Выбрать главу

Tuon knipperde verbaasd met haar ogen. Ja, besefte ze. Selucia is nu mijn Waarheidsspreker. Ze zou nog even moeten wennen aan de nieuwe rol van die vrouw. Het was jaren geleden dat Selucia haar in het openbaar had terechtgewezen of berispt.

En toch, een ontmoeting met de Herrezen Draak, in eigen persoon? Ze moest inderdaad contact met hem opnemen, en dat was ook haar bedoeling. Maar zou het niet beter zijn om hem krachtig tegemoet te treden, als zijn legers waren verslagen en de Witte Toren omver was gehaald? Ze moest hem onder strikt beheerste omstandigheden naar de Kristallen Troon laten halen, waarbij hij ervan doordrongen was dat hij zich zou moeten onderwerpen aan haar gezag. En toch... nu Seanchan in opstand was... nu haar positie hier in Altara nauwelijks stabiel was... Nou, misschien zou het om wat tijd te krijgen om na te denken – wat tijd om een paar keer diep adem te halen en veilig te stellen wat ze al had – de moeite waard zijn haar aanval op de Witte Toren uit te stellen.

‘Generaal Galgan, stuur raken naar onze troepen op de Almothvlakte en in oostelijk Altara,’ zei ze ferm. ‘Zeg dat ze onze belangen moeten blijven behartigen, maar dat ze een confrontatie met de Herrezen Draak moeten voorkomen. En beantwoord zijn verzoek om een onderhoud. De Dochter van de Negen Manen zal hem ontmoeten.’

Generaal Galgan knikte en boog.

Er moest orde komen in de wereld. Als ze dat moest doen door haar ogen enigszins neer te slaan en de Herrezen Draak te ontmoeten, dan zij het zo.

Vreemd genoeg merkte ze dat ze wenste – alweer – dat Martrim nog bij haar was. Ze had zijn kennis over die Rhand Altor goed kunnen gebruiken bij haar voorbereiding op de ontmoeting. Blijf veilig, jij eigenaardige man, dacht ze, omkijkend naar de uitbouw en het noorden. Graaf jezelf niet zo diep in de problemen dat je niet meer naar de vrijheid kunt klimmen. Jij bent nu Prins van de Raven. Denk eraan dat je je als zodanig gedraagt. Waar je ook bent.

20

Op een gebroken weg

‘Trouwen,’ sprak Mart terwijl hij op Pips over de stoffige, weinig gebruikte weg reed, ‘zijn net muilezels.’ Hij fronste zijn voorhoofd. ‘Nee, wacht. Geiten. Vrouwen zijn net geiten. Behalve dat ze stuk voor stuk denken dat ze paarden zijn, en nog klassemerries ook. Begrijp je me, Talmanes?’

‘Pure dichtkunst, Mart,’ zei Talmanes, die de tobak in zijn pijp aandrukte.

Mart gaf een klets met de teugels en Pips bleef door sloffen. Er stonden hoge drienaaldsdennen aan weerskanten van de stenen weg. Ze hadden geluk dat ze deze oude weg hadden gevonden, die al voor het Breken moest zijn aangelegd.

Hij was grotendeels overwoekerd, de stenen waren op vele plaatsen gebarsten en grote delen van de weg waren gewoon... nou, gewoon weg.

Jonge dennen waren opgeschoten in de berm en tussen de stenen, als miniatuurversies van hun torenhoge vaders erboven. Het pad was breed, al was het dan heel ruw, en dat was goed. Mart had zevenduizend man bij zich, allemaal te paard, en ze hadden er flink de pas in gehad in de kleine week die ze nu onderweg waren sinds ze Tuon hadden teruggestuurd naar Ebo Dar.

‘Redeneren is onmogelijk bij een vrouw,’ vervolgde Mart, met zijn blik naar voren. ‘Het is net als... Nou, redeneren met een vrouw is net als rustig gaan zitten om een vriendelijk potje te dobbelen. Alleen weigert de vrouw de basisregels van het spelletje te volgen. Een man zal je proberen te bedriegen, maar op een eerlijke manier. Hij gebruikt bijvoorbeeld verzwaarde dobbelstenen, zodat je denkt dat je door pech verliest. En als je niet slim genoeg bent om door te krijgen wat hij doet, dan verdient hij het misschien wel om je je geld afhandig te maken. En dat is dan dat.

Een vrouw daarentegen, die komt glimlachend bij datzelfde spelletje zitten en doet alsof ze wil meespelen. Alleen als het haar beurt is om te gooien, dan gooit ze met haar eigen dobbelstenen, die aan alle kanten leeg zijn. Nog geen stipje te zien. Ze kijkt naar haar worp, dan kijkt ze op en zegt rustig: “Het is duidelijk dat ik zojuist gewonnen heb.”

Dus jij krabt op je hoofd en kijkt naar die dobbelstenen. Dan kijk je naar haar, en dan weer naar de worp. “Maar er staan geen stippen op die dobbelstenen,” zeg jij dan.

“Jawel, hoor,” zegt zij. “En ze zijn allebei op één gevallen.”

“Dat is precies het aantal dat jij nodig had om te winnen,” zeg jij dan weer.

“Wat toevallig,” zegt zij, en vervolgens schraapt ze je geld naar zich toe. En jij zit erbij en probeert te snappen wat er nou net is gebeurd. En dan besef je iets. Een stel enen is geen winnende worp! Niet nadat jij net een zes had gegooid. Dat betekent dat zij eigenlijk een paar tweeën nodig had! Dus ga je haar opgetogen uitleggen wat je hebt ontdekt. Maar weet je wat zij dan doet?’

‘Ik zou het niet weten, Mart,’ antwoordde Talmanes, kauwend op zijn pijp, waar een dun kringeltje rook uit opsteeg. ‘Dan buigt ze zich naar voren,’ zei Mart, ‘en wrijft over de lege vlakken van haar dobbelstenen. En dan, met een volkomen uitgestreken gezicht, zegt ze: “Het spijt me. Er zat een beetje vuil op de dobbelstenen. Nu zie je duidelijk dat ze allebei op twee zijn geland!” En ze gelooft het ook nog. Ze gelooft het verdomme zelf!’

‘Onvoorstelbaar,’ zei Talmanes. ‘Maar dat is nog niet alles!’

‘Dat dacht ik eigenlijk al wel, Mart.’

‘Ze schraapt al je munten bij elkaar,’ zei Mart, gebarend met één hand terwijl hij met de andere zijn ashandarei recht legde over zijn zadel. ‘En dan komen alle andere vrouwen in de kamer naar haar toe om haar geluk te wensen met die twee tweeën! Hoe meer je klaagt, hoe meer van die vrouwen zich om de tafel scharen. Even later ben je veruit in de minderheid, en elk van die vrouwen zal je vertellen dat er duidelijk twee tweeën op de dobbelstenen te zien zijn, en dat je nu echt moet ophouden zo kinderachtig te doen. Stuk voor stuk zullen ze die tweeën zien! Zelfs die tuttige vrouw die jouw vrouw al haat sinds haar geboorte – sinds de oma van je vrouw het recept voor honingkoeken van de oma van die andere had gepikt toen ze allebei nog jong waren – zelfs die vrouw zal zich tegen jou keren.’

‘Het zijn inderdaad snode schepsels,’ zei Talmanes met een vlakke en gelijkmatige stem. Talmanes glimlachte maar zelden. ‘Tegen de tijd dat ze klaar met je zijn,’ vervolgde Mart bijna in zichzelf, ‘heb je geen geld meer over, moet je lijsten vol klussen afwerken en overpeinzen welke kleren je aanmoet, en heb je knallende koppijn. Je zit daar naar die tafel te staren en je gaat je afvragen of er misschien toch inderdaad geen twee tweeën op die dobbelstenen stonden. Al was het maar om je laatste restje gezonde verstand te redden. Zo gaat het als je wilt redeneren met een vrouw, zeg ik je.’

‘En dat heb je gedaan. Uitgebreid.’

‘Je drijft de spot met me, of niet soms?’

‘Nou, Mart!’ zei de Cairhienin. ‘Je weet best dat ik zoiets nooit zou doen.’

‘Jammer,’ mompelde Mart met een argwanende blik opzij. ‘Ik kan wel wat te lachen gebruiken.’ Hij keek achterom. ‘Vanin! Bij de be-blaarde billen van de Duistere, waar zijn we?’ De dikke voormalige paardendief keek op. Hij reed een stukje achter Mart, en hij had een kaart van de omgeving uitgerold en omgevouwen op een plank, zodat hij die in het zadel kon raadplegen. Hij tuurde al bijna de halve ochtend naar dat stomme ding. Mart had hem gevraagd hen stilletjes door Morland te loodsen, te zorgen dat ze niet maandenlang in de bergen zouden ronddwalen! ‘Dat is Ziederspiek,’ zei Vanin, met een dikke vinger wijzend naar een vlakke berg die net zichtbaar was boven de toppen van de dennen. ‘Althans, ik geloof van wel. Het kan ook de Sardlenberg zijn.’ De gedrongen heuvel leek niet veel op een berg; er lag amper sneeuw op. Natuurlijk waren maar weinig ‘bergen’ in deze streek indrukwekkend, zeker vergeleken met de Mistbergen in de buurt van Tweewater. Hier, ten noordoosten van de Damonaketen, ging het landschap over in een groep lage berguitlopers. Het was lastig terrein, maar er was door te komen als je vastberaden was. En Mart was vastberaden. Vastberaden om zich niet weer te laten insluiten door de Seanchanen, vastberaden om zich niet te laten zien aan lieden die niet hoefden te weten dat hij hier was. Hij had de slager al te veel betaald. Hij wilde weg uit deze galgenstrop van een land.