‘Ja,’ zei Mart, die Pips inhield om naast Vanin te gaan rijden, ‘welke berg is het nou? Misschien moesten we het maar weer eens aan meester Roidelle vragen.’
De kaart was van de meester-kaartenmaker; alleen dankzij hem waren ze in staat geweest deze weg ooit te vinden. Maar Vanin stond erop om degene te zijn die de troep aanvoerde. Een kaartenmaker was iets anders dan een verkenner, en je liet geen stoffige cartograaf voor je uit rijden om de weg te wijzen, hield Vanin vol. Eigenlijk had meester Roidelle ook niet veel ervaring als gids. Hij was een wetenschapper, een geleerde. Hij kon je uitstekend uitleggen hoe een kaart in elkaar stak, maar hij had evenveel moeite als Vanin om te bepalen waar ze waren, aangezien deze weg zo gebroken en vaag was, de dennenbomen zo hoog waren dat landschapskenmerken erachter verborgen gingen en de heuvels bijna allemaal identiek waren.
Natuurlijk was daar nog het feit dat Vanin zich bedreigd scheen te voelen door de aanwezigheid van de kaartenmaker, alsof hij bang was dat hij zijn positie als gids voor Mart en de Bond zou kwijtraken. Mart had nooit zoveel emotie verwacht van de dikke paardendief. Het had vermakelijk kunnen zijn als ze niet zo vreselijk vaak verdwaalden.
Vanin fronste zijn voorhoofd. ‘Ik denk dat het de Sardien is. Ja. Dat moet wel.’
‘En dat betekent...?’
‘Dat betekent dat we verdergaan over de weg,’ zei Vanin. ‘Dat zei ik een uur geleden ook al. We kunnen moeilijk een heel leger door zo’n dicht bos laten struinen, wel? Dus moeten we op de stenen blijven.’
‘Ik vraag het alleen maar,’ zei Mart, die de rand van zijn hoed omlaag trok tegen de zon. ‘Een bevelvoerder moet dat soort vragen stellen.’
‘Ik kan beter vooruitrijden,’ zei Vanin, die weer fronste. Hij was gek op fronsen. ‘Als dat de Sardien is, dan zou er op een uur of twee rijden een vrij aardig dorp moeten liggen. Misschien zie ik het vanaf de volgende heuvel al liggen.’
‘Ga dan maar,’ zei Mart. Ze hadden natuurlijk verkenners rijden, maar geen van hen was zo goed als Vanin. Ondanks zijn postuur kon die man zo dicht bij een vijandelijk fort in de buurt komen dat hij de haren in de baarden van de kampwachters kon tellen zonder dat hij werd gezien. Hij kon er waarschijnlijk zelfs vandoor gaan met hun eten.
Vanin schudde zijn hoofd terwijl hij weer op de kaart keek. ‘Eigenlijk,’ mompelde hij, ‘nu ik erover nadenk, misschien is het toch de Favlend...’
Hij draafde weg voordat Mart tegenwerpingen kon maken. Mart zuchtte en wendde Pips om Talmanes in te halen. De Cairhienin schudde zijn hoofd. Hij kon nogal intens zijn, die Talmanes. Toen ze elkaar pas kenden, had Mart aangenomen dat hij nors was, geen pret kon maken. Daar begon hij nu op terug te komen. Talmanes was niet nors, hij was alleen maar terughoudend. Af en toe leek er een twinkeling in de ogen van de edele te zien, alsof hij lachte om de wereld, ondanks die strakke kaaklijn en zijn stuurse lippen. Vandaag droeg hij een rode jas met gouden zomen, en zijn voorhoofd was geschoren en gepoederd zoals de Cairhienin deden. Het zag er belachelijk uit, maar wie was Mart om te oordelen? Talmanes wist dan misschien niet hoe hij zich moest kleden, maar hij was een trouw officier en een goed mens. Bovendien had hij een uitstekende smaak in wijn.
‘Kijk niet zo zwartgallig, Mart,’ zei Talmanes, puffend aan zijn met goud bewerkte pijp. Hoe was hij daar eigenlijk aan gekomen? Mart kon zich niet herinneren het ding al eens eerder te hebben gezien. ‘Je mannen hebben een volle buik, volle zakken, en ze hebben net een grote overwinning behaald. Dan blijft er niet veel te wensen over voor een soldaat.’
‘We hebben duizend man begraven,’ zei Mart. ‘Dat is geen overwinning.’ De herinneringen in zijn hoofd – degene die niet van hem waren – zeiden dat hij trots moest zijn. De veldslag was goed gegaan. Maar toch waren er mensen dood die op hem hadden gerekend. ‘Verliezen zijn er altijd,’ zei Talmanes. ‘Je moet je daardoor niet laten opvreten, Mart. Het gebeurt.’
‘Je hebt geen verliezen als je geen strijd levert.’
‘Waarom trek je dan zo vaak ten strijde?’
‘Ik vecht alleen als ik het niet kan vermijden!’ snauwde Mart. Bloed en as, hij vocht alleen maar als het moest. Als ze hem in de hoek drukten! Waarom leek dat telkens te gebeuren als hij even niet oplette?
‘Best, Mart,’ zei Talmanes, die zijn pijp uit zijn mond haalde en er wijs mee naar Mart wees. ‘Maar je bent ergens onrustig over. En het komt niet door de mannen die we hebben verloren.’ Stomme edelen. Zelfs degenen die je kon uitstaan, zoals Talmanes, dachten altijd dat ze alles wisten.
Al was Mart nu natuurlijk zelf ook een edele. Daar moet je niet aan denken, hield hij zich voor. Talmanes had Mart een paar dagen lang ‘Hoogheid’ genoemd, totdat Mart zijn geduld was verloren en tegen de man had geschreeuwd; Cairhienin konden soms zo op rangen staan.
Toen Mart pas had beseft wat zijn huwelijk met Tuon betekende, had hij gelachen, maar het was de lach van een boer met kiespijn geweest. En dan noemden ze hem een geluksvogel. Nou, waarom had zijn geluk hem niet geholpen dit lot te ontlopen! Prins van de Raven? Wat betekende dat nou weer?
Hoe dan ook, nu moest hij zich druk maken over zijn mannen. Hij keek achterom langs de rijen cavaleristen, met kruisboogschutters achter hen. Van allebei waren er duizenden, hoewel Mart hen hun banieren had laten wegstoppen. Ze zouden waarschijnlijk niet veel reizigers tegenkomen langs deze afgelegen weg, maar als iemand hen zag, wilde hij niet dat diegene ging kletsen.
Zouden de Seanchanen hem achtervolgen? Hij en Tuon wisten allebei dat ze nu aan tegenovergestelde kanten stonden, en ze had gezien waar zijn leger toe in staat was.
Hield ze van hem? Hij was met haar getrouwd, maar Seanchanen dachten niet zoals gewone mensen. Ze was bij hem gebleven en had haar gevangenschap ondergaan zonder ooit te vluchten. Maar hij twijfelde er niet aan dat ze zich tegen hem zou keren als ze dacht dat dat het beste was voor haar rijk.
Ja, ze zou mannen achter hem aan sturen, hoewel een mogelijke achtervolging hem niet half zo dwarszat als de angst dat zij het misschien niet veilig terug redde naar Ebo Dar. Iemand had een heleboel geld op Tuons hoofd gezet.
Die Seanchaanse verrader, de leider van het leger dat Mart had verslagen. Had hij alleen gewerkt? Waren er nog anderen? Mart had Tuon bevrijd, maar waar was ze nu naar op weg? Die vragen kwelden hem.
‘Had ik haar wel moeten laten gaan, denk je?’ hoorde Mart zichzelf vragen.
Talmanes haalde zijn schouders op. ‘Je had je woord gegeven, Mart, en ik denk niet dat die nogal potige Seanchaanse kerel met die vastberaden ogen en zwarte wapenrusting er goed op zou hebben gereageerd als je had geprobeerd haar vast te houden.’
‘Ze kan nog steeds in gevaar zijn,’ zei Mart, bijna in zichzelf, nog steeds achterom kijkend. ‘Ik had haar niet uit het oog moeten laten, dat dwaze mens.’
‘Mart,’ zei Talmanes, opnieuw naar hem wijzend met zijn pijp. ‘Ik sta van je te kijken. Je begint gewoonweg echtgenoterig te klinken.’
Daar keek Mart van op. Hij draaide zich om op Pips’ zadel. ‘Wat zeg je? Wat betekent dat?’
‘Niks, Mart,’ zei Talmanes snel. ‘Alleen, je zwijmelt zo over haar dat ik...’
‘Ik zwijmel niet,’ snauwde Mart, die de rand van zijn hoed omlaag en zijn sjaal omhoog trok. Zijn penning was een aangenaam gewicht om zijn hals. ‘Ik maak me alleen maar zorgen, dat is alles. Ze weet veel over de Bond en zou onze sterke punten kunnen verraden.’ Talmanes haalde zijn schouders op en pufte aan zijn pijp. Ze reden een tijdje in stilte verder.