Выбрать главу

Tuon knikte peinzend. Dit was mogelijk de moeilijke beslissing waar het voorteken op had geduid. Maar haar keus leek voor de hand te liggen, en eigenlijk was het helemaal geen moeilijk besluit. Alle marath’damane in Tar Valon moesten van een halsband worden voorzien, en dit was een uitstekende manier om met één enkele, machtige klap het verzet jegens het Eeuwig Zegevierende Leger te verzwakken.

Maar het voorteken had geduid op een moeilijke beslissing. Ze gebaarde naar Selucia.

‘Is er iemand in deze zaal dit die plan afkeurt?’ vroeg de Stem. ‘Iemand die tegenwerpingen heeft bij wat generaal Yulan en zijn mannen naar voren hebben gebracht?’

De leden van het Bloed keken elkaar aan. Beslan had misschien iets willen zeggen, maar dat deed hij niet. De Altaranen hadden geen bezwaar gemaakt toen hun marath’damane de halsband werd omgedaan; het scheen dat ze weinig vertrouwen hadden in lieden die konden geleiden. Ze hadden niet het voorbeeld gevolgd van Amadicia, dat zo verstandig was geweest om de Aes Sedai vogelvrij te verklaren, maar ze verwelkomden hen ook niet. Beslan zou zich niet tegen een aanval op de Witte Toren uitspreken.

Siuan ging achteroverzitten en wachtte... waarop? Misschien was dit toch niet het besluit waar het voorteken naar had verwezen. Ze opende haar mond om het bevel te geven de aanval uit te voeren, maar op dat ogenblik gingen de deuren open.

De doodswachtgardisten die de wacht hielden bij de deur stapten opzij en lieten een so’jhin binnen. De man met gespierde armen, Ma’combe, boog tot vlak boven de grond, de zwarte vlecht over zijn rechterschouder viel opzij en raakte de tegelvloer. ‘Als het de Dochter van de Negen Manen behaagt, luitenant-generaal Tylee Khirgan verzoekt om een audiëntie.’ Galgan keek geschokt. ‘Wat is er?’ vroeg Tuon aan hem.

‘Ik besefte niet dat ze teruggekeerd was, Hoogste Dochter,’ zei hij. ‘Ik stel in alle nederigheid voor dat ze toestemming krijgt om te spreken. Ze is een van mijn beste officiers.’

‘Ze mag binnenkomen,’ sprak Selucia.

Een mannelijke da’covale in een witte mantel kwam binnen, voor een vrouw in wapenrusting uit, met haar helm onder haar arm. Ze had een donkere huid en kort zwart haar dat ze in dichte krullen op haar hoofd droeg, en ze was lang en slank. Bij haar slapen waren haar haren bestoft met grijs. De overlappende platen van haar pantser droegen strepen van rode, gele en blauwe lak, en het kraakte terwijl ze liep. Ze was van het lage Bloed – kort geleden op bevel van generaal Galgan verheven – maar ze was daarvan op de hoogte gesteld via een raken. Ze droeg haar haren amper geschoren, over een vingerbreedte langs de zijkanten van haar hoofd. Tylees ogen waren rood van vermoeidheid. Te oordelen naar de geur van zweet en de stank van paarden die om haar heen hing, was ze na aankomst in de stad meteen naar Tuon toe gekomen. Ze werd gevolgd door enkele jongere soldaten, ook uitgeput, en een van hen droeg een grote bruine zak. Toen ze de smeekruimte bereikten – een vierkant rood doek op de vloer – zakten ze allemaal op hun knieën. De gewone soldaten drukten hun voorhoofd tegen de vloer en Tylee maakte een ruk alsof ze hun voorbeeld wilde volgen, maar ze herstelde zich. Ze was het nog niet gewend om lid van het Bloed te zijn. ‘Het is duidelijk dat je vermoeid bent, strijder,’ sprak Selucia. Tuon boog zich naar voren. ‘We nemen aan dat je nieuws van groot belang hebt?’

Tylee richtte zich op één knie op en gebaarde opzij. Een van haar soldaten kwam op zijn knieën overeind en tilde de bruine zak op. Aan de onderkant was die besmeurd met een donkere, geronnen vloeistof. Bloed.

‘Als het de Hoogste Dochter behaagt,’ zei Tylee, waarbij haar stem haar uitputting verraadde. Ze knikte naar de man, en hij opende de zak en dumpte dingen op de vloer. De koppen van verschillende dieren. Een zwijn, een wolf, en... een havik? Tuon voelde zich verkillen. Die havikskop was even groot als een mensenhoofd. Misschien wel groter. Maar ze... klopten niet helemaal. De koppen waren verschrikkelijk misvormd. Ze zou durven zweren dat de havikskop, die omrolde zodat ze het aangezicht ervan goed kon zien, menselijke ogen had. En... de andere koppen hadden ook... menselijke trekken. Tuon onderdrukte een huivering. Wat voor kwaadaardig voorteken was dit?

‘Wat is hier de betekenis van?’ wilde Galgan weten. ‘Ik neem aan dat de Hoogste Dochter op de hoogte is van mijn militaire onderneming tegen de Aiel,’ zei Tylee, nog steeds op één knie. Tylee had tijdens die slag damane gevangen, hoewel Tuon er niet veel meer van wist. Generaal Galgan had met enige nieuwsgierigheid op haar terugkeer gewacht om het hele verhaal te horen. ‘In mijn onderneming,’ vervolgde Tylee, ‘sloten mannen van verschillende nationaliteiten zich bij me aan, die geen van allen de geloften hadden afgelegd. Ik zal volledig verslag over hen uitbrengen als er tijd voor is.’ Ze aarzelde en wierp een blik op de koppen.

‘Deze... schepsels... vielen mijn troep aan op onze rit terug, tien roeden buiten Ebo Dar. Er zijn bij ons veel slachtoffers gevallen. We hebben naast deze koppen ook enkele gehele lichamen meegenomen. Ze hepen op twee benen, als mensen, maar ze leken veel op dieren.’ Ze weifelde opnieuw. ‘Ik denk dat het Trolloks zijn, zoals ze aan deze kant van de oceaan worden genoemd. Ik denk dat ze hierheen komen.’

Chaos. De leden van het Bloed begonnen te ruziën over de onwaarschijnlijkheid ervan. Generaal Galgan droeg zijn officiers onmiddellijk op om wachtdiensten te organiseren en renners op pad te sturen om te waarschuwen voor een mogelijke aanval op de stad. De sul’dam aan de zijkanten van de zaal haastten zich naar voren om de koppen te bekijken, terwijl de doodswachtgardisten stilletjes Tuon omringden, als extra verdedigingslaag, kijkend naar iedereen – Bloed, dienaren en soldaten – met evenveel aandacht. Tuon had het gevoel dat ze geschokt zou moeten zijn. Vreemd genoeg was ze dat niet. Dus Martrim had hier gelijk over, gebaarde ze steels naar Selucia. En zij had aangenomen dat Trolloks maar bijgeloof waren. Ze keek weer naar de koppen. Weerzinwekkend. Selucia leek verontrust. Heeft hij misschien nog andere dingen gezegd die wij hebben weggewuifd?

Tuon aarzelde. We zullen het hem moeten vragen. Ik zou hem heel graag terug willen hebben. Ze verstijfde; zoveel had ze niet willen onthullen. Maar ze vond haar eigen gevoelens merkwaardig. Ze had zich veilig bij hem gevoeld, hoe belachelijk dat ook leek. En ze wenste dat hij nu bij haar was. Die koppen waren verder bewijs dat ze heel weinig over hem wist.

Ze besloot de kwebbelende menigte het zwijgen op te leggen. Selucia sprak: ‘Zwijg.’

Het werd stil in de zaal, hoewel de leden van het Bloed en de sul’dam nog altijd erg verontrust keken. Tylee knielde nog met gebogen hoofd, en de soldaat die de koppen had gedragen knielde naast haar. Ja, ze zou grondig moeten worden verhoord.

‘Dit nieuws verandert weinig,’ sprak Selucia. ‘We waren ons er al van bewust dat de Laatste Slag nadert. We stellen prijs op luitenant-generaal Tylees onthullingen. Ze verdient er lof voor. Maar dit maakt het alleen maar dringender dat we de Herrezen Draak onderwerpen.’ Er werd hier en daar geknikt in de zaal, ook door generaal Galgan. Beslan leek niet zo eenvoudig overtuigd. Hij keek alleen maar ongerust.

‘Als het de Hoogste Dochter behaagt,’ zei Tylee met een buiging.

‘Je mag spreken.’

‘In de afgelopen weken heb ik vele dingen gezien die me aan het denken hebben gezet,’ zei Tylee. ‘Zelfs voordat mijn soldaten werden aangevallen, was ik al bezorgd. Dankzij de wijsheid en gratie van de Hoogste Dochter kan zij ongetwijfeld verder vooruitzien dan iemand als ik, maar ik geloof dat onze veroveringen in dit land tot dusverre gemakkelijk zijn verlopen, vergeleken met wat er mogelijk nog komt. Als ik zo vrijpostig mag zijn... Ik denk dat de Herrezen Draak en zij die zich bij hem hebben aangesloten mogelijk betere bondgenoten dan vijanden zouden zijn.’

Dat was een boude uitspraak. Tuon boog zich naar voren, en haar gelakte nagels tikten op de armleuningen van haar stoel. Veel leden van het lage Bloed hadden zoveel ontzag voor de hofhouding van de keizerin, laat staan de Hoogste Dochter zelf, dat ze niet zouden durven spreken. Maar die vrouw kwam met voorstellen? Rechtstreeks in tegenspraak met de bekendgemaakte wil van Tuon? ‘Een moeilijk besluit is niet altijd een besluit waarin beide kanten gelijkelijk zijn vertegenwoordigd, Tuon,’ zei Selucia ineens. ‘Misschien is in dit geval een moeilijk besluit een besluit dat goed is, maar waarin ook een spoor van onjuistheid zit.’