Выбрать главу

De dennennaalden zuchtten in de wind, en nu en dan hoorde Mart achter zich vrouwen lachen, waar de Aes Sedai in een klein groepje bij elkaar reden. Hoewel ze elkaar niet mochten, konden ze het meestal best goed met elkaar vinden als er anderen bij waren. Maar, zoals hij al tegen Talmanes had gezegd, vrouwen waren alleen eikaars vijand zolang er geen man in de buurt was die ze met z’n allen konden bestoken.

Voor de zon hing een gloeiend pak wolken; Mart had al dagen geen rechtstreeks zonlicht meer gezien. Hij had Tuon ook al zo lang niet meer gezien. Die twee dingen leken verbonden in zijn hoofd. Was er een verband?

Stommeling, dacht hij. Straks ga je net zo denken als zij, zie je voortekenen in elk klein dingetje, zoek je naar symbolen en betekenissen telkens als er een konijn over je pad rent of een paard een scheet laat. Die voorspellingen waren allemaal onzin. Hoewel hij moest toegeven dat hij nu ineenkromp telkens als hij een uil twee keer hoorde krassen.

‘Heb je wel eens van een vrouw gehouden, Talmanes?’ vroeg Mart onverwachts.

‘Meerdere,’ antwoordde de kleine man, doorrijdend terwijl de pijprook achter hem opkringelde. ‘Wel eens overwogen met een van hen te trouwen?’

‘Nee, het Licht zij dank,’ zei Talmanes. Toen bedacht hij zich kennelijk. ‘Ik bedoel, het was voor mij op dat ogenblik niet de juiste keus, Mart. Maar ik ben ervan overtuigd dat het bij jou goed zal uitpakken.’

Mart fronste zijn voorhoofd. Toen Tuon besloot om verdomme eindelijk dat huwelijk door te zetten, had ze toen geen plek kunnen kiezen waar anderen het niet zouden horen? Maar nee. Ze had gesproken in het bijzijn van iedereen, ook de Aes Sedai. Dat betekende dat Mart gedoemd was. Aes Sedai konden uitstekend geheimen bewaren, behalve als ze die geheimen op een of andere manier konden gebruiken om Martrim Cauton te beschamen of het leven zuur te maken. Dan kon je er zeker van zijn dat het nieuws zich binnen een dag door het hele kamp zou verspreiden, en waarschijnlijk zelfs nog drie dorpen verderop. Zelfs zijn eigen moeder – vele roeden weg – had waarschijnlijk inmiddels het nieuws gehoord. ‘Ik geef het gokken niet op,’ mompelde Mart. ‘Of het drinken.’

‘Ik geloof dat je me dat al verteld had,’ zei Talmanes. ‘Drie of vier keer, tot nu toe. Ik geloof half dat als ik ’s nachts in je tent zou gluren, ik je dat zou horen mompelen in je slaap. “Ik blijf gokken, verdomme! Gokken en drinken, verdomme! Waar is mijn verrekte glas? Wil iemand erom wedden?”’ Hij zei het met een volkomen uitgestreken gezicht, maar wederom was dat spoortje van een glimlach in zijn ogen te zien, als je wist waar je moest kijken. ‘Ik wil gewoon zeker weten dat iedereen het weet,’ zei Mart. ‘Ik wil niet dat mensen denken dat ik zacht aan het worden ben alleen vanwege... je weet wel.’

Talmanes keek hem medelevend aan. ‘Je wordt niet zacht alleen omdat je bent getrouwd, Mart. Zelfs enkele van de grote krijgsheren zijn getrouwd, geloof ik. Davram Bashere zeker, en Rodel Ituralde. Nee, je wordt niet zacht omdat je getrouwd bent.’ Mart knikte scherp. Fijn, dat was duidelijk. ‘Maar je wordt misschien wel saai,’ merkte Talmanes op. ‘Mooi. Dat is dan dat,’ verklaarde Mart. ‘Bij het volgende dorp dat we tegenkomen, gaan we dobbelen in de taveerne. Jij en ik.’ Talmanes trok een grimas. ‘Met de derderangs wijn die ze in die bergdorpjes hebben? Alsjeblieft, Mart. Straks wil je nog dat ik bier ga drinken.’

‘Geen tegenspraak.’ Mart keek over zijn schouder toen hij bekende stemmen hoorde. Olver – met zijn flaporen en zijn kleine gezicht, dat een van de lelijkste was die Mart ooit had gezien – reed op Wind, en hij kletste met Noal, die naast hem reed op een magere ruin. De verweerde oude man knikte goedkeurend bij wat Olver zei. De jongen zag er ongelooflijk ernstig uit, en hij was ongetwijfeld bezig met het uiteenzetten van weer een van zijn theorieën over hoe ze het beste de Toren van Ghenjei konden binnensluipen. ‘Wacht,’ zei Talmanes. ‘Daar is Vanin.’

Mart draaide zich om en zag een ruiter naderen over het rotsige pad verderop.

Vanin zag er altijd zo belachelijk uit, als een meloen boven op zijn paard, met zijn voeten naar de zijkanten uitgestoken. Maar die man kon wel rijden, daar was geen twijfel over mogelijk. ‘Het is de Sardien,’ verklaarde Vanin terwijl hij naar hen toe reed en zijn bezwete, kalende hoofd afveegde. ‘Het dorp ligt een stukje verderop; op de kaart staat dat het Hinderstap heet. Dit zijn verrekt goeie kaarten,’ voegde hij er met tegenzin aan toe. Mart blies opgelucht zijn adem uit. Hij had al gedacht dat ze door deze bergen zouden zwerven totdat de Laatste Slag voorbij was. ‘Geweldig,’ begon hij, ‘dan kunnen we...’

‘Een dorp?’ vroeg een norse vrouwenstem.

Mart draaide zich zuchtend om terwijl drie ruiters zich naar de voorkant van de rij drongen. Talmanes hief een hand naar de soldaten achter hem en zette de rij stil, terwijl de Aes Sedai boven op die arme Vanin doken. De mollige man kromp ineen in het zadel en zag eruit alsof hij liever was gesnapt bij het stelen van paarden – en dus op weg naar de galg – dan hier te moeten zitten om te worden ondervraagd door Aes Sedai.

Joline nam de leiding. Ooit zou Mart haar misschien hebben beschreven als een mooi meisje, met haar slanke figuur en grote, uitnodigende bruine ogen. Maar dat leeftijdloze Aes Sedai-gezicht was nu een onmiddellijke waarschuwing voor hem. Nee, hij zou de Groene zuster nu niet meer knap durven noemen. Als je jezelf eenmaal toestond aan Aes Sedai te denken als knap, dan zat je na twee keer klakken met hun tong om hun vinger gewonden en gehoorzaamde je elk bevel. Joline had er zelfs al op gezinspeeld dat ze Mart graag als zwaardhand zou willen hebben!

Was ze nog altijd boos op hem omdat hij haar een pak slaag had gegeven? Ze kon hem niets doen met de Kracht, natuurlijk – zelfs zonder zijn penning – aangezien Aes Sedai hadden gezworen de Kracht niet te gebruiken om te doden, behalve in heel specifieke omstandigheden. Maar hij was niet achterlijk. Hij had opgemerkt dat er in die geloften van hen niets werd gezegd over het gebruik van messen. De twee bij Joline waren Edesina, van de Gele Ajah, en Teslyn van de Rode. Edesina was best aardig om te zien, op dat leeftijdloze gezicht na, maar Teslyn was ongeveer net zo aantrekkelijk als een tak. De Illiaanse vrouw had een scherp gezicht en was knokig en twistziek, als een oude kat die te lang aan zijn lot was overgelaten. Maar ze scheen een goed verstand te hebben, voor zover Mart had gezien, en hij merkte dat ze hem soms met enige eerbied behandelde. Eerbied van een Rode. Stel je voor.

Maar toch, te oordelen naar de manier waarop die Aes Sedai nu naar Mart keken terwijl ze naderden, zou je nooit denken dat ze hem hun leven verschuldigd waren. Zo ging dat met vrouwen. Red haar leven, en ze zal onvermijdelijk beweren dat ze op het punt stond zelf te ontsnappen en dat ze je daarom helemaal niets schuldig was. En dan zou ze je berispen omdat je haar zogenaamde plannen had gedwarsboomd.

Waarom deed hij nog moeite? Het Licht mocht hem branden als hij niet binnenkort eens verstandig werd en het volgende stel huilend in hun ketenen achterliet.

‘Wat hoorden we?’ vroeg Joline aan Vanin. ‘Heb je eindelijk vastgesteld waar we zijn?’

‘Verdomd als het niet waar is,’ zei Vanin, waarna hij zich onbeschaamd krabde.

Goeie kerel, die Vanin. Mart glimlachte. Hij behandelde iedereen hetzelfde. Of ze nu Aes Sedai waren of niet.

Joline staarde Vanin recht in zijn ogen, onheilspellend als een waterspuwer op het landhuis van een of andere heer. Vanin kromp daadwerkelijk ineen, toen zakte hij in en uiteindelijk keek hij beschaamd omlaag. ‘Ik bedoel, inderdaad, Joline Sedai.’ Mart voelde zijn glimlach vervagen. Het Licht brande je, Vanin! ‘Uitstekend,’ zei Joline. ‘En er is een dorp verderop, hoor ik? Eindelijk vinden we dan misschien een fatsoenlijke herberg. Ik ben wel toe aan iets anders dan de “kost” die die schurken van Cauton eten noemen.’