‘Wacht eens even,’ zei Mart, ‘dat is niet...’
‘Hoe ver zijn we van Caemlin, meester Cauton?’ onderbrak Teslyn hem. Ze deed haar best om Joline te negeren. Die twee leken elkaar de laatste tijd nogal naar de keel te vliegen; op de koelste en van buitenaf minzaamste wijze mogelijk, uiteraard. Aes Sedai kibbelden niet. Hij had eens een veeg uit de pan gekregen omdat hij hun ‘meningsverschillen’ gekibbel noemde. Het maakte niet uit dat Mart zusters had en dus wist hoe een stevige kibbelpartij klonk. ‘Wat zei je eerder, Vanin?’ vroeg Mart met een blik op de man. ‘Dat we ongeveer tweehonderd roeden van Caemlin zijn?’ Vanin knikte. Het was de bedoeling om eerst naar Caemlin te gaan, want hij moest Estean en Daerid spreken om inlichtingen en proviand te verkrijgen. Daarna kon hij zijn belofte aan Thom inlossen. De Toren van Ghenjei zou nog een paar weken moeten wachten. ‘Tweehonderd roeden,’ zei Teslyn. ‘Hoe lang tot we daar komen, dan?’
‘Nou, dat hangt ervan af,’ zei Vanin. ‘Ik zou waarschijnlijk tweehonderd roeden kunnen afleggen in iets meer dan een week, als ik alleen was, met een paar goeie paarden om af te wisselen en als ik over bekend terrein reed. Maar met het hele leger, door deze heuvels en over een gebroken weg? Twintig dagen, zou ik zeggen. Misschien meer.’
Joline wierp een blik op Mart.
‘We laten de Bond niet achter,’ zei Mart. ‘Dat is geen optie, Joline.’ Ze keek met een ontevreden gezicht weg.
‘Jullie mogen gerust alleen gaan,’ zei Mart. ‘Dat geldt voor jullie allemaal. Jullie Aes Sedai zijn mijn gevangenen niet; vertrek wanneer je wilt, zolang jullie maar naar het noorden reizen. Ik wil niet dat jullie terugrijden en gevangen worden genomen door Seanchanen.’ Hoe zou het zijn om gewoon weer alleen met de Bond te reizen, zonder een Aes Sedai in zicht? Ach, kon het maar. Teslyn keek peinzend. Joline wierp een blik op haar, maar de Rode zuster gaf geen teken of ze bereid zou zijn te vertrekken of niet. Edesina aarzelde echter en knikte toen naar Joline. Zij wilde wel. ‘Goed dan,’ zei Joline hooghartig tegen Mart. ‘Het lijkt me fijn om weg te zijn bij je boertigheid, Cauton. Laat een stuk of twintig paarden voor ons voorbereiden, dan vertrekken we.’
‘Twintig?’ vroeg Mart.
‘Ja,’ antwoordde Joline. ‘Je man hier had het erover dat hij twee paarden nodig zou hebben om de tocht binnen redelijke tijd te maken. Zodat hij kon wisselen, neem ik aan, als een van de dieren moe werd.’
‘Ik tel twee van jullie,’ zei Mart met stijgende woede. ‘Dat betekent vier paarden. Ik dacht dat je wel slim genoeg was om dat uit te rekenen, Joline.’ En toen voegde hij er op zachtere toon aan toe: ‘Nog net.’
Jolines ogen werden groot, en Edesina’s gezicht stond geschokt. Teslyn keek hem geschrokken aan en leek teleurgesteld. Talmanes liet alleen zijn pijp zakken en floot zachtjes.
‘Die penning van je maakt je schaamteloos, Martrim Cauton,’ zei Joline kil.
‘Mijn mond maakt me schaamteloos, Joline,’ antwoordde Mart zuchtend, met zijn hand op de penning die onder zijn losjes dichtgeknoopte hemd hing. ‘De penning maakt me alleen maar eerlijk. Ik geloof dat je op het punt stond uit te leggen waarom je twintig paarden nodig hebt, terwijl ik er nu al amper genoeg heb voor mijn mannen?’
‘Twee voor Edesina en mij,’ zei Joline stijfjes. ‘Twee voor elke voormalige sul’dam. Je denkt toch niet dat ik hen achterlaat om te worden verpest door je troepje hier?’
‘Twee sul’dam,’ zei Mart, die de vinnige opmerking negeerde. ‘Dat zijn acht paarden.’
‘Twee voor Setalle. Ik neem aan dat zij met ons mee wil, weg van dit alles.’
‘Tien.’
‘Nog twee voor Teslyn,’ zei Joline. ‘Zij zal ongetwijfeld met ons mee willen, hoewel ze daar op het ogenblik niets over te zeggen heeft. En we hebben nog een stuk of vier pakpaarden nodig om onze spullen te dragen. Die zullen hun last ook moeten kunnen verdelen, dus dat zijn er nog eens vier. Twintig.’
‘En hoe wil je die te eten geven?’ vroeg Mart. ‘Als je zo’n hoog tempo aanhoudt, zul je geen tijd hebben om je paarden te laten grazen. Al is er tegenwoordig toch amper wat te eten voor ze te vinden.’ Dat was een groot probleem gebleken; het lentegras kwam niet op. De weiden die ze tegenkwamen, waren bruin van het afgevallen blad, en het dode winterkruid was platgedrukt door sneeuw, met amper nieuwe scheuten gras of onkruid. Paarden konden natuurlijk het dode blad en winterstro eten, maar de wilde herten en andere dieren hadden al alles afgegraasd wat ze konden vinden. Als het land niet snel tot leven kwam, dan hadden ze een zware zomer voor de boeg. Maar dat was een heel ander probleem.
‘Je zult ons voer moeten meegeven, natuurlijk,’ zei Joline. ‘En wat geld voor herbergen...’
‘En wie gaat er voor al die paarden zorgen? Gaan jullie ze elke avond borstelen, hun hoeven uitkrabben, zorgen dat ze voldoende voer krijgen?’
‘Ik neem aan dat we een handjevol soldaten mee zouden moeten nemen,’ zei Joline met een ontevreden klank in haar stem. ‘Een noodzakelijk ongemak.’
‘Het enige wat noodzakelijk is,’ zei Mart vlak, ‘is dat mijn mannen blijven waar ze gewenst zijn, niet waar ze een ongemak zijn. Nee, zij blijven hier, en jullie krijgen geen geld van me. Als je wilt vertrekken, mogen jullie elk een paard meenemen, en één pakpaard voor jullie spullen. Ik zal jullie wat voer meegeven voor die arme beesten, en dat is al grootmoedig.’
‘Maar met slechts één paard elk zijn we nauwelijks sneller dan het leger!’ riep Joline.
‘Stel je voor,’ zei Mart. Hij wendde zich van haar af. ‘Vanin, ga Mandevwin vertellen dat hij het doorgeeft. We slaan straks ons kamp op. Ik weet dat het nog maar net middag is, maar ik wil de Bond ver genoeg bij dat dorp vandaan hebben om niet bedreigend te zijn, maar wel zo dichtbij dat een paar van ons erheen kunnen om poolshoogte te nemen.’
‘Best,’ zei Vanin, met niets van de eerbied die hij die verdomde Aes Sedai had betoond. Hij wendde zijn paard en reed langs de rij. ‘En Vanin,’ riep Mart hem na. ‘Zorg dat Mandevwin weet dat als ik zeg dat “een paar van ons” erheen gaan, ik een heel kleine groep bedoel, geleid door mijzelf en Talmanes. Ik wil niet dat dat dorp wordt overspoeld door zevenduizend soldaten op zoek naar een beetje lol! Ik koop wel een wagen in het dorp, en al het bier dat ik kan vinden, en dat stuur ik wel terug voor de mannen. Er moet strikte orde zijn in het kamp, en ik wil niet dat iemand er per ongeluk heen dwaalt voor een bezoekje, begrepen?’
Vanin knikte grimmig. Het was nooit leuk om degene te zijn die de mannen moest laten weten dat ze geen vrijaf kregen. Mart draaide zich weer om naar de Aes Sedai. ‘Nou?’ vroeg hij. ‘Neem je mijn vriendelijke aanbod aan of niet?’
Joline snoof alleen, en toen draafde ze terug langs de rij; kennelijk verwierp ze de kans alleen te gaan. Jammer. Die gedachte zou hem bij elke stap hebben opgevrolijkt. Hoewel het Joline waarschijnlijk maar een dag of drie zou kosten om een of andere onbenul in een dorp ergens zover te krijgen dat hij haar zijn paarden gaf, zodat haar groep sneller zou kunnen rijden.
Edesina reed weg en Teslyn ging achter haar aan, kijkend naar Mart met een merkwaardige uitdrukking op haar gezicht. Ze keek ook nog altijd alsof ze teleurgesteld in hem was. Hij wendde zijn blik af, en toen ergerde hij zich aan zichzelf. Wat kon het hém schelen wat zij dacht?
Talmanes keek naar hem. ‘Dat was een vreemde zet van je, Mart,’ zei de man.
‘Wat?’ vroeg Mart. ‘Die beperking voor de mannen? Het is een goed stel, de Bond, maar ik heb nog nooit een groep soldaten gezien die niet af en toe in de problemen raakt, vooral wanneer er bier in het spel is.’
‘Ik had het niet over de mannen, Mart,’ zei Talmanes, die zich opzij boog om zijn pijp uit te kloppen tegen zijn stijgbeugel, waardoor de as op de stenen naast zijn paard viel. ‘Ik heb het over hoe je met die Aes Sedai omging. Licht, Mart, we hadden van ze af kunnen zijn! Ik zou twintig paarden en wat geld een koopje vinden om van twee Aes Sedai af te komen.’