Rennen, zei Springer. Er klonk geen ongerustheid in door. Het was een aanbod. Laten we samen rennen.
Perijn knikte, en hij draafde door het gras. Springer galoppeerde met hem mee en stuurde hem vermaak toe. Twee poten, Jonge Stierf Twee poten zijn langzaam! De boodschap was een beeld van mannen die struikelden over hun eigen lange, onhandige benen. Perijn weifelde. ‘Ik moet mijn beheersing houden, Springer,’ zei hij. ‘Als ik de wolf het laat overnemen... dan doe ik gevaarlijke dingen.’
De wolf hield zijn kop schuin en draafde naast Perijn mee over het veld. De stengels kraakten en krasten terwijl ze erdoorheen liepen, tot ze een smal wildspoor vonden en dat verder volgden. Rennen, drong Springer aan, die overduidelijk Perijns tegenzin niet begreep.
‘Ik kan niet,’ zei Perijn, en hij kwam tot stilstand. Springer draaide zich om en rende met een paar sprongen naar hem terug. Hij rook verward.
‘Springer, ik word bang van mezelf als ik mijn beheersing verlies,’ zei Perijn. ‘De eerste keer dat het me overkwam, was net nadat ik de wolven had leren kennen. Je moet me helpen het te begrijpen.’ Springer bleef alleen maar naar hem staren, met zijn tong een stukje uit zijn bek en zijn kaken vaneen. Waarom doe ik dit? dacht Perijn hoofdschuddend. Wolven dachten niet zoals mensen. Wat maakte het uit wat Springer van dit alles vond?
We gaan samen jagen, zei Springer.
‘En als ik niet met jullie wil jagen?’ vroeg Perijn. Het deed hem pijn aan zijn hart om dat te zeggen. Hij hield van deze plek, de wolfsdroom, hoe gevaarlijk het er ook kon zijn. Er waren heerlijke aspecten aan wat er met hem was gebeurd sinds hij uit Tweewater was vertrokken. Maar hij kon het zich niet veroorloven zijn beheersing te verliezen. Hij moest een evenwicht vinden.
De bijl weggooien had verschil gemaakt. De bijl en de hamer waren verschillende wapens; het ene kon alleen worden gebruikt om te doden, terwijl het andere hem een keus gaf. Maar hij moest dan wel bij die keus blijven. Hij moest zich beheersen. En de eerste stap scheen te zijn dat hij moest leren de wolf binnen in hem te beheersen. Ren met me mee, Jonge Stier, zei Springer. Vergeet die gedachten. Ren als een wolf.
‘Ik kan niet,’ herhaalde Perijn. Hij draaide zich om en tuurde over de vlakte. ‘Maar ik moet deze plek leren kennen, Springer. Ik moet leren hoe ik hem kan gebruiken, kan beheersen.’
Mensen, dacht Springer, Hij stuurde geuren van geringschatting en woede mee. Beheersing. Altijd maar beheersing. ‘Ik wil dat je me onderwijst,’ zei Perijn, die zich weer naar de wolf omdraaide. ‘Ik wil deze plek onder de knie krijgen. Wil jij me dat leren?’
Springer ging zitten.
‘Best,’ zei Perijn. ‘Dan zoek ik wel andere wolven die dat willen doen.’ Hij draaide zich om en liep weg over het wildspoor. Hij kende deze plek niet, maar hij had geleerd dat de wolfsdroom onvoorspelbaar was. Deze weide met het hoge gras en de taxusbomen kon zich overal bevinden. Waar zou hij wolven kunnen vinden? Hij tastte rond met zijn geest en merkte dat dat hier veel lastiger ging. Je wilt niet rennen, maar je zoekt wel naar wolven. Waarom doe je zo dwars, welp? Springer ging voor hem op het gras zitten. Perijn gromde en nam toen een sprong waardoor hij honderd meter door de lucht vloog. Hij belandde op het gras alsof hij een gewone stap had gezet.
En daar zat Springer weer voor hem. Perijn had de wolf niet zien springen. Hij was eerst op de ene plek, en nu hier. Perijn knarsetandde en tastte weer met zijn geest. Op zoek naar andere wolven. Hij voelde iets, ver weg. Hij moest harder duwen. Hij concentreerde zich, trok meer kracht naar zich toe en wist zijn geest verder naar buiten te duwen.
Dit is gevaarlijk, Jonge Stier, zei Springer. Je komt hier te sterk over. Je zult sterven.
‘Dat zeg je altijd,’ antwoordde Perijn. ‘Vertel me wat ik wil weten. Laat me zien hoe ik moet leren.’
Koppige welp, zei Springer. Kom maar terug als je niet vast van plan bent om je snuit in het hol van een vuuradder te steken. Op dat ogenblik sloeg er iets tegen Perijn aan, een gewicht tegen zijn geest. Alles verdween en hij werd als een blad in een storm uit de wolfsdroom geslingerd.
Faile voelde haar man naast haar bewegen in zijn slaap. Ze keek naar hem in de donkere kamer. Hoewel ze naast hem in bed lag, had ze niet geslapen. Ze had gewacht, luisterend naar zijn ademhaling. Hij draaide zich op zijn rug en mompelde slaperig.
Van alle nachten waarin hij rusteloos was... dacht ze geërgerd. Ze waren een week uit Malden weg. De vluchtelingen hadden het kamp – of eigenlijk kampen – opgeslagen bij een waterweg die rechtstreeks naar de Jehannaweg leidde, niet ver hier vandaan. Alles was de afgelopen dagen soepel verlopen, hoewel Perijn had gedacht dat de Asha’man te moe waren om nog Poorten te maken. Ze had de avond doorgebracht met haar man en hem herinnerd aan de meerdere belangrijke redenen waarom hij eigenlijk met haar was getrouwd. Hij was zeker geestdriftig geweest, hoewel hij die rare blik in zijn ogen had gehad. Geen gevaarlijke blik, maar een droevige. Hij was een geplaagd man geworden in de tijd dat ze van elkaar gescheiden waren. Ze kon dat wel begrijpen. Zelf had ze ook haar geesten. Je kon niet verwachten dat alles bij het oude bleef, en ze voelde dat hij nog altijd van haar hield, hartstochtelijk van haar hield. Dat was genoeg, en dus maakte ze er zich niet verder druk om.
Maar ze bereidde een gesprek voor waarin ze zijn geheimen aan hem zou ontfutselen, hoewel ze daar nog een paar dagen mee zou wachten. Het was goed om een echtgenoot eraan te herinneren dat je niet rustig alles zou aanvaarden wat hij deed, maar ze mocht hem ook niet het gevoel geven dat ze het niet op prijs stelde om hem terug te hebben. Integendeel. Ze glimlachte, draaide zich om en legde haar hand op zijn donzig behaarde borst en haar hoofd op zijn blote schouder. Ze hield van die stevige, warrige lawine van een man. Bij hem terug zijn was zelfs nog zoeter dan de triomf van haar ontsnapping aan de Shaido.
Haar ogen gingen open en ze zuchtte. Liefde of niet, ze wenste dat hij vannacht doorsliep! Had ze hem niet voldoende uitgeput? Hij keek haar aan. Zijn goudkleurige ogen leken lichtjes te gloeien in de duisternis, hoewel ze wist dat het een speling van het licht was. Toen trok hij haar wat dichterbij. ‘Ik heb niet met Berelain geslapen,’ zei hij hees. ‘Wat er ook voor geruchten gaan.’ Lieve, botte Perijn. ‘Dat weet ik,’ zei ze geruststellend. Ze had die geruchten gehoord. Bijna elke vrouw die ze in het kamp had gesproken, van Aes Sedai tot bediende, had gedaan alsof ze probeerde zich te beheersen, maar toch hadden ze allemaal hetzelfde verteld. Perijn had een nacht doorgebracht in de tent van de Eerste van Mayene.
‘Nee, echt,’ zei Perijn, en er klonk een smekende toon in zijn stem door. ‘Ik heb het niet gedaan, Faile. Alsjeblieft.’
‘Ik zeg toch dat ik je geloof?’
‘Je klonk... Ik weet niet. Bloedvuur, vrouw, je klonk afgunstig.’ Zou hij het dan nooit leren? ‘Perijn,’ zei ze mat. ‘Het heeft mij bijna een jaar – en aanzienlijk wat moeite – gekost om je te verleiden, en dat lukte alleen omdat er een huwelijk aan te pas kwam! Berelain zou jou niet eens aankunnen.’
Hij krabde in zijn baard, met een verward gezicht. Toen glimlachte hij alleen maar.
‘Bovendien,’ voegde ze eraan toe terwijl ze dichter tegen hem aan kroop, ‘heb je de woorden gezegd. En ik vertrouw je.’
‘Dus je bent niet jaloers?’
‘Natuurlijk wel,’ zei ze, met een mep tegen zijn borst. ‘Perijn, dat heb ik toch al uitgelegd? Een man moet weten dat zijn vrouw jaloers is, anders beseft hij niet hoeveel ze om hem geeft. Dat wat kostbaar voor je is, bewaak je. Eerlijk, als je me dat soort dingen steeds laat uitleggen, heb ik straks geen geheimen meer over!’ Hij snoof zachtjes om die laatste opmerking. ‘Ik betwijfel of dat mogelijk is.’
Hij werd stil en Faile sloot haar ogen in de hoop dat hij weer zou gaan slapen. Buiten hoorde ze de verre stemmen van wachters die hun ronde liepen en met elkaar praatten. Er klonk gehamer van een van de hoefsmeden – Jerasid, Aemin of Falton – die nog laat bezig was met het bewerken van een hoefijzer of nagel, om de paarden voor te bereiden op de lange tocht van de volgende dag. Het was fijn om dat geluid weer te horen.