de troon op. Hij boog diep, legde zijn voorhoofd tegen de vloer en haastte zich toen naar de andere kant van de grote zaal om de deur te openen.

Beslan, Koning van Altara en Hoogzetel van het Huis Mitsobar, was een slanke jongeling met zwarte ogen en zwart haar. Hij had de olijfkleurige huid van het Altaraanse volk, maar hij droeg kleding zoals die de voorkeur had van het Bloed. Een wijde gele broek en een hoog-gekraagde jas die slechts tot midden op zijn borst reikte, met een geel hemd eronder. De leden van het Bloed hadden een duidelijke doorgang in het midden van de zaal opengelaten, en Beslan liep erdoor, met zijn blik neergeslagen. Toen hij de smeekruimte voor de troon bereikte, liet hij zich op zijn knieën zakken en maakte een diepe buiging. Het volmaakte plaatje van een trouwe onderdaan, op die smalle gouden kroon op zijn hoofd na. Tuon gebaarde naar Selucia. ‘U wordt verzocht op te staan,’ sprak Selucia. Beslan stond op, hoewel hij zijn blik afgewend hield. Hij was een uitstekend toneelspeler.

‘De Dochter van de Negen Manen betuigt haar medeleven met uw verlies,’ liet Selucia hem weten.

‘En ik dat van mij vanwege haar verlies,’ zei hij. ‘Mijn verdriet is maar een kaars vergeleken bij het grote vuur dat het Seanchaanse volk voelt.’

Hij was te onderdanig. Hij was een koning; hij hoefde niet zo diep te buigen. Hij stond gelijk aan veel leden van het Bloed. Ze zou bijna hebben geloofd dat hij zich gewoon onderwierp aan de vrouw die binnenkort keizerin zou worden, maar ze was dankzij haar spionnen en door geruchten veel te goed op de hoogte van zijn temperament.

‘De Dochter van de Negen Manen wenst de reden te weten waarom u niet langer hof houdt,’ sprak Selucia, kijkend naar Tuons bewegende handen. ‘Ze vindt het verontrustend dat uw volk geen gehoor kan krijgen bij hun koning. Uw moeders dood was tragisch en schokkend, maar uw koninkrijk heeft u nodig.’

Beslan maakte een buiging. ‘Laat haar alstublieft weten dat ik het niet gepast vond om mezelf boven haar te verheffen. Ik ben onzeker over wat ik moet doen. Ik bedoelde het niet als belediging.’

‘Weet u zeker dat dat de werkelijke reden is?’ vroeg Selucia. ‘Het is niet omdat u wellicht een opstand tegen ons voorbereidt en daardoor geen tijd hebt voor uw andere plichten?’ Beslan keek scherp op, met grote ogen. ‘Majesteit, ik...’

‘Je hoeft geen verdere leugens te spreken, kind van Tylin,’ zei Tuon rechtstreeks tegen hem, wat verbaasde kreten ontlokte aan de verzamelde leden van het Bloed. ‘Ik weet wat je tegen generaal Habiger en je vriend heer Malalin hebt gezegd. Ik weet van je geheime ontmoetingen in de kelder van De Drie Sterren. Ik weet overal van, koning Beslan.’

Het werd stil in de zaal, en Beslan boog even zijn hoofd. Toen, verrassend genoeg, stond hij op en keek haar recht in de ogen. Ze had niet gedacht dat die milde jongeling het in zich had. ‘Ik laat mijn volk niet...’

‘Ik zou mijn mond maar houden als ik jou was,’ onderbrak Tuon hem. ‘Je staat nu al op los zand.’

Beslan aarzelde. Ze zag de vraag in zijn ogen. Ging ze hem niet terechtstellen? Als ik van plan was je te doden, dacht ze, dan zou je al dood zijn, en je zou het mes niet eens hebben zien aankomen. ‘Seanchan is in oproer,’ zei Tuon terwijl ze hem aankeek. Hij leek geschokt over haar woorden. ‘O, dacht je dat ik dat zou negeren, Beslan? Ik blijf niet rustig naar de sterren staren terwijl mijn rijk om me heen instort. De waarheid moet onder ogen worden gezien. Mijn moeder is dood. Er is geen keizerin. Maar de troepen van de Corenne zijn meer dan voldoende om onze posities hier aan deze kant van de oceaan te behouden, inclusief Altara.’ Ze boog zich naar voren en probeerde een gevoel van beheersing, van standvastigheid uit te stralen. Haar moeder was daar te allen tijde toe in staat geweest. Tuon had niet de lengte van haar moeder, maar ze zou die uitstraling nodig hebben. Anderen moesten zich veiliger en zekerder voelen, gewoonweg door haar aanwezigheid.

‘In dit soort tijden,’ vervolgde Tuon, ‘kunnen dreigingen van opstand niet worden genegeerd. Velen zullen kansen zien in de zwakte van het rijk, en hun verdeelde geruzie zal – als er niets aan wordt gedaan – waarschijnlijk het einde van ons allen worden. Daarom moet ik vastberaden zijn. Heel vastberaden. Jegens degenen die me tarten.’

‘Waarom,’ vroeg Beslan, ‘ben ik dan nog in leven?’

‘Je bereidde je opstand al voor voordat de gebeurtenissen in het rijk bekend werden.’ Hij fronste niet-begrijpend.

‘Jij begon je opstand toen Suroth hier de leiding had,’ zei Tuon, ‘en toen je moeder nog koningin was. Er is sindsdien veel veranderd, Beslan. Heel veel. In dit soort tijden zijn er mogelijkheden voor grootse daden.’

‘U moet weten dat ik niet dorst naar macht,’ zei Beslan. ‘De vrijheid van mijn volk, dat is alles wat ik wens.’

‘Dat weet ik inderdaad,’ zei Tuon, die haar handen voor zich verstrengelde, met haar gelakte nagels om elkaar heen en haar ellebogen op de armleuningen van haar stoel. ‘En dat is de andere reden waarom je nog leeft. Je opstandigheid komt niet voort uit een verlangen naar een hoge positie, maar uit niets dan onwetendheid. Je bent misleid, en dat betekent dat je kunt veranderen als je de juiste kennis krijgt aangereikt.’

Hij keek haar verward aan. Sla je ogen neer, stommeling. Dwing me niet je te laten afranselen voor je lompheid! Alsof hij haar gedachten had gelezen, wendde hij zijn blik af en sloeg zijn ogen neer. Ja, ze had hem goed ingeschat.

Wat was haar positie wisselvallig! Natuurlijk, ze had soldaten, maar zoveel van hen waren verspild door Suroths agressie. Alle koninkrijken aan deze kant van de oceaan zouden uiteindelijk moeten buigen voor de Kristallen Troon. Elke marath’damane zou worden beteugeld, elke koning of koningin zou de geloften afleggen. Maar Suroth had te veel druk uitgeoefend, vooral bij het fiasco met Turan. Honderdduizend man, verloren in één veldslag. Waanzin. Tuon had Altara nodig. Ze had Ebo Dar nodig. Beslan was geliefd bij het volk. Zijn hoofd op een staak zetten na de raadselachtige dood van zijn moeder... Nou, Tuon wilde stabiliteit hebben in Ebo Dar, maar ze zou er liever geen onbemande fronten voor zien. ‘De dood van je moeder is een groot verlies,’ zei Tuon. ‘Ze was een goed mens. Een goede koningin.’ Beslans lippen vormden een streep. ‘Je mag spreken,’ zei Tuon.

‘Haar dood... is onverklaard,’ zei hij. De onderliggende betekenis was duidelijk.

‘Ik weet niet of Suroth er iets mee te maken had,’ zei Tuon, die haar stem liet verzachten. ‘Zij beweert van niet. Maar de zaak wordt onderzocht. Als blijkt dat Suroth achter haar dood zat, dan ontvangen jij en Altara een verontschuldiging van de troon.’ Weer een ingehouden kreet van de leden van het Bloed. Ze legde hun met een blik het zwijgen op en wendde zich weer tot Beslan. ‘Het was een groot verlies, de dood van je moeder. Je moet weten dat ze trouw was aan haar geloften.’

‘Ja,’ zei hij met bittere stem. ‘En ze heeft de troon opgegeven.’

‘Nee,’ zei Tuon kortaf. ‘De troon is van jou. Dat is die onwetendheid waar ik het over had. Je moet je mensen leiden. Ze hebben een koning nodig. Ik heb niet de tijd, noch de wens om je plicht voor je te doen. Jij gaat ervan uit dat de Seanchaanse overheersing van je thuisland betekent dat je mensen geen vrijheid meer hebben. Dat is niet waar. Ze zullen vrijer, beter beschermd en sterker zijn wanneer ze ons bewind aanvaarden. Ik sta boven jou. Maar is dat zo onwenselijk? Met de macht van het Rijk achter je, zul je je grenzen kunnen bewaken en je landen buiten Ebo Dar kunnen beschermen. Je spreekt over je volk? Nou, ik heb iets voor je laten voorbereiden.’ Ze knikte naar de zijkant, waar een ranke da’covale naar voren stapte met een leren zak. ‘Daarin,’ zei Tuon, ‘vind je getallen die zijn verzameld door mijn verkenners en wachters. Je ziet alle meldingen van misdaden tijdens onze bezetting hier. Je krijgt verslagen en manifesten, een vergelijking van hoe de mensen waren vóór de Terugkeer en erna. Ik denk dat je al wel weet wat je zult vaststellen. Het rijk is een aanwinst voor je, Beslan. Een machtige, machtige bondgenoot. Ik zal je niet beledigen door je tronen aan te bieden die je niet wilt. Ik wil je overhalen door je stabiliteit, voedsel en bescherming voor je volk te bieden. Allemaal voor de lage prijs van je trouw.’ Hij pakte weifelend de zak aan.