Выбрать главу

‘Ik laat me niet koeioneren,’ zei Mart koppig, gebarend dat de Bond verder kon trekken. ‘Zelfs niet om van Joline af te komen. Als ze iets van me wil, laat haar het dan maar een beetje beleefd vragen, in plaats van me te dwingen haar te geven wat ze wil. Ik ben geen schoothondje.’ Bloedas, dat was hij niet! En hij was ook niet ‘echt-genoterig’, wat dat ook moge betekenen.

‘Je mist haar echt,’ zei Talmanes terwijl ze naast elkaar verder reden, en hij klonk een beetje verbaasd. ‘Wat klets je nu toch weer?’

‘Mart, ik geef toe dat je niet altijd de meest verfijnde man bent. Soms is je gevoel voor humor inderdaad een beetje plat en je toon aan de norse kant. Maar je bent maar zelden regelrecht onbeschoft of opzettelijk beledigend. Je bent echt onrustig, nietwaar?’ Mart zei niets en trok alleen maar weer de rand van zijn hoed omlaag.

‘Ik weet zeker dat ze het goed maakt, Mart,’ zei Talmanes nu op mildere toon. ‘Ze komt uit een keizerlijke familie. Die weten hoe ze voor zichzelf moeten zorgen. En ze heeft die soldaten die op haar passen. Niet te vergeten Ogier. Ogierstrijders! Wie zou er zoiets bedenken? Ze is vast in orde.’

‘Dit gesprek is afgelopen,’ zei Mart, die zijn speer verplaatste en rechtop hield, met de gebogen kling naar de ongeziene zon aan de hemel en de paal in de lansiersriem aan de zijkant van zijn zadel. ‘Ik wilde alleen...’

‘Afgelopen,’ zei Mart. ‘Je hebt zeker niet nog meer tobak?’ Talmanes zuchtte. ‘Dat was de laatste. Goeie tobak, uit Tweewater. De enige buidel die ik in lange tijd had gezien. Het was een geschenk van koning Roedran, samen met de pijp.’

‘Hij moet je erg hebben gewaardeerd.’

‘Het was goed, eerlijk werk,’ zei Talmanes. ‘En verschrikkelijk saai. Heel anders dan rijden met jou, Mart. Het is fijn dat je terug bent, met harde randjes en al. Maar je gesprek met de Aes Sedai, over dat paardenvoer, heeft me aan die zorg herinnerd.’ Mart knikte. ‘Hoe staat het met de rantsoenen?’

‘Laag,’ zei Talmanes.

‘We kopen wat we kunnen in het dorp,’ zei Mart. ‘Het geld komt ons de oren uit na wat Roedran jou heeft gegeven.’ Een klein dorp zou waarschijnlijk niet voldoende hebben om het hele leger van proviand te voorzien. Maar volgens de kaart zouden ze binnenkort in dichter bevolkte streken aankomen. Dan kwam je elke dag wel een dorp of twee tegen, reizend met een snelle groep als de Bond. Om het hoofd boven water te houden, verzamelde en kocht je elk klein beetje dat je kon vinden in elk dorp dat je aandeed. Een wagenlading hier, een karvol daar, een paar emmers appels van een hoeve waar je langskwam. Zevenduizend man, dat waren een hoop monden te voeden, en een goed bevelvoerder was zo verstandig om nog geen handvol graan te weigeren. Alle beetjes hielpen. ‘Ja, maar zullen de dorpelingen willen verkopen?’ vroeg Talmanes. ‘Op de heenweg naar jou toe kostte het ons verschrikkelijk veel moeite om iemand zover te krijgen ons eten te verkopen. Het schijnt dat er tegenwoordig niet veel is. Voedsel wordt schaars, waar je ook gaat en hoeveel geld je ook hebt.’

Dat was dan weer fijn. Mart knarste met zijn tanden, maar toen ergerde hij zich daarom aan zichzelf. Nou, misschien was hij inderdaad een beetje onrustig. Maar niet vanwege Tuon. Hoe dan ook, hij moest zich ontspannen. En dat dorp verderop... Hoe noemde Vanin het ook alweer? Hinderstap? ‘Hoeveel geld heb je bij je?’ Talmanes fronste zijn voorhoofd. ‘Een paar gouden marken, een buidel vol zilveren kronen. Hoezo?’

‘Niet genoeg,’ zei Mart, wrijvend over zijn kin. ‘We zullen eerst nog wat uit mijn eigen kist moeten halen. Misschien dat hele ding meenemen.’ Hij wendde Pips. ‘Kom mee.’

‘Wacht, Mart,’ zei Talmanes, die zijn rijdier wendde en volgde. ‘Wat gaan we doen?’

‘Jij gaat beleefd in op mijn aanbod om ons te vermaken in een taveerne,’ zei Mart. ‘En terwijl we dat doen, slaan we proviand in. Als mijn geluk meezit, dan zelfs gratis.’

Als Egwene en Nynaeve hier waren geweest, dan zouden ze hem een oorvijg hebben gegeven en hebben gezegd dat daar niets van inkwam. Tuon zou hem waarschijnlijk vreemd hebben aangekeken en dan iets hebben gezegd waardoor hij zich tot in zijn laarzen schaamde. Het fijne aan Talmanes was echter dat hij gewoonweg zijn paard aanspoorde, met een uitgestreken gezicht en slechts een spoortje vermaak in zijn ogen. ‘Nou, dat moet ik dan zien!’

21

Sintels en as

Perijn opende zijn ogen en zag dat hij in de lucht hing. Hij voelde een steek van angst, zo in het niets in de lucht. Zwarte wolken kolkten boven hem, donker en onheilspellend. Beneden wuifde een vlakte van wild, bruin gras in de wind, en er was geen spoor van mensen te zien. Geen tenten, geen wegen, zelfs geen voetafdrukken.

Perijn viel niet. Hij hing daar alleen maar. Hij wuifde instinctief met zijn armen en probeerde te zwemmen, en hij raakte in paniek toen zijn geest probeerde iets te begrijpen van de desoriëntatie. De wolfsdroom, dacht hij. Ik ben in de wolfsdroom. Ik ging slapen in de hoop hier te komen. Hij dwong zichzelf rustig te ademen en niet met zijn armen te maaien, hoewel het niet meeviel om kalm te blijven terwijl hij op honderden voet hoogte in de lucht hing. Plotseling schoot er een gestalte met een grijze vacht door de lucht langs hem heen. De wolf suisde omlaag naar het veld en landde soepel.

‘Springer!’

Spring naar beneden, Jonge Stier. Spring. Het is veilig. Zoals altijd kwam de boodschap van de wolf aan in een mengeling van geuren en beelden. Perijn werd er steeds beter in die te duiden: de zachte aarde als beeltenis van de grond, ruisende wind als beeld van springen, de geur van ontspanning en kalmte om aan te geven dat hij niet bang hoefde te zijn. ‘Maar hoe?’

Vroeger dook je altijd halsoverkop overal in, als een welp die bet nest uit buitelt. Spring. Spring naar beneden! Ver onder hem zat Springer op het veld naar Perijn omhoog te grijnzen. Perijn knarste met zijn tanden en morde wat over koppige wolven. Het leek hem dat vooral de dode enorm stijfkoppig waren. Maar wat Springer zei was wel logisch. Perijn had hier eerder gesprongen, al was het nooit rechtstreeks vanuit de lucht.

Hij haalde diep adem, sloot zijn ogen en stelde zich voor dat hij sprong. De lucht suisde in een plotselinge vlaag langs hem heen, maar toen raakten zijn voeten zachte grond. Hij opende zijn ogen. Een grote grijze wolf, met littekens van vele gevechten, zat naast hem op de grond. Wilde gierst spreidde zich om hem heen uit, met vele pollen lang, dun gras die hoog de hemel in staken. Door de wind krasten de ruige stengels langs Perijns armen, waardoor hij jeuk kreeg. Het gras rook te droog, als hooi dat een hele winter in de schuur had gelegen.

Sommige dingen waren voorbijgaand hier in de wolfsdroom; bladeren lagen het ene ogenblik nog in een berg aan zijn voeten, maar waren even later verdwenen. Alles rook een klein beetje muf, alsof het er niet helemaal was.

Hij keek op. De hemel was stormachtig. Doorgaans waren de wolken hier net zo vergankelijk als al het andere. Het kon hier volledig bewolkt en dan in een oogwenk weer helder zijn. Deze keer bleven die donkere stormwolken. Ze kolkten, draaiden, en er schoten bliksemschichten heen en weer tussen donderkoppen. Maar de bliksems raakten nooit de grond, en ze maakten geen geluid. Het was opmerkelijk stil op de vlakte. De onheilspellende wolken bedekten de hele hemel, en ze gingen niet weg. De Laatste Jacht komt eraan. Springer keek naar de hemel. Dan zullen we samen rennen. Behalve als we slapen. ‘Slapen?’ vroeg Perijn. ‘En de Laatste Jacht dan?’ Die nadert, beaamde Springer. Als Schaduwdoder voor de storm valt, zal iedereen eeuwig slapen. Als hij leeft, dan gaan we samen jagen, jij en wij.

Perijn wreef over zijn kin en probeerde wijs te worden uit de boodschap die bestond uit beelden, geuren, geluiden, gevoelens. Hij snapte er weinig van.

Maar ach, hij was hier nu toch. Hij had willen komen, en hij had besloten dat hij zou proberen wat antwoorden van Springer te krijgen. Het was fijn om Springer weer te zien.