Выбрать главу

De Aiel waren nutteloos waar het op paarden aankwam, en de Shaido hadden de in beslag genomen paarden ofwel vrijgelaten, ofwel als werkpaarden ingezet. In haar tijd in Malden had ze vele uitstekende rij merries voor karren zien lopen.

Zou het vreemd moeten voelen om terug te zijn? Ze was minder dan twee maanden een gevangene geweest, maar het hadden wel jaren geleken. Jaren waarin ze allerlei taken had verricht voor Sevanna en willekeurig was gestraft. Maar die tijd had haar niet gebroken. Raadselachtig genoeg had ze zich in die tijd meer een edele gevoeld dan daarvoor. Het leek wel alsof ze nooit echt had begrepen wat het betekende om een adellijke vrouwe te zijn totdat ze in Malden kwam. O, ze had ook haar overwinningen gehad. Cha Faile, het volk uit Tweewater, Alliandre en Perijns kampleden. Ze had haar opleiding te gelde gemaakt, geholpen Perijn te leren hoe hij een leider moest zijn. Dat was allemaal belangrijk geweest en ze had erbij moeten toepassen wat haar vader en moeder haar hadden bijgebracht.

Maar Malden had haar de ogen geopend. Daar had ze mensen gevonden die haar harder nodig hadden dan ze ooit eerder nodig was geweest. Onder de wrede dictatuur van Sevanna was geen tijd geweest voor spelletjes, geen ruimte voor fouten. Ze was vernederd, afgeranseld en bijna gedood. En dat had haar een werkelijk begrip geschonken van wat het betekende om een leenvrouwe te zijn. Ze kreeg een steek van schuldgevoel om de tijden dat ze de baas had gespeeld over Perijn, had geprobeerd hem – of anderen – aan haar wil te onderwerpen. Van adel zijn betekende dat je als eerste ging. Het betekende dat jij werd geslagen zodat anderen dat niet hoefde te overkomen. Het betekende opoffering, de dood riskeren, om diegenen te beschermen die van je afhankelijk waren.

Nee, het voelde niet vreemd om terug te zijn, want ze had Malden – de delen ervan die belangrijk waren – meegenomen. Honderden gai’shain hadden trouw aan haar gezworen, en zij had hen gered. Ze had dat via Perijn gedaan, maar zij had de voorbereidingen getroffen, en hoe dan ook zou ze zijn ontsnapt en met een leger zijn teruggekeerd om degenen te bevrijden die aan haar hadden gezworen.

Er waren kosten aan verbonden geweest. Maar daar zou ze zich, als het Licht het wilde, later vannacht mee bezighouden. Ze opende haar ogen en gluurde naar Perijn. Hij leek te slapen, maar was zijn ademhaling regelmatig? Ze trok haar arm terug. ‘Het maakt me niet uit wat er met je is gebeurd,’ zei hij. Ze zuchtte. Hij sliep dus niet. ‘Wat er met mij is gebeurd?’ vroeg ze verward.

Hij opende zijn ogen en staarde naar het tentdak. ‘Die Shaido, de man die bij je was toen ik je redde. Wat hij ook heeft gedaan... wat jij ook hebt gedaan om te overleven. Het geeft niet.’ Was dat wat hem dwarszat? Licht! ‘Jij grote os,’ zei ze, stompend op zijn borst, waardoor hij gromde. ‘Wat bedoel je? Dat het niet erg is als ik ontrouw ben? Nadat je mij net met zoveel moeite duidelijk wilde maken dat jij dat niet bent geweest?’

‘Wat? Nee, dit is anders, Faile. Jij was een gevangene, en...’

‘En ik kan niet voor mezelf zorgen? Je bent een os. Niemand heeft me aangeraakt. Het zijn Aiel. Je weet dat ze het niet zouden wagen een gai’shain iets aan te doen.’ Dat was niet helemaal waar; er waren vaak vrouwen misbruikt in het Shaidokamp, want de Shaido gedroegen zich niet langer als Aiel.

Maar er waren nog anderen in het kamp geweest, Aiel die geen Shaido waren. Mannen die hadden geweigerd Rhand te aanvaarden als hun Car’a’carn, maar die ook moeite hadden met het aanvaarden van het gezag van de Shaido. De Broederlozen waren mannen van eer geweest. Hoewel ze zichzelf afgescheiden hadden genoemd, waren zij de enigen in Malden geweest die de oude gebruiken in ere hadden gehouden. Toen de vrouwelijke gai’shain in gevaar kwamen, hadden de Broederlozen iedereen beschermd die ze konden. Ze hadden niets gevraagd in ruil voor hun inspanningen. Nou... dat was niet waar. Ze hadden veel gevraagd, maar niets geëist. Rolan was in zijn handelen altijd een Aiel geweest, al was het dan niet in zijn woorden.

Maar net als Masema’s dood was haar verhouding tot Rolan niet iets wat Perijn hoefde te weten. Ze had Rolan nooit zelfs maar gekust, maar ze had zijn verlangen naar haar in haar eigen voordeel gebruikt. En ze vermoedde dat hij had geweten wat hij deed. Perijn had Rolan gedood. Dat was ook weer een reden waarom haar man niets hoefde te weten over de vriendelijkheid van de Broederloze man. Het zou Perijn verscheuren te weten wat hij eigenlijk had gedaan.

Perijn ontspande zich en sloot zijn ogen. Hij was veranderd in die twee maanden, misschien wel evenveel als zij. Dat was goed. Haar volk in de Grenslanden had een gezegde: ‘Alleen de Duistere blijft onveranderd.’ Mensen groeiden en gingen vooruit, maar de Schaduw bleef gewoon wat hij was: kwaadaardig.

‘We zullen morgen wat plannen moeten maken,’ zei Perijn geeuwend. ‘Zodra er Poorten beschikbaar zijn, moeten we beslissen of we de mensen gaan dwingen te vertrekken, en wie er als eerste moet gaan. Heeft iemand al ontdekt wat er met Masema is gebeurd?’

‘Niet dat ik weet,’ zei ze zorgvuldig. ‘Maar aangezien zoveel van zijn spullen uit zijn tent weg zijn...’

‘Masema geeft niet om spullen,’ mummelde Perijn zachtjes, met zijn ogen nog dicht. ‘Hoewel hij die misschien kan hebben meegenomen om te herbouwen. Het kan zijn dat hij ervandoor is gegaan, hoewel het wel vreemd is dat niemand weet waarheen of hoe.’

‘Hij is waarschijnlijk weggeglipt in de verwarring na de strijd.’

‘Waarschijnlijk,’ beaamde Perijn. ‘Ik vraag me af...’ Hij geeuwde opnieuw. ‘Ik vraag me af wat Rhand zal zeggen. Masema was het doel van deze hele tocht. Ik moest hem ophalen en mee terug nemen, en dat is dus mislukt.’

‘Je hebt in naam van de Draak de mannen die moordden en roofden vernietigd,’ zei Faile, ‘en je hebt het hart van het Shaidoleiderschap uitgesneden, niet te vergeten alles wat je hebt ontdekt over de Seanchanen. Ik denk dat de Draak dat wat je hebt bereikt veel belangrijker zal vinden dan het feit dat je Masema niet terugbrengt.’

‘Misschien heb je gelijk,’ mompelde Perijn slaperig. ‘Rottige kleuren... Ik wil je niet zien slapen, Rhand. Wat is er met je hand gebeurd? Door het Licht verblinde dwaas, je moet beter voor jezelf zorgen... Jij bent alles wat we hebben... De Laatste Jacht komt eraan...’

Faile had er niet veel van verstaan. Waarom zei hij dat Rhands hand op jacht ging? Viel hij nu eindelijk echt in slaap? En ja, weldra begon hij zachtjes te snurken. Ze glimlachte en schudde vol genegenheid haar hoofd. Hij was soms een os, maar wel haar os. Ze stapte uit bed en liep door de tent, trok een mantel aan en bond de gordel eromheen. Daarna volgde een paar sandalen, en toen glipte ze door de tentflap naar buiten. Arella en Lacile stonden daar op wacht, samen met twee Speervrouwen. De Speervrouwen knikten naar haar; zij zouden haar geheim bewaren.

Faile liet de Speervrouwen achter, maar Arella en Lacile sloten zich bij haar aan toen ze de duisternis in liep. Arella was een donkerharige Tyreense vrouw die langer was dan de meeste Speervrouwen, met een wat norse uitstraling. Lacile was klein, bleek en heel slank, en ze liep met een sierlijke deining.

Ze waren zo verschillend als vrouwen maar konden zijn, hoewel ze door hun gevangenschap allemaal waren verenigd. Allebei de leden van Cha Faile waren samen met haar gevangengenomen en als gai’shain naar Malden gegaan.

Na een korte afstand sloten zich twee andere Speervrouwen bij hen aan; Bain en Chiad hadden waarschijnlijk met hen gesproken. Ze liepen het kamp uit, naar een plek waar twee wilgen naast elkaar stonden. Daar werd Faile opgewacht door twee vrouwen die nog steeds het wit van gai’shain droegen. Bain en Chiad waren Speervrouwen, eerstezusters en gekoesterd door Faile. Ze waren zelfs nog trouwer dan degenen die aan haar hadden gezworen. Trouw aan haar, maar zonder geloften. Een tegenstelling die alleen bij Aiel mogelijk was.

Anders dan Faile en de anderen zouden Bain en Chiad het wit niet uittrekken alleen omdat hun overweldigers waren verslagen. Ze zouden die kleding een jaar en een dag dragen. In feite was hun komst hier vanavond – dat ze hun leven van voordat ze waren gevangengenomen erkenden – al bijna meer dan hun eer hun toestond. Maar ze gaven wel toe dat gai’shain zijn in het Shaidokamp allesbehalve gewoon was geweest.